Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN APOSTOLISCHE OPWEKKING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN APOSTOLISCHE OPWEKKING

9 minuten leestijd

2 Tim. 2:8: “Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt.”

DAT woord, dat wij thans wenschen te overdenken, heeft Paulus geschreven

aan zijn gelielden zoon Timotheus. Paulus was toen gevangen te Rome. ‘t Zag er ditmaal voor Paulus, wat zijn persoon betrof, donker uit. Hij was toen als een boosdoener, als een oproermaker in de gevangenis geworpen. De zaken stonden zoo, dat hij weldra ter dood zou veroordeeld worden. Geen wonder dat hij Timotheus, zijn getrouwen vriend, nog voor zijn sterven bij zich wilde hebben. Daarover schrijft de Apostel dan ook in dezen brief. Tevens had hij met dit schrijven de bedoeling, Timotheus in zijn gewichtigen en moeilijken arbeid te Efeze te sterken en te bemoedigen. De jonge leeraar had er zulk een behoefte aan, tegenover de aanvallen van vele dwaalleeraars en leugenprofeten.

Paulus was aan Timotheus zoo nauw verbonden; verbonden met banden die God Zelf gelegd had.

Volgens Handelingen 16 had Paulus hem op zijn tweede zendingsreis leeren kennen te Lystra, toen hij reeds het Christendom had aangenomen. De leiding die de Heere in Zijn Souvereine wil en raad met Paulus gehouden had, verschilde zeer van den weg die de Heere met Timotheus gehouden had. Paulus was, gelijk ons allen bekend, is op den weg naar Damuskus, terwijl hij op reis was om het volk van God te vervolgen, neergeveld. Krachtdadig had God hem in het hart gegrepen. En niet alleen dat, maar in enkele dagen door de stukken heengeleid. Van die uitwendige verandering kende Timotheus niets. Hij was van kindsche dagen door Gods Geest getrokken, en begiftigd met het zaligmakend geloof.

Toch hoezeer de uitwendige wegen verschilden, dezelfde genade die God verheerlijkt had in Paulus, kende ook Timotheus. Beiden waren zij door God van eeuwigheid gekend. Voor beiden had Christus voldaan. Zij waren met hetzelfde bloed gekocht. Dezelfde droefheid naar God was in hun hart gewerkt door den Heiligen Geest, alsook hetzelfde geloof dat met Christus vereenigt, hun geschonken. Beiden mochten zij roemen in God door Christus, en als verlorenen in zichzelf hadden zij de behoudenis en zaligheid van hun ziel alleen in Dien Middelaar gevonden. Het werk Gods had hen saamgebonden.

God is zoo vrij in de bedeeling Zijner genade, alsook in de toebrenging van Zijn volk. De één wordt soms als een brandhout getrokken uit het vuur der hel, en de ander op liefelijke wijze door God geleid. Tegenwoordig geven veel menschen zich uit als Timotheus, maar ‘t is te vreezen niet alleen, maar wij kunnen het wel zeggen, dat duizenden zich daarmee zullen misleiden en bedriegen voor de eeuwigheid. Wij kunnen er wel zeker van zijn, dat als Timotheus thans de meeste menschen zou ontmoeten, dan zou hij hen wel ernstig waarschuwen, en niet hand aan hand met hen gaan.

O geliefden! laat ons toch bedenken dat ereen werk Gods in onze ziel moet verheerlijkt worden. En zullen wij ooit achting en liefde voor elkander kunnen hebben, dan moeten wij innerlijke vereeniging door Gods Geest in onze harten met elkander hebben. En als die overeenkomst in het werk Gods niet gevonden wordt, dan is het maar een slecht teeken.

Wij zijn allen in zonden ontvangen en worden in ongerechtigheid geboren. Wij moeten wedergeboren worden, en vernieuwd door den H. Geest. Een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonde vertoornd hebben, een haten en vlieden van de zonde. Een kennen van onszelven als een verlorene voor God, maar dat wij ook in Christus alleen onze zaligheid en behoudenis leeren kennen. Gods volk krijgt ook een hartelijke blijdschap in God door Christus, en een hartelijke lust en liefde om in alle goede werken te leven. Zij leeren allen droefheid kennen, maar ook blijdschap. Iets van de hel, maar ook van den hemel, leeren allen bevindelijk kennen tusschen God en hun ziel.

O, dat een ieder zich ernstig onderzoeke voor het aangezicht des Heeren. God ziet naar waarheid in het binnenste. Het is maar een van tweeën. Wij hebben er kennis aan, of wij liggen er buiten. Christus stierf niet voor alle menschen, maar alleen voor Zijn volk. En wat Zijn opstanding betreft, dat geldt ook alleen maar de uitverkorenen.

In de opstanding ligt hunne geestelijke en lichamelijke opstanding gewaarborgd en verzekerd. Paulus had de kracht van die opstanding leeren kennen, en Timotheus was er geen vreemdeling van.

Voor Paulus was de tijd zijner ontbinding aanstaande, maar Timotheus stond nog midden in den strijd. En wat zou hem nu in dien zoo bangen geestelijken strijd meer sterken en bemoedigen, dan het in gedachtenis houden, dat Jezus Christus uit den dooden was opgewekt.

Groot, uitnemend groot was de liefde van Christus, dat Hij Zich vernederde tot in den dood des kruises. Daartoe ook had Hij onze menschelijke natuur aangenomen, waar toch de Godheid niet lijden en sterven kon, en Hij vanwege de rechtvaardigheid en waarheid Gods Zich in den’ dood moest overgeven.

Toch ligt er in de opstanding van Christus meer dan in Zijn kruisdood, welke waarde zij ook heeft. De Apostel Paulus zegt immers in Rom. 8: “Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is.” Was Christus in den dood gebleven, nimmer was er verlossing mogelijk geweest uit den staat des doods, waarin wij van nature allen liggen. De dood had in zijn verderving kracht behouden om de uitverkorenen met al Adams nakomelingen in zijn macht te binden. Maar zoomin Christus van den dood gehouden kon worden, zoo min kan het volk Gods in den dood blijven. Het is des Vaders welbehagen om hun het Koninkrijk te geven. Het eeuwige leven is dat volk bereid van voor de grondlegging der wereld. Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat de verkorenen Gods in den dood gehouden worden? Wie zal Gods eeuwigen Raad veranderen? Doch opdat het welbehagen des Heeren door de hand van Christus gelukkiglijk zal voortgaan, en gedurig voortging, was het noodig dat Christus uit den dood verrees. Hij heeft het dan ook Zelf betuigt, dat Hij macht had Zijn leven af te leggen, maar ook om het weder aan te nemen.

Jona was een schaduw daarvan, dat de Zoon des Menschen, slechts drie dagen zijn zou in den schoot der aarde. Simson nam de poorten van Gaza, in welke stad hem de dood dreigde, weg, en zoo heeft ook Christus de poorten des doods ontbonden. Alleen door Hem zal Zijn volk uit de graven uitgaan en de dood verwinnen, eeuwig en altoos. In Christus zijn ze meer dan overwinnaars. Die opstanding van Christus is de bron van alle leven. Uit die optstanding vloeit alle heil de Kerk toe, gelijk de Apostel Paulus dat beschrijft 1 Cor. 15: “Indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs; zoo zijt gij nog in uwe zonden. Zoo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn.”

De opwekking uit het graf der zonde, de doorgang door den dood zonder dat deze beschadigt, ja het eeuwige leven hangt aan de opstanding van Christus. Die opstanding van Christus is dus van de grootste waardij en beteekenis.

Reeds onder den ouden dag was die opstanding van Christus geprofeteerd. Het is door Christus Zelf gepredikt en verkondigd.

In de opstanding uit de dooden is overwinning van Christus over satan, wereld en zonde, uitgeroepen.

De wachters die het graf bewaken moesten zijn gevlucht naar de stad, en de vrouwen zoowel als de discipelen hebben hem verheerlijkt aanschouwd.

De Vader heeft Zijn Zoon opgewekt. De Vader zond een engel van den hemel om de steen van de deur des grafs af te wentelen, en den weg te openen voor den Borg des Verbonds om vrij het graf uit te gaan.

In Joh. 17 had de Heere Jezus het reeds betuigd: “Vader Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.” Tot den laatsten druppel heeft Hij den beker van Gods toorn en gramschap uitgezogen; ja tot den laatsten penning betaalt de schuld Zijns volks, en alzoo voldaan aan het recht Zijns Vaders. In dat volle bewustzijn heeft de Heere Jezus dan ook stervende aan het kruis uitgeroepen: “Het is volbracht!” In de opstanding uit den dood ligt de uitspraak van den Rechter, en de kwitantie dat al de schuld verzoend is. Niet alleen moest Christus verklaren dat Hij voldaan had, doch God de Vader hand-haafde de geschonden gerechtigheid Gods, God Zelf moest die vrijspraak geven. Wij hebben tegen God gezondigd en wij krijgen in ons leven, wanneer wij tot dat uitverkoren volk behooren, met God te doen als Rechter. Op grond nu van de volkomene genoegdoening van den Heere Jezus, is Hij in Zijn opstanding gerechtvaardigd gelijk onder den ouden dag Jozua den Hooge-priester in Zach. 3. In Christus zijn de gegevenen des Vaders dan ook gerechtvaardigd, en op grond van de rechtvaardiging in Christus wordt dat volk gerechtvaardigd door het geloof. Zoo schreef Paulus er ook van in Rom. 4:25: “Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.”

Daar ligt nu de grondslag der zaligheid. Neen Gods volk wordt niet binnengesmokkeld, maar wordt door recht verlost. Gods volk gaat in Christus vrij uit. O, welgelukzalig dat volk dat op dien grond vrijspraak ontvangt van schuld en straf en een recht ten eeuwigen leven.

In ons is geen grond om voor God te bestaan. Neen, dan moet God ons veroordeelen en verdoemen, maar in Christus voor God rechtvaardig. Onze werken worden niet vol voor God gevonden. Wij moeten met onszelf en met alles wat van ons is, voor eeuwig omkomen. Alle gemoedelijkheid, bevinding, gestalten en ervaringen, vallen als grond weg. Neen niets telt er in de weegschaal van het Goddelijk heiligdom, ‘t Is alleen, door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.

Een van de Erskine’s ging sterven met den uitroep: “Overwonnen, door het bloed des Lams.” Er is geen ander fondament dan hetgeen gelegd is, n.l. Christus Jezus.

Vrijwillig gaf Hij Zich in den eeuwigen Vre-deraad, nadat de Vader Hem als zoodanig had verkoren. Vrijwillig gaf Hij Zich in den tijd. Vrijwillig legde Hij Zijn leven af, en kocht Zijn volk met Zijn dierbaar bloed.

Zijn gerechtigheid was volmaakt en volkomen. Daar nam de Vader het volle genoegen in. O, Die Leeuw uit Juda’s stam heeft overwonnen. Hij heeft satans kop vermorzeld, en de dood verslonden tot eeuwige overwinning. O, wat een ruimte voor een verloren zondaar om zalig te worden; zalig worden met behoud en verheerlijking van Gods lieve recht en deugden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1949

The Banner of Truth | 16 Pagina's

EEN APOSTOLISCHE OPWEKKING

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1949

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken