Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GODS GENADE IN CHRISTUS VERHEERLIJKT IN DE BEKEERING VAN EEN JOODSCH MEISJE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

GODS GENADE IN CHRISTUS VERHEERLIJKT IN DE BEKEERING VAN EEN JOODSCH MEISJE

5 minuten leestijd

Door haar zelf verhaald.

(vervolg)

Op dit antwoord werden zij woedend op mij en gaven mij bevel, dat ik oogenblikkelijk de woning moest verlaten. Ik werd als een vagebond weggejaagd.

Daar stond ik op straat.

Ik begaf mij terstond naar eenige kennissen en vrienden die mij met blijdschap ontvingen.

Na een korte voorbereiding ontving ik het teeken des Heiligen Doops en werd ik in de Christelijke Gemeente opgenomen.

Sindsdien heeft niemand der Joden, ook mijn vader niet of eenig familielid, ooit meer naar mij omgezien.

Nu was ik gedoopt en geloofde aan den Heere Jezus.

En was dit nu genoeg voor de eeuwigheid?

Neen! Het geloof aan Hem kan ons niet zalig maken, alleen het geloof dat in ons gewrocht wordt door den Heiligen Geest. Maar dit onderscheid was voor mij nog verborgen. Ik meende, waar ik nu gedoopt was, dat zulks op zichzelf genoeg was. Ik ging trouw ter kerk, nam deel aan het Heilig Avondmaal, en leefde, om zoo te zeggen, onberispelijk.

Er staat immers geschreven: “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden?” Markus 16:16. En dit was met mij het geval. Ik geloofde en was gedoopt en was bereid mij daarvoor zelfs te laten verbranden.

Hoorde ik Gods volk over eigen zonde en gebrek spreken, dan was het of dit mij niet aanging. Ik was rijk en verrijkt in mijzelf, en had geens dings gebrek.

Had de Heere Zich over mij niet ontfermd, ik ware nog omgekomen.

Maar het behaagde den Heere mijne oogen te openen en mij bekend te maken, hoe ellendig, arm, blind en naakt ik was. Het behaagde den Heere mij de woorden van Johannes den Dooper op de ziel te binden: “Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te ontvlieden van den toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig.”

Die woorden ontroerden mij.

In de kerk gekomen, handelde de prediker over dezelfde woorden. Die preek was op mij gericht. Ik was dat adderengebroedsel. Nu kwam ik er achter, dat de Jood in mij nog den boventoon had. Dat God het hart aanziet.

Welk een benauwdheid wedervaarde mij. Wat was ik ongelukkig.

Veel was er met mij voorgevallen, maar ach, er was in mij geen vrucht. Ik moest God billijken en uitroepen: “Rechtvaardig zijt Gij, Heere, in al Uw doen. Uit mij in eeuwigheid geen vrucht.

Angsten en benauwdheden troffen mij. Veroordeeling en bestrijding grepen mij aan.

Drie jaren had ik geleefd, sinds de ure, dat ik gedoopt was, als een eigengerechtig schepsel. Ik had al dien tijd mij zelf willen behouden.

O, hoe had ik den Heere gesmaad en verloochend!

De gedachte greep mij aan, dat er nu voor mij geen genade meer was, maar eeuwige, rechtvaardige straf. Ik leerde mij kennen als een monster van zonden en daar had ik al dien tijd gerust mede heen geleefd. Met al dat eigen werk had ik den Heere veracht en alle vrijmoedigheid om tot Hem te naderen, werd mij hierdoor ontnomen.

O, gij die dit leest, handel toch niet lichtvaardig!

Het geloof aan Christus behoudt niet, maakt ons niet tot een waar Christen.

Anderhalf jaar heb ik in dien droeven toestand doorgebracht. Schepte ik soms eens een weinig hoop, dat werd weer afgesneden, waar het steeds bij vernieuwing in mijn hart klonk: “Uit u geen vrucht in der eeuwigheid.”

Maar toen behaagde het den Heere Zich over mij te ontfermen. Hoe krachtig werd het in mijne ziel verklaard, niet alleen hoe de Heere Jezus is de Eenige en Algenoegzame Zaligmaker van zondaren, maar ook, dat Hij, zou ik behouden kunnen worden, de mijne moest zijn.

Die ontdekking gaf mij verademing en trok mij op uit mijne ellende, dat ik als een arme bidden leerde pleiten aan den troon der genade om genade en geen recht. Vele benauwdheden heb ik nog doorstaan. Vele bestrijdingen hebben mij vervaard. Maar toch behaagde het den Heere Zich mijner te ontfermen en mij langs afsnijdende wegen in te zetten in Hem, Die ook mijne ziele liefheeft.

O, gij, die dit leest, merkt het toch op: ik had nooit uit mijzelven naar Hem gevraagd. Hij heeft naar mij gevraagd en Zelf mij gezocht in Zijne liefde en gena.

Hij heeft Zich over mij, nietige aardworm, ontfermd en nu mag ik met het ware volk wel eens zingen:

De Heer’ is mij tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
Hij was het, die mijn heil bewerkte,
Dies loof ik Hem, mijn leven lang!

Lezer, tot zoover strekt het eenvoudig verhaal, dat uit haar eigen mond is medegedeeld en op schrift gesteld is.

Hoe wordt openbaar, dat de Heere nog dezelfde is. Dat Hij gekomen is tot de verlorene schapen van het huis Israels.

De Heere heeft Zijn oud volk Israel nog niet vergeten. Hoever afgezworven, ook daarin is nog een overblijfseltje naar de verkiezing der genade.

Het mocht ons opwekken dat oude volk niet te vergeten, gedachtig aan het woord van Paulus: “Het gebed dat ik tot God voor Israel doe, is tot hunne zaligheid,” opdat Israel buigen mocht voor Hem, Dien zij verworpen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

The Banner of Truth | 16 Pagina's

GODS GENADE IN CHRISTUS VERHEERLIJKT IN DE BEKEERING VAN EEN JOODSCH MEISJE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken