Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ZALIG ZIJN DE REINEN VAN HART

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ZALIG ZIJN DE REINEN VAN HART

13 minuten leestijd

Mattheus 5:8: “Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.”

Het was de bede van David nadat hij zwaar gezondigd had:

Ontzondig mij met hijsop, en mijn ziel,
Nu gansch melaatsch, zal rein zijn en genezen.
Wasch mij geheel, zoo zal it witter wezen,
Dan sneeuw die versch op ‘t aardrijk nederviel.

DAT zal de bede zijn van allen, die met dezen boeteling moeten getuigen: “Gij die mijn geest met wijsheid hadt gevoed, and in mijn ziel Uw goddelijk licht gegeven.”

Dat is het volk dat de plaag, de melaatschheid der ziel, heeft leeren kennen en met hun ellende leeren vluchten tot de Heil- en Bloedfontein Christus, geopend voor het Huis van David en de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en de onreinheid. O, zalig vluchten en zuchten tot Hem, Die alleen heiligen en reinigen kan!

Dat is het volk, dat de heiligmaking heeft leeren kennen en beminnen, zonder welke niemand den Heere zien zal. Hoe onrein en gebrekkig in zichzelf, hoe veroordeelt en ellendig; het is het volk dat Jezus toeroept: “Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.”

De groote Leermeester doelt op “reinen van hart.” Op de reinheid des ha’rten let een heilig God. Daar letten zij bijzonder op, die zonde als zonde leerden kennen. Die de zonde als een vreeselijke melaatschheid der ziel leerden kennen, die hen ten verderven dreight te voeren, in den eeuwigen dood to doen ondergaan. Dat is een ander geslacht dan het geslacht der Farizeërs en Schriftgeleerden, zooals die op aarde waren ten tijde van Jezus; en is dit geslacht thans uitgestorven? Het mocht ter harte nemen, what Christus eenmaal sprak tot dit geslacht: “Wee u, gij Schriftgeleerden and Farizeërs, gij geveinsden! want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. Gij blinde Farizeër, reinig eerst wat binnen in den brinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden! want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Alzoo schijnt gij wel den menschen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.”

Zeker, het volk door Jezus “reinen van hart” genoemd, zal ook zulk een Farizeër en Schriftgeleerde inwendig leeren kennen, maar die zullen door het “wee” van Jezus uitgedreven en gedood worden; ja, door den Geest des oordeels en der uitbranding. In de zaligmakende overtuigingen en ontdekkingen des Geestes gaat de eigengerechtige en werkheilige Farizeër verdwijnen en gaat de schuldige, beschaamde tolledwijnen en gaat he schuldige, beschaamde tollenaar zich meer openbaren, gedurig in het arme zondaarsleven biddende: “O God, wees mij zondaar genadig!” Neen, het volk hier door Jezus bedoelt, komt dit korte en eenvoudige gebed nooit to boven; en zijn ze dankbaar en blijde als ze het nu en dan weer eens van harte mogen opzenden. In het genade-geroep van dat volk, ligt een roemen in genade verklaart. Dat volk leert in de hemelsche onderwijzingen verstaan wat Paulus in ervaring niet onbekend was: “Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde: en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest,” Rom. 5:20. Dus door ontdekking grooter zondaar worden, maar minder zonde doen. Zijn dat niet de reinen van hart, door Jezus bedoelt?

Gansch rein van hart, ja, rein naar ziel en lichaam beide, was Adam in den staat der rechtheid en het gansche menschdom in hem begrepen. Zoo heerlijk en volmaakt rein door God geschapen! Geen onreinheid der zonde in gedachten, woorden, noch werken. Geen scheiding tusschen den reinen mensch en den reinen God. Zoete vereeniging en gemeenschap! Het zal den “reinen van hart” tot zonde en smart worden voor God en menschen, dat ze moed- en vrijwillig dezen volmaakt heiligen staat hebben verlaten en zich hebben overgeleverd aan den onreinen duivel om kwaad to doen in Gods oog. Hoe menigmaal moeten ze in de ware zelfkennis, niet van zichzelf walgen en gruwen! Dat volk leert verstaan wat de Heere eenmaal sprak tot de ballingen in Babel: “Dan zult gij gedenken aan uwe booze wegen en uwe handelingen die niet goed waren, en gij zult eene walging van uzelve hebben over uwe ongerechtigheden en over uwe gruwelen.”

Het kan en mag hen echter ook wel in dit tranendal tot troost en groote blijdschap zijn, dat ze na dit leven en dat eeuwig van alle onreinheid zullen zijn verlost; dat ze dan weer zondeloos, als Adam in den staat der rechtheid, God zullen dienen in Zijnen heiligen Temple. Dat ze straks in gestikte kleederen tot den Koning zullen geleid worden, en ze zullen wandelen in de lange witte kleederen, wit gemaakt in het bloed des Lams, Openb. 7:14. Dat Christus al dat volk als een reine maagd, zonder vlek of rimpel, den Vader zal voorstellen.

Maar hoe kunnen de volgelingen van Christus “reinen van hart” genaamd worden, daar ze nog zoo to worstelen hebben met de onreinheid der zonde met de smet der zonde die steeds aankleeft in gedachten, woorden en werken? Ze met Paulus moeten klagen: “Als ik het goede wil doen, dat het kwade hen bijligt?” Ook wel uitroepen: “Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

Het mag een tegenstrijdigheid schijnen om zulk een volk “reinen van hart” to noemen. Dit is het echter niet. Het zal blijken uit het volgende.

Jezus noemt dat volk “reinen van hart”, omdat ze volmaakt rein voor God staan in hun verheerlijkt Hoofd in den Hemel, in Zijne vol maakte dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid. Zoo ziet God geen zonde in Zijn Jacob en geen ongerechtigheid in Zijn Israël. Jezus getuigt van Zijn Bruidkerk, Hooglied 4:7: “Geheel zijt gij schoon, Mijne vriendin, er is geen gebrek aan u.” Wonderlijk getuigenis, niet waar? Toch waarachtig!

Ook denken we om de vernieuwing des harten in de wedergeboorte; de Goddelijke natuur deelachtig, volgens des Apostels woord; de versiering met het Beeld Gods. Zoo is des Konings dochter geheel verheerlijkt inwendig, Psalm 45.

Door den H. Geest zijn er reine begeerten en verlangens in de ziel, die uitgaan naar heilige dingen. De H. Geest woont en werkt in hun hart, en doet daar steeds een heiligend werk; doet hen dienstknechten der gerechtigheid zijn tot heiligmaking. Hij schenkt kracht, moed en lust om den ouden mensch te kruisigen met aldeszelfs bewegingen en begeerlijkheden. Ach! was dat volk in Gods kracht daar thans meer mee bezig. Tegen zulk een dooden, is het zesde gebod niet.

De “reinen van hart” zijn hongerig en dorstig naar een reine spijs en drank. In hun natuurstaat is het zoo geheel anders. Als nieuwgeboren kinderkens zijn ze wel zeer begeerig naar de redelijke en onvervalschte melk van Gods Woord, opdat ze daardoor mogen opwassen. Ook gaat het verlangen der ziel uit naar het volk, dat de gerechtigheid en heiligheid bemint. Ze zeggen met David: Ik ben een vriend en metgezel, van allen die Uw Naam ootmoedig vreezen.

Ook “reinen van hart”, wijl ze bereid worden voor de eeuwige volmaaktheid, de eeuwige reinheid van ziel en lichaam beide in den hemel; alwaar alleen die zullen binnenkomen die gewasschen zijn in het bloed des Lams. Dan geen verdorvenheid en strijd meer; dan hun wensch en bede verkregen. O, wat zal dat volmaakt reine volk dan huppelen van ziele-vreugd!

Helaas! dit volk menigwerf zoo weinig oog heeft voor deze heerlijke en troostrijke zaken. Dat ze zoo weinig geloovig werkzaam zijn omtrent die geestelijke en hemelsche goederen, door Christus voor hen verworven. Hoe menigmaal staren ze slechts op de vreeselijke schuld en verdorvenheden. Dat dit volk eens meer mocht leeren verstaan: “In Hem zijt gij volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht.” In de bediening des H. Geestes meer mocht staan naar de reinheid in handel en wandel, Gode welbehagelijk.

Dat volk spreekt Jezus zalig. In al hun worsteling en strijd, in al hun droefheid en smart, in al hun klacht over de verdorvenheid die in alles aankleeft, is het een gelukkig volk. Hoe ook neergebogen onder den zwaren last van schuld en smet der zonde, hunne gedurige struikelingen en aanvechtingen; het is en blijft een welgelukzalig volk. Vooral een welgelukzalig volk, want ze zullen God zien. Dat is de heerlijke belofte voor dat volk, en voor dat volk alleen. Niemand hunner, of ze hebben daar min of meer kennis aan. Denken we hier ook om Jacob die te Pniël getuigde: “Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziel is gered geweest.”

Zoodra de zondaar wordt staande gehouden in Goddelijke kracht op zijn zondeweg, staat hij niet langer meer met zijn rug naar God gekeerd; dan met zijn aangezicht tot God gekeerd en wordt hij tot de kennis van Hem gebracht tegen Wien hij zwaar en menigmaal gezondigd, en die rechtvaardig kan verdelgen. Het verstand verlicht door den H. Geest, leert hij God kennen of zien in Zijne heerlijke deugden en volmaaktheden, die hij lief krijgt en gaat verkondigen, I Petrus 2:9.

Door de verlichtte kennis zien ze God in Zijne heerlijke Namen en werken. In de werken der natuur en der genade. Dan roepen ze wel uit met David: “Hoe groot zijn Uwe werken, o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt.”

Recht onderwezen zien ze een heerlijk, begeerig en onbegrijpelijk God in de Personen van Vader, Zoon en H. Geest. Hoe beminnelijk, hoe aantrekkelijk voor de kennende ziel! David getuigde, dat hij den Heere gedurig voor zich stelde. De kennis leidt tot liefhebben, eeren en verheerlijken. Dan bij tijden zoete overdenkingen en zalig genieten de liefde des Vaders, des Zoons en des H. Geestes. Ze mogen het den dichter nazeggen: “Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.”

Ze zien God in het aangezicht van Christus Jezus Christus sprak eens: “Die Mij heeft gezien, heeft den Vader gezien.” Door Christus mogen ze blikken in het Vaderlijk aangezicht, met Hem verzoend en bevredigt.

De reinen van hart zullen Christus zien, zijnde God te prijzen in der eeuwighend. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Zalig hij, die met Thomas mocht uitroepen: “Mijn Heere en mijn God.”

Het is waar, dat al die reinen van hart niet gelijk staan in dat zien van God. God is vrij in de bedeeling Zijner genade. In de hemelsche onderwijzingen ligt een toenemen van die heerlijke kennis. O, dat ze meer overvloedig ware in de volgelingen van Christus! Hoeveel is dat alles verborgen. Het zal echter altijd een minder en meerder blijven. Toch zullen ze allen er iets van hebben, daar de groote Leermeester heeft gesproken: “Zij zullen God zien.” Hoe heerlijk zal die belofte vervuld worden in den hemel. Daar zal hun oog niet meer verduisterd zijn door geestelijke blindheid, het aardsche en wereldsche. Dan eeuwig met ongedekt aangezicht aanschouwen de heerlijkheid Gods. Dan hun verheerlijkt Hoofd zien aangezicht tot aangezicht. Dan is aan alles wat ten deele was, een eind gekomen. Dat zal een onbeschrijfelijk heerlijk zien zijn! Dan zullen ze den Koning eeuwig zien in Zijne hemelsche schoonheid. Dan is alle geloof in aanschouwen verwisseld.

O, zalige eeuwigheid voor Gods volk! Hoeveel vinden we daarvan beschreven in het laatste book des Bijbels. Een predikantsvrouw deed de vraag aan haar man: “Zult gij mij ook zien in den hemel?” Bij het eerste vragen, antwoordde hij niet, maar toen ze de vraag herhaalde, sprak hij: “Ja, maarniet voor dat ik eerst duizend jaren om mijn Koning en Heiland zal hebben gezien.”

Zone Gods, oneinding Wezen,
Leven, Light en Heerlijkheid,
Schoonheid, nooit genoeg geprezen,
Zijt Gij tot in eeuwigheid.
Alle Goddelijke deugden,
Die zijn in Uw eeuwig zijn;
Gij bezit volmaakte vreugde,
Eeuwig zonder druk of pijn.

De Heere mocht in deze donkere tijden de “reinen van hart” vermeerderen, want ze zijn waarlijk dun geworden. Velen zijn rein in eigen oog en nooit van hun drek gewasschen. Met een weinig eigenwillige godsdienst denken ze rein te zijn, voor God te kunnen bestaan en den hemel binnen te gaan. Hoevelen zullen in den dood schipbreuk lijden! Welgelukzalig zijn ze die het geestelijk klagen kennen over zichzelven, en dat roemen in den Heere. Die gedurig moeten bidden ziende op de aanklevende verdorvenheden: “Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij eenen vasten geest.” Die zich gedurig ter reiniging aan de voeten van Christus werpen. O, gezegend waschvat Christus, voor de geestelijke priesters! Gelukkige schaapjes die gedurig, ook in kastijding en beproeving, de geestelijke waschstede worden ingeleid. Die door lijden worden geheiligd, om het beeld van hun Koning meer to vertoonen.

Behoort gij niet tot dat volk, lezer! Nooit ontdekt geworden aan de plaag uwer ziel? Nooit inwendige reiniging noodig gehad? Nooit schuld en zonde tot Jezus uitgedragen ter bevrijding? De Heere overtuige en ontdekke u. Zooals ge door erf- en dadelijke zonde geworden zijt, kunt ge niet voor den heiligen God bestaan, nooit den reinen hemel binnengaan. O wee hem, die in zijn onreinheid en gruwelijkheid voor God moet verschijnen! Het mocht eens een vluchten tot Christus worden. Hij alleen kan heiligen en reinigen; bereiden voor een zalige eeuwigheid.

De armen van geest, de treurende Sionieten, de zachtmoedigen, de hongerigen en dorstigen naar gerechtigheid, de barmhartigen en die vervolgd worden, zijn weer genoemd in de reinen van hart. Behoort gij er bij? Indien! dat ge meer gelijkvormigheid moogt verkrijgen aan uw verheerlijkt Hoofd in den hemel, meer geheiligt moogt worden in al uwen wandel; meer de zonde moogt afsterven en de gerechtigheid beleven, meer moogt bedenken de dingen die Boven zijn en niet die op de aarde zijn. Dat de heiligende genade meer overvloedig uit Christus mocht vloeien.

Moet ge hier nog veel klagen over de verberging van Gods aangezicht, over allerlei onreinheden en aanvechtingen; de groote Leermeester roept u toe: “Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.” In volmaaktheid en eeuwig God to zien in heerlijkheid, zult ge nooit meer geen onreinheid zien of gevoelen; dan volmaakt gereinigd door het bloed des Lams,

O Zoone der Gerechtigheid,
Schenk mij geloof en heiligheid;
En wil Uw wetten in mij schrijven,
En laat ik in Uw liefde blijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1946

The Banner of Truth | 16 Pagina's

ZALIG ZIJN DE REINEN VAN HART

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1946

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken