Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BILEAM’S WENSCH TOT ONTDEKKING — EN TOT BEVESTIGING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BILEAM’S WENSCH TOT ONTDEKKING — EN TOT BEVESTIGING

8 minuten leestijd

“Mijn ziel sterve de dood des oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne.” — Numeri 23:10b.

III.

Het is alsof de mensch maar gelijk is aan een beest; en zelfs de dood vervult niet meer met schrik en vreeze. Geen gedachten meer over de eeuwigheid. Neen, ik overdrijf niet, doch het is de ontzettende werkelijkheid. Wanneer wij maar eerlijk en oprecht zijn dan zullen wij het niet tegenspreken, maar zeggen: Het is de waarheid. Waar gaat het toch heen? En wat zal het einde toch zijn? Wij hebben heus ons hoofd niet buiten de deur te steken. Het is veel verder weg dan wij nog beseffen.

Bileam riep nog uit: “Mijn ziel sterve de dood des oprechten en mijn uiterste zij gelijk het zijne,” doch waar wordt dit in de gemeenten en in onze huisgezinnen nog gehoord? Wij weten niet wat er soms in het verborgene kan plaats hebben, maar wij zien de openbaring van het leven, en dat is allerbedroevendst. Het is een roepen om brood en spelen, maar geen zuchten om bekeering en geen roepen: “Zone Davids, ontferm U mijner!” Er was bij Bileam nog een consciëntieovertuiging van de rechtvaardigheid en de gerechtigheid Gods; van de scheiding, die eenmaal vallen zal en van het oordeel, dat voltrokken zal worden in het eind der dagen. Bileam heeft er iets van gevoeld, wat de oprechten hebben te wachten, en wat het deel zal zijn van al degenen, die niet tot Israël behooren.

Maar och, hoevelen zijn er onder ons, die het geheel en al koud laat. Wat is er onder de ouderen een zorgeloosheid. Sommigen hebben hun geheele leven onder de zuivere bediening van het Woord gezeten, zoo vele roepstemmen gehad, maar het raakt hun niet. Velen zijn inderdaad dood voor de dood. En als we dan letten op het opkomend geslacht, dan moet vreeze en droefheid ons hart wel vervullen. Wij moeten wel eens zeggen: Och, arme kinderen, hebt gij dan nooit een gedachte meer over het geluk van Gods volk en over uw eigen ongeluk? Nooit een gedachte over de dood en over de eeuwigheid? Grijpt het u dan nooit eens aan, wat het zal zijn om straks eeuwig Gods toorn te moeten dragen en voor altijd van God gescheiden te zullen zijn? Inderdaad, de consciënties gaan hoe langer hoe meer dicht, en de waarheid Gods stuit er op af als op harde rotsen. God mocht nog verandering geven en Zijn heilige arm ontbloten. Dat is de eenige hoop nog dat God nog opstaan kan en Zijn Geest nog kan uitstorten tot levendmaking en tot overtuiging. Dan zou er een roepen uit de diepte van ellende geboren worden, en een schreeuwen om genade door recht. Dan zou de hoofdzaak van ons leven worden: “Hoe kom ik met God in vrede? Hoe zal mijn arme ziel gered worden van het eeuwig verderf?” Dan zou de vraag naar voren komen: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel alle tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebben, is er nog een middel om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?

Doch dat is dan ook een andere bekommering dan die er was in het hart van Bileam.

Immers bij Bileam ging het alleen maar om met dat volk te sterven, maar hij had geen behoefte om met dat volk te leven. Bileam heeft wel veel gezien en veel uitgedrukt, maar het ging alles buiten hem om. Het heeft nooit zijn hart geraakt. De waarheid heeft nooit kracht op zijn ziel gedaan tot waarachtige bekeering. Hij was een vijand van God, en ook van Zijn volk, en hij is het gebleven. Hij heeft nooit met de zonde gebroken en daar ook nooit de minste behoefte aan gehad. Het geld was zijn god, en dat stomme geld heeft altijd zijn hart gehad. Hij wilde wel gelukkig zijn wanneer hij ging sterven, maar in zijn leven heeft hij nimmer betrekking op God gehad.

Wij kunnen hem op één lijn stellen met Simon de toovenaar uit Handelingen 8. Hij was een hater van God en van Zijn volk. Hij was wel verlicht, maar niet vernieuwd. En dat hij ten eenenmale een vreemdeling was van God en buiten het waarachtige leven stond, heeft hij openlijk bekend toen hij profeteerde aangaande de komende Christus. Hij heeft zelf beleden dat hij in zijn leven nooit Christus zou zien, en dat hij Hem wel aanschouwen zou in de eeuwigheid, maar niet van nabij, zooals Gods kinderen dat voorrecht eeuwig zullen genieten. Zij zullen eeuwig met Hem vereenigd worden en Hem zien als hun Verlosser; maar Bileam zou Hem aanschouwen als zijn Rechter, tot zijn eeuwige verdoemenis.

En ook daarin is openbaar geworden wat een bittere vijand hij van God en Zijn volk was, dat hij in het eind het volk des verbonds nog verleid heeft tot de afgodendienst. Bileam was de oorzaak dat Gods toorn ontbrandde tegen het volk, en een plaag, een plotselinge ziekte onder hen uitbrak, waardoor er 24.000 van dat volk stierven. God heeft ook in de verdelging der Midianieten Bileam onder het oordeel weggenomen.

Hij is met het zwaard gedood en zijn einde is niet geweest met de oprechten, maar met de werkers der ongerechtigheid.

O, wat is toch de mensch, en wat is het oordeel Gods rechtvaardig, ook over al degenen, die moedwillig zondigen, en hier in dit leven hun consciëntie met een brandijzer toeschroeien; die overal overheen leven en openlijk partij tegen God kiezen. Er staat duidelijk van Bileam geschreven, dat de Geest Gods op hem was. Zijn oogen waren geopend. Hij sprak als de hoorder van de redenen Gods, die het gezicht des Almachtigen zag; die verrukt was, en wie de oogen ontdekt waren. O, het is om er voor te beven en te sidderen, wanneer gij het leest in de waarheid. Dan moet de mensch wel eens zeggen: O God, hoe ver, hoe ver kan het toch gaan onder de algemeene verlichting! Wat kan er toch uitgedrukt worden, zonder dat er ooit wat van in het hart is ingedrukt.

Voorwaar, die wensch van Bileam is ons nagelaten in de Heilige Schrift tot ontdekking. Neen, het staat daar niet geschreven om er maar overheen te leven, maar om eens stil te staan en om er mee tot onszelf in te keeren. Het is maar een droevig teeken, wanneer het ons niet raakt, wanneer wij onszelf er boven verheffen en zoo koud en hard en ongeloovig kunnen zeggen: Neen, ik ben geen Bileam. Immers, in het leven van die man kwam openbaar in wat een afgrond de mensch gevallen is toen hij tegen God de zijde van de duivel heeft gekozen.

De diepte van de val kwam bij Bileam openbaar, en wat de mensch is wanneer God hem overgeeft aan zichzelf. Het zal alleen door de souvereine, wederbarende, hartvernieuwende en bewarend genade Gods zijn, wanneer er bij ons iets anders tot openbaring mag komen dan bij Bileam. Allen, die ontdekt zijn aan de breuk en aan de plaag van hun hart, zullen wel zeggen: Het is alleen genade wat ons onderscheidt. Het zal hun ziel diep verootmoedigen, maar ook bij den voortduur aan de hemel verbinden met de bede: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg,” Psalm 139:23-24.

Maar ook anderzijds, die wensch van Bileam is ons nagelaten tot bevestiging van Gods werk in de harten van degenen, die oprecht door God en voor God gemaakt zijn.

In de tijd van Gods welbehagen worden Gods uitverkorenen van dood levend gemaakt. Zij worden door Gods Geest zaligmakend overtuigd. God neemt in de wedergeboorte het steenen hart weg en zij krijgen een vleeschen hart. God geeft Zijn Geest in het binnenste van hen, en die Geest schrijft de weg in hun hart, en maakt ook, dat zij in Gods wegen zullen wandelen. Zij worden bedeeld met een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid. Zij krijgen zichzelf vanwege hun zonde te mishagen voor God, en bekennen hun zonde met heete tranen voor het aangezicht des Heeren. De liefde Gods wordt in hun harten uitgestort en zij krijgen betrekking om God te vreezen, te dienen en te beminnen, al was er geen hemel tot belooning en geen hel tot straf, doch zij gevoelen het toch in het diepst van hun ziel, dat God het waardig is om Zijns Zelfs wil gediend en gevreesd te worden.

Grand Rapids.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

The Banner of Truth | 16 Pagina's

BILEAM’S WENSCH TOT ONTDEKKING — EN TOT BEVESTIGING

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken