Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

CATECHISMUS LEERBOEK VAN DE ORDE DES HEILS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

CATECHISMUS LEERBOEK VAN DE ORDE DES HEILS

8 minuten leestijd

Zondag 23.

Hier stelt de catechismus ons voor de vraag: Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft? En terecht, want het geloof zonder bate is gelijk aan een boom zonder vrucht, die als het zo blijft, uitgehouwen wordt. En dan is hij voor het vuur bestemd.

Het is de bate des geloofs, dat het hart des te inniger aan de Heere verbindt, om voor Hem te leven. Want die vrucht is uit Hem, om te staan tot Zijn lof in het geloof, dat de wereld overwint. Maar desniettemin zijn en blijven wij in onszelf een onvruchtbare boom. Zodat het hart omtrent de bate des geloofs afhankelijk blijft van de bedauwing van de Geest. Met de ootmoedige erkentelijkheid des geloofs, zegt het hart tot eer van de Heere: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwige levens. En dat is dan in die innerlijke beleving, naar het getuigenis van dit woord: „Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.” En hij spreekt dezulken zalig met dit woord: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, die Mijn woord hoort en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.”

Maar als vanzelf worden wij hier nu dieper geleid in de beleving van het rechtvaardig zijn voor God in Christus. En dat kan alleen door een oprecht of echt geloof in Hem. Want Hij is het voorwerp des geloofs, de roem van het geloof, als geschenk van Gods genade.

Het is dus niet de vraag of u een gunstige gedachte hebt van uzelf. En al gelooft u kind des Heeren te zijn, en grond meent te hebben voor de eeuwigheid, dan zal ons dat niet baten. Want de zaligheid is in Christus, daar Hij daartoe geschonken is door de Vader. Het heeft helaas menigmaal plaats op de erve des Verbonds, dat men met aangename gemoedsgestalten het goede gaat geloven van zichzelf, zonder het te beseffen dat we daarmee niet rechtvaardig kunnen zijn voor God. Het is een droggrond voor de eeuwigheid. En dat blijkt ons duidelijk uit het antwoord op de vraag: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Hier wordt heel duidelijk gesproken van een mens in zijn staan voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid en heiligheid En dat met een innige betrekking op Gods zoete gunst en zalige gemeenschap. Terwijl het staan voor Gods rechtvaardigheid is een staan voor de diepe afgrond van ongerechtigheid, een kloof die door ons niet geheeld kan worden.

Het hart dat Gods wet liefheeft, wordt door de consciëntie beklaagd, dat het tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd heeft. Wat van ganser harte wordt bekend en beweend. Want daar is zwaar en menigmaal gezondigd tegen Gods goedertierenheid, die ons omringde met vele zegeningen en opriep tot bekering. En door er niet op te letten, was het een voortleven in de zorgeloosheid des harten tot verharding. Een voortlcven in de ongerechtigheid.

Ja, daar is tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen derzelve werd gehouden en dan nog steeds tot alle boos? heid geneigd Zodat ik als een onverbetelijkc zondaar de eeuwige rampzaligheid verdiend heb. Daar is niet iets overgebleven in de mens, waarop hij kan hopen. Heeft dan ook geen steunpunt van vertrouwen in zichzelf. En zie, bij het ootmoedig buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid, met de hartelijke bekentenis de eeuwige dood verdiend te hebben, schenkt de Heere ruimte in Zijn goedertierenheid, waaruit het Goddelijke vcrlossingsplan is voortgekomen. Wat de tollenaar deed blikken in de rijkdom van Gods genade en de moordenaar deed hopen op het spreken van Gods reddende liefde in Christus. Wat de eerste deed bidden met de bekentenis de eeuwige dood verdiend te hebben. „0 God, wees mij zondaar genadig.” En de tweede bad met een ootmoedig buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid: „Heere, gedenk mijner ais Ge in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.” En Jezus zeide tot hem: „Voorwaar zeg Ik u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.”

Wat met vele andere voorbeelden van innerlijke beleving uit de Schrift ons geleerd wordt, hoe dierbaar het is, als een gans verloren mens door de genade van de Heere Jezus gezaligd te mogen worden.

In dat verband wordt hier gesproken van het nochtans des geloofs, dat alle waardigheid en verdienstelijkheid van de mens uitsluit. Habakuk mocht het oordeel der verwoesting aanvaarden, daar Israël het vanwege zijn ongerechtigheid waardig was. Maar daarmee kon de vijand zijn vertrouwen op de Heere niet teniet doen. Hij mocht tot roem van de genade des Heeren, zijn smader antwoorden: „Zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God mijns heils.” Want de Heere was zijn sterkte. En zo is het altijd op de geestelijke leerschool des geloofs door de Geest des Heeren geleerd. Het doet niet ter zake al hebben wij de Heere niets aan te bieden, het is door Zijn heil dat alle wonden geheeld worden, want de Zone Gods heeft dat voor Zijn rekening genomen. In Zijn gerechtigheid is het eeuwige leven, en dat om Zijn naams wil.

Uit louter genade schenkt de Heere de volkomen genoegdoening tot verzoening. Want Gods rechtvaardigheid schittert door alles heen. De gerechtigheid en heiligheid van Christus wordt niet alleen geschonken, doch ook toegerekend, want de Middelaar heeft dat plaatsbekledend verworven. „Want daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus.” En daarin is de vrede, die alle verstand te boven gaat.

En deze borgtochtelijke toerekening is wel zo volkomen, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik ook al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.

Maar al is die offerande der gehoorzaamheid in schenking en toerekening voor al Gods kinderen volkomen, zo is er toch nog verscheidenheid in de beleving. Wat u niet aantreft bij hen, die leven bij en genoeg hebben aan beschouwing. Want dezulken kennen niet het verschil tussen een historisch en zaligmakend geloof. Het eerste spreekt wel van de liefde Gods in Christus, maar het tweede beleeft die liefde. In de Schrift gaat het om het geloof dat door de liefde werkt, daar dc lief’ de Gods daartoe is uitgestort in het hart. En dat wordt gemist bij hen, die aan de wedergeboorte voorbij gegaan zijn, zodat het innerlijke leven van de levendmakmg door alles heen gemist wordt. De droefheid naar God die de waarachtige bekering werkt tot zaligheid, is deze mensen uit de aard der zaak vreemd. Zij kennen dan ook niet de standen van het geestelijke leven, daar zij in eens groot zijn geworden in het geloof. Zodat het innige leven van de liefde in het gaan op de weg van heiligmaking bij hen gemist wordt.

Maar bij degenen, die de standen kennen van het geestelijke leven uit de orde des heils, is het een opwassen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus tot zaligheid. En in die harten is en blijft een innig verlangen, Christus met een gelovig hart door de onderwijzingen van de Heilige Geest, met steeds meer klaarheid als geschenk van de Vader, aan te mogen nemen. Om zo steeds meer klaarheid te mogen krijgen in de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus Want daarin heeft de Heere het ootmoedig gaan op de weg van heiligmaking ten doel.

Maar hier gaat het niet om de waardigheid van het geloof, doch wel om de waarde van het geloof, door niet te blijven staan in de eerste beginselen van het genadeleven, om daarin opgebouwd te worden. Wat ons tot roem van Gods genade in Christus is geschonken, wil de Heere ons deelachtig maken door het geloof. Waartoe het zitten aan Zijn voeten ons wordt aangeprezen, om dat biddende te zoeken. Wij moeten daarin van de HeeTe geleerd worden, naar Zijn beloften. Maar daartoe hebben wij het Schriftuurlijk en geestelijk kennen van onze diepe val in Adam nodig, opdat de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus ons dierbaar en noodzakelijk zou worden. Want dat alleen kan onze gerechtigheid voor God zijn. En dat, daar het nieuwe leven der genade op grond van recht en gerechtigheid zoekt gezaligd te worden. Wat alleen door dc genade des geloofs aangenomen en toegeëigend kan worden. Opdat het zou worden in ons hart:"Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.” Opdat het zij gelijk geschreven is: „Die roemt, roeme in de Heere.”

Soest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 9 June 1977

Bewaar het pand | 6 Pagina's

CATECHISMUS LEERBOEK VAN DE ORDE DES HEILS

Bekijk de hele uitgave van Thursday 9 June 1977

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken