Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt

8 minuten leestijd

Matth. 7 : 1-6

Het is de Heere, Die door de Vader is gezalfd om te oordelen. En dat, daar Hij uit souvereine liefde tot het recht Zijns Gods, het oordeel der ongerechtigheid voor Zijn rekening heeft genomen. Waarom Hij aan het vloekhout des kruises met al de liefde van Zijn hart boog voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid. Zodat in het gaan met Zijn offerande tot de Vader, het ontmoeten was van de goedertierenheid en de waarheid, en een kussen van de gerechtigheid en de vrede. Opdat de zondaar, die in de liefde van zijn hart tot Gods rechtvaardig oordeel, op grond van recht en gerechtigheid zou vrijgesproken worden tot het verkrijgen van het recht ten eeuwige leven. En op grond daarvan is het oordelen in de hand des Heeren. Het is dan ook een schenden van Zijn goddelijke majesteit, wanneer wij ons het recht aanmatigen, om over een ander te oordelen. En toch is er een grote geneigdheid in de mens om over anderen te oordelen, waarvan de oorzaak is in de wortel van onze eigen-gerechtigheid. Daar wij door het verbreken van het verbond der werken, in onze gerechtigheid nog zoeken te komen tot de trotse zelfverheffing, van beter te zijn dan anderen.

En al is het waar dat de mens door de kracht van de algemene genade zijn leven nog kan versieren met deugd en plicht, dan heeft dat niet de minste rechtsgrond, om zich daarop te verheffen. Want vanwege de wortel der ongerechtigheid is vernieling en ellende in zijn wegen. En als dat niet ten volle wordt uitgeleefd, dan is dat door de inbindende kracht van Gods algemene genade. Maar door alles heen zoekt de mens zich toch weer met de vijandschap van zijn eigen gerechtigheid te verheffen, en dat met wat wettische vroomheid.

Waarschuwend zegt de Heere Jezus, daar Hij ons hart en leven kent: ”Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt”. Het is een roepstem, die wij biddende hebben ter harte te nemen. Want wij zijn niet in staat die verderfelijke wortel van eigengerechtigheid uit te roeien. Maar Hij spreekt alzo tot ons, daar het kwaad van die wortel door Hem onderdrukt kan worden in diepe zelfverfoeiing. Hij zegt dat niet tot ons, opdat wij onze toevlucht zouden nemen tot eigen kracht en sterkte. Want dan gaat het van kwaad tot erger.

Hier wordt het oordeel des doods over de wortel van eigengerechtigheid door de Heere Jezus uitgesproken. Opdat wij dat door Zijn genade van harte zouden overnemen. Want onze eigengerechtigheid werkt niet weinig de ongerechtigheid in de hand. De Heere Jezus wijst hier op de splinter in het oog van onze broeder, die gezien wordt in het oog van zijn levensopenbaring. Ja, aan onze medebroeders is wel wat aan te wijzen, dat niet is naar de reinheid van Gods heiligdom. En toch gaan we met hem naar een en dezelfde kerk. En staan we bij de Doop voor Gods aangezicht en is het mogelijk te zitten aan de tafel des Verbonds. Zodat de onderhouding van de gemeenschap der heiligen er door geschonden wordt, of niet aanwezig is. En wie daar overheen werkt, eet en drinkt zichzelf een oordeel. Want die splinter is blijven zitten, daar de man die over die verschrikkelijke splinter sprak, die splinter niet kan aanwijzen. De balk, die hij had in zijn oog, zag hij niet, zodat hij alleen maar het oordeel over die splinter kon uitroepen en meer niet. En toch werd het geschreeuw van de man, die een balk had in zijn oog geloofd. En mocht dat al niet zo erg zijn, als dat gezegd werd, maar daar zou toch wel iets van waar zijn. Het is zelfs wel mogelijk, dat die balk voor een ander onzichtbaar was. Het kan best een verborgen kwaad geweest zijn, waarvan de Heere Jezus hier spreekt. Want zulke schreeuwers schreeuwen gewoonlijk niet zo hard, als die balk een openbare zonde zou gelden. En daarop schijnt de Heere Jezus wel te wijzen als Hij zegt: ”Gij geveinsde, werp eerst de balk uit uw eigen oog en dan zult gij bezien om de splinter uit uws broeders oog te doen”. En als dat niet gedaan wordt, dan is het huichelen. De man wilde met zijn kwaad niet breken en zijn schuld niet belijden. Zodat hij ook niet in staat was de splinter uit het oog van zijn broeder te verwijderen. En dat is dan als vanzelf een oorzaak van verwijdering op de erve des verbonds. Waarop de Heere Jezus doelt als Hij zegt: ”Geeft het heilige de honden niet en werp uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden en zich omkerende u verscheuren”.

Het staat dus vast, dat de man een balk van ongerechtigheid heeft in zijn levensoog. En daar moet tucht op uitgeoefend worden. Want het zijn broeders op de erve des verbonds. En als dat niet plaats heeft, door er over heen te werken, dan komt het ongenoegen des Heeren er op te rusten.

”Heilig is eigenlijk hetgeen van het algemeen gebruik afgezonderd is en wordt daardoor hier verstaan de prediking van het Evangelie, of de vermaningen en vertroostingen uit Gods Woord, alsook de bediening der heilige sacramenten, die vanwege hun waardigheid hier ook paarlen genoemd worden en die men de hardnekkige en moedwillige spotters, die bij honden en zwijnen vergeleken worden, niet moet voorhouden”, zie kanttekening.

Waaruit ons duidelijk blijkt, dat het heel erg is daar persoonlijk, kerkelijk en ambtelijk over heen te werken. Want de Heere wil niet, dat wij elkander voor de zonde over hebben. Het breken met de zonden en het haten van de zonden is toch het eerste, dat Hij door de dierbare werkingen van Zijn Geest komt te werken. Zodat het leven der genade de zonden komt te haten en te bewenen voor het aangezicht des Heeren. Het krijgt door de onderwijzingen van de Geest des Heeren en Zijn dierbaar middelaarsbloed de verzoening met God te zoeken. En het smaken van Zijn vergevende liefde leert het hart biddende strijden tegen zonde, Satan en ongeloof. Daar het kinderlijk leven in de vreze des Heeren het hart, dierbaar en onmisbaar is geworden. En het gaat in de bediening van het Woord en in het gebruik van de heilige sacramenten, om de onderhouding van de gemeenschap der heiligen. Wat onderscheiden is van het geloven uit de aard der liefde, want dat is afkomstig van de veronderstelde wedergeboorte. Waarin de gemeenschap der heiligen gemist wordt. Want dat is een ontmoeten van elkaar in de beleving van het geloof, dat door de liefde werkt. Om de Heere daarin groot te maken, daar het door Hem werd geschonken en gewerkt in het hart, en dat blijft bewaard voor de eeuwigheid. Want al zitten we met Gods kinderen aan de tafel des verbonds, dan zijn we daarom dat kinderlijke leven nog niet deelachtig. Want de gemeenschap der heiligen wortelt in de wedergeboorte. En dat kan niet gelden voor degenen, die van elders zijn ipgeklommen. Maar die wedergeboren zijn zoeken met steeds meer ernst de vernieuwing des harten, om met de innerlijke tederheid der liefde de Heere aan te kleven, om met Zijn volk van hart tot hart te mogen spreken en te leren leven, tot eer van de Heere.

Maar zijn we in een bepaalde zonde gevallen, dan kan daarin Gods zoete gunst en zalige gemeenschap niet gesmaakt worden tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen. Wat de oprechten doet zuchten tot de Heere vanuit net nieuwe leven der genade, dat niet zondigt, daar het uit God geboren is. Om in de weg van de waarachtige bekering, de droefheid naar God en over de zonden, weer gesteld te mogen worden in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht.

Maar ach, heeft dat niet plaats, door over de zonden heen te werken, als van kwaad tot erger, dan zullen we niet voorspoedig zijn. Want de Heere heeft u niet voor de zonde over. Laat dan dit zijn de bede van het hart: ”Reinig mij van de verborgen afdwalingen. Houd uw knecht ook terug van trotsheden, laat die niet over mij heersen, dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1980

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1980

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken