Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HONGEREN EN DORSTEN NAAR GERECHTIGHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HONGEREN EN DORSTEN NAAR GERECHTIGHEID

12 minuten leestijd

Matth. 5:6: “Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”

OVER gerechtigheid wordt veel gesproken in de H. Schrift. Geen wonder! De Goddelijke Auteur des Bijbels, is de Gerechtigheid Zelf. Christus, de Leeraar der gerechtigheid, wordt genoemd Jer. 23:6: “DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.” God als Schepper heeft den mensch in gerechtigheid geschapen. Versierde hem met Zijn beeld, bestaande in kennis van God, gerechtigheid en heiligheid. Gods volk ontvangt dat beeld in de wedergeboorte in en door Christus weer terug, opdat ze in gerechtigheid voor den Heere zullen leven en wandelen. Zacharias getuigde na de geboorte van Johannes: “Opdat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreeze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle de dagen onzes levens.”

God heeft een behagen in gerechtigheid en heiligheid, en niet in ongerechtigheid en onreinheid. Het laatste is in strijd met Zijne Goddelijke en reine natuur. Hij moet toornen over alle ongerechtigheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, Rom. 1:18.

O, had de mensch in zijne oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid blijven staan! Maar helaas! hij is gevallen door ongerechtigheid. Hoe duidelijk maar toch vreeselijk teekent Paulus het beeld van den onrechtvaardigen mensch in Romeinen 3. “Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdgiheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid”; enz. Rom. 2:29.

Een onrechtvaardige kan geen bestaan hebben voor God, Die van Zijn recht en waarheid geen afstand kan doen. David, die zelfkennis had, moest uitroepen: “Zoo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?” Beklagenswaardige menschen die zich inbeelden, dat ze in hunne eigengerechtigheden, die alle met zonde bevlekt zijn, voor God kunnen bestaan en op grond daarvan den hemel zullen binnengaan! Arme schepselen die met de gerechtigheid van Christus in belijdenis en de lompen van eigengerechtigheid versierd, denken voor God in Sion te verschijnen en het eeuwige leven te ontvangen. O, wat zijn er vele blinde wereldsche menschen, maar wat zijn er ook vele blinde godsdienstige menschen! Christus moest toen Hij op aarde was ook al getuigen: “Ik zeg u, tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der Farizeeërs, dat gij het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.”

Alleen in een volmaakte gerechtigheid kan de mensch voor God bestaan en vrede met Hem hebben, en eeuwig bij Hem wonen. Zulk een gerechtigheid vinden wij ontdekt in de H. Schrift en is onrechtvaardigen heerlijk bekend gemaakt, opdat we er zoolang naar zouden hongeren en dorsten, totdat ze ons eigendom is voor tijd en eeuwigheid. Dat is de verworvene en eeuwiggeldende gerechtigheid van Christus, die Paulus steeds wonderlijk verheft in al zijne brieven. Waarvan hij getuigd: “Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de Wet en de Profeten: namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die gelooven; want er is geen onderscheid,” Rom. 3:21, 22.

Allen die door de overtuigingen en onderwijzingen des Geestes hunne ongerechtigheden leeren kennen, dat hunne gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed zijn en dat ze daarin niet voor God kunnen bestaan, en die daarbij tot de gezegende kennis komen van Christus’ gerechtigheid, zooals Saul van Tarsen in de straat genaamd de “Rechte,” zullen daarnaar hongeren en dorsten. Die worden door Jezus zalig gesproken.

“Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”

Somtijds wordt het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, verstaan te zijn, sterke begeerte en verlangen te hebben naar de gerechtigheid des levens, zijnde heiligmaking. En waarlijk zullen allen die in wedergeboorte weer met het beeld Gods versierd zijn, hongeren en dorsten naar die gerechtigheid des levens. Ze kunnen niet meer dienstknechten der ongerechtigheid zijn; maar zijn geworden dienstknechten der gerechtigheid tot heiligmaking, Rom. 6:19. Ze hebben niet alleen een lust om naar sommige—maar alle geboden Gods te leven. Gods wil is hun wil geworden; daarom met Paulus: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal.” Daarin blijkt dat ze der Goddelijke natuur deelachtig zijn. In alles blijven ze zeer gebrekkig, in hunnen onvolmaakten staat op aarde. Dat vervult menigwerf met droefheid en smart. Ze moeten hun diepen val betreuren, en dat ze na ontvangene genade nog zoo gebrekkig zijn in heiligmaking. In gemis hongeren en dorsten ze naar de gerechtigheid en verlangen wel eens naar den hemel, waar geen gebrek, droefheid en klacht meer wezen zal. Die spreekt Jezus zalig, want hij zal ze in den hemel volle verzadiging geven; dan zullen ze de wensch der ziel verkrijgen. Dan nooit geen gebrek meer. Dan God volmaakt dienen in Zijnen heiligen tempel.

Deze hongerige en dorstige zielen naar de gerechtigheid des levens, zijn dezelfe die ook hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus die buiten hen is. Bij hemelsch onderricht zien ze en moeten ze het belijden, dat ze die gerechtigheid noodig hebben om voor God te kunnen bestaan en gerechtvaardigd te worden. Neen, door de werken der wet zal geen vleesch voor God gerechtvaardigd worden. Waren de geestelijke afsnijdingen en ontkleedingen pijnlijk, hebben ze die wel tegengestaan; ze waren goed en zeer nuttig. Er kwam plaats voor Christus en Zijn gerechtigheid. Die geopenbaard aan hunne schuldige en naakte ziel, deed hun verblijd zijn, al moesten ze die in toerekening en toe-eigening nog missen. Ze kregen het “beste kleed” in het oog, en ze wilden het zeer gaarne bezitten en ontvangen op de markt van vrije genade; gansch om niet. Ze hebben niets om er voor te betalen.

Nu zal het voor allen duidelijk zijn dat gemis, van welken aard ook, doet hongeren en dorsten, doet begeeren en verlangen, naar hetgeen dat dit gemis kan vervullen.

In het gemis van de gerechtigheid van Christus, hongeren en dorsten zij er naar. Die honger en dorst is niet altijd even sterk en uitgaande. Daarin zijn ze ook allen afhankelijk. O, was er eens meer zulk een sterke en als bezwijkende honger en dorst naar die gerechtigheid als bij Saul van Tarsen te Damaskus. Ze was een sterke en pijnlijke doorgaande honger en dorst, totdat er verzadiging of voldoening kwam. Het was bij hem als bij een barende vrouw, die in de barensweeën niet kan rusten totdat er verlossing komt. Helaas! dat men zoo weinige van die hongerige en dorstige zielen ontmoet, die met vele tranen schreien en smeeken om die gerechtigheid te mogen ontvangen en daarmede bekleed te worden. Menig Christen kent daar niets van, en toch is men Christen en kind Gods. Ieder godsdienstig mensch mocht zich hier toetsen en onderzoeken. Oppervlakkig in Jezus te gelooven sluit alle honger en dorst buiten; maar sluit zulk een mensch ook buiten het Koninkrijk Gods om dan spoedig (indien er geen verandering komt) eeuwig te hongeren en te dorsten zonder eenige verzadiging.

Die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus hebben met vele vreezen en bekommeringen te kampen. Ze moeten soms langen tijd in het gemis voortwandelen. Ze gevoelen ontbloot van die gerechtigheid, niet voor God te kunnen bestaan. Ze vreezen voor dood en eeuwigheid. Dan roepen wel uit de benauwdheid die ze hebben. Dan is het een vluchten naar Jezus, een smeeken om die gerechtigheid, een pleiten aan Zijne gezegende voeten en op Zijne beloften. O, hoe kunnen die zielen Jezus hunn naaktheid en al hunne ellende vertoonen en of Hij de ziel bekleeden en overdekken wil.

Hoe kunnen ze jaloersch zijn op die welgelukzalige zielen, die met de kerk van ouds mogen getuigen: “Ik ben zeer vroolijk in den HEERE, mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.” Dan mogen ze wel eens sterker hongeren en dorsten en den HEERE DER GERECHTIGHEID achteraan kleven.

Hoewel zulke zielen zich onzalig gevoelen in het gemis en met vele moelijkheden, aanvallen, bestrijdingen en droefheden te kampen hebben, Jezus spreekt ze zalig. Ze zijn gelukkig, ze zijn rijk, ze zijn hoog bevoorrecht, ze zijn kinderen Gods en schapen van den goeden Herder, ze hebben de inwoning des Heiligen Geestes, ze zijn erfgenamen van oneindige schatten en heerlijkheden, alles is hun eigendom in Christus Jezus. Konden ze dat eens gelooven! Soms gaat het, en dan weer niet. Ze mogen het wel alles in hun hopen en verwachting hebben. Ze mogen er wel om bidden en smeeken.

Jezus spreekt ze zalig, omdat ze het zijn die verzadigd zullen worden. Waar de Heere een gemis werkte, zoo zal Hij ook vervullen. De Heere doet geen half werk. “Ze zullen verzadigd worden.” Als de Heere de begeerde zaak zal schenken, dan is het gemis weg en de daaruit vloeiende honger en dorst.

De begeerde gerechtigheid wordt niet alleen geopenbaard, maar ook toegerekend naar het welbehagen des Vaders door den H. Geest, Die de Toepasser is der zaligheid. Die wordt dan door de begeerige en reikhalzende ziel met blijdschap door het geloof aangenomen en omhelsd. Dus schenkt Christus Zichzelven weg aan zulk een arm en ellendig zondaar, zijnde de HEERE ONZE GERECHTIGHEID. Er grijpt een wonderlijke en zalige ruil plaats, zooals Luther het uitdrukt. In Hem en Zijne gerechtigheid is de zondaar volmaakt, zonder eenig gebrek. Die gerechtigheid is immers de dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid van Christus, en dat is een volmaakt werk. Dat is een volmaakt geestelijk kleed, dat den naakten en onreinen zondaar geheel bedekt en overdekt, en waarin hij zeer schoon en rein is. In die gehoorzaamheid heeft Christus de zonden verzoend, de schuld betaald en het leven tot in eeuwigheid verworven. Die bloedige gerechtigheid toegepast en geloovig aangenomen, zoo ontvangt de ziel vergeving van alle zonden, ontheffing van de straf en een recht ten eeuwigen leven. In de gerechtigheid van Christus openbaart God zich als Vader, Die de ziel de kus der verzoening schenkt en de witte keursteen der vrijspraak doet genieten. Door gerechtigheid is de ziel bevestigd in den staat der genade, en zalig bewust haar kindschap. Dan mag ze het Paulus met blijdschap en volle verzekering des geloofs nazeggen: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.”

Veel zou hier nog over het stuk der rechtvaardigmaking door het geloof kunnen gezegd worden, maar het laat het bestek dezer korte meditatie niet toe. Dat is wel bij een andere gelegenheid gedaan. Alleen willen we nog kortelijk aantoonen, dat zulk een ziel nu door het geloof de gerechtigheid van Christus deelachtig is en daardoor in volle bewustheid gerechtvaardigd, zalige verzadiging geniet zooals door Jezus belooft. Het hongeren en dorsten naar die gerechtigheid heeft plaats gemaakt voor de vervulling. Blijdschap en dankbaarheid en zalige voldoening vervult het gansche hart. Zalige vrede en rust wordt gesmaakt. De reizende pelgrim heeft zijn Pniël bereikt op den weg naar den hemel,en mag met Jacob getuigen: “Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziel is gered geweest.” De ziel is gekomen tot de heerlijke bevestiging in den staat der genade. Ze mag nu in blijdschap uitroepen: “Komt, hoort toe, o gij allen die God vreest; en ik zal vertellen wat Hij aan mijne ziel gedaan heeft.” God wordt verheerlijkt in Zijn werk, waarin de ziel onuitsprekelijke zaligheid geniet. Die verzadiging is nog niet duurzaam, zooals dan genoten. Er komt weer standelijk gemis. Veel moeite en ellende moet nog wel doorworsteld worden. Maar Immanuël blijft getrouw; gedurig wordt Zijn werk vernieuwd en bevestigd. In de gezegende geloofsoefeningen door den H. Geest mag de vrijgemaakte ziel, zich weer gedurig verlustigen in haar Verlosser en wat Hij deed en wat Hij schonk. Zoo gaat ze de eeuwige verzadiging tegemoet, wanneer Gods volk nooit meer zal hongeren en dorsten, Openb. 7:16. Ze zullen in hun geloof sverwachting niet beschaamd worden: “Verzadiging van vreugde is bij Uw aangezicht, liefelijkheden zijn in Uwe rechterhand eeuwiglijk.” O, onuitsprekelijke verzadiging des hemels in de genieting en de verheerlijking van den Drie-eenigen God tot in alle eeuwigheid! Daartoe zullen ze verhoogd worden door de gerechtigheid van Christus.

Lezers! behoort gij bij die hongerige en dorstige zielen naar gerechtigheid in tweevoudigen zin? Ze zijn waarlijk weinige in de donkere dagen die wij doorleven. Toch noodzakelijk daarbij te behooren. Gods lieve Geest vervulle u met zulk een hongeren en dorsten. In het hongeren en dorsten naar de wereldsche en tijdelijke goederen, naar de zonde en ongerechtigheid, naar zelfverheffing en eigen eer, komt ge voor eeuwig om. O, hoe vreeselijk zal het zijn in de plaats der verderfs eeuwig te hongeren en te dorsten, en dat hopeloos.

Hongerige en dorstige zielen mogen bemoedigd worden. De verzadiging moge lang uitblijven, er zal echter verlossing komen. De Heere, Die het beloofd heeft, is getrouw. Gods machtige Geest make dat hongeren en dorsten te sterker en al pijnlijker. Beweldadigd volk, dat Jezus en het Zijne uit den hemel hongert en dorst. Gedurig schreiend en smeekend opziet tot den verheerlijkten Immanuël en Pleitbezorger bij den Vader. Het pijnlijke gemis zal eens vervuld worden, in het zalig genot van den Eenigen Troost. Het mocht menige ziel gaan als Hiskia: “O Heere! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.”

Het volk, dat de heerlijke vervulling der belofte ontving, moge meer en meer zijn een dankbaar en vruchtbaar volk in geloofsvereeniging met Christus. Steeds in ootmoed en onwaardigheid wandelen voor het aangezicht des Heeren. Veel behoefte hebben door Christus met vrijmoedigheid en vertrouwen toe te gaan tot den Vader, en als kind Zijne zoete en troostrijke gemeenschap te genieten in dit Mesech der ellende beneden. Met verlangen vervuld zijn naar de eeuwige verzadiging des hemels.

Ziende op dat zalig gesproken wordende volk door onzen grooten God en Zaligmaker Christus, willen we samen aanheffen in lofgezang:

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ‘t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhoogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1946

The Banner of Truth | 16 Pagina's

HONGEREN EN DORSTEN NAAR GERECHTIGHEID

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1946

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken