Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zondagsheiliging: gebod of traditie? 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zondagsheiliging: gebod of traditie? 2.

7 minuten leestijd

In zijn uitleg van het sabbatsgebod wekt ds. M.R. van den Berg de indruk dat het hierbij gaat om een louter Israëlitsche aangelegenheid en bovendien van tijdelijke aard. Alleen voor het volk Israël gold de verplichting van het houden van een wekelijkse rustdag. „De sabbat is dus het teken van het verbond dat Jahweh met Israël oprichtte bij de Sinaï. De sabbat is kenmerkend voor het Sinaïver- bond. Aan het onderhouden van die sabbat werd zichtbaar gemaakt voor de buitenwereld, de heidenen, dat Israël een verbond met Jahweh had”. P. 42. In Egypte zou Israël de sabbat als rustdag niet gekend hebben. „Daar hadden ze alle zeven dagen van de week harde slavenarbeid moeten verrichten. Het was voor hen dus iets volkomen nieuws”. Ik ben van mening dat deze uitspraak niet te staven is met Bijbelse gegevens. We moeten eens op twee dingen letten.

1e) Voordat God het Sinaï-verbond oprichtte met Israël heeft Hij Israël bevolen de rust, de heilige sabbat des HEEREN te houden. „Alzo rustte het volk op de zevende dag”. Ex. 16 : 23, 30. Pas in Ex. 19 e.v. wordt van de oprichting van het Sinaï-verbond melding gemaakt.

2e) Al in Gen. 2 : 3 lezen wij van de zevende dag dat God die heeft gezegend en geheiligd, n.1. na het beëindigen van Zijn scheppingswerk, Gen. 2 : 2. Dr. G. Ch. Aalders is van mening dat in Gen. 2 : 3 gedoeld wordt op de menselijke rustdag, die God gezegend en geheiligd heeft. „Evenals in de motivering van het vierde gebod (Ex. 20 : 11) de viering van de Sabbat in het nauwste verband gebracht wordt met de schepping van de wereld in zes dagen en het rusten van God op de zevende dag, zo wordt ook hier gezegd dat God de zevende dag voor ons mensen heeft gezegend en geheiligd, omdat Hijlzelf) op de zevende dag gerust heeft van Zijn scheppingswerk”. God zegende die dag, d.w.z. God maakte voor hen de wekelijkse rustdag tot een zegèn. God heiligde die dag, d.w.z. zonderde die van het gewone en alledaagse leven af, om hem een aparte bestemming te geven, een bestemming waardoor hij een „heilig” karakter verkrijgt, met God en Zijn dienst in bijzonder rapport wordt gebracht. Terecht legt dr. G. Ch. Aalders een verband tussen Ex. 20 : 10,11 en Gen. 2: 2, 3. In Ex. 20:11 keren de woorden van Gen. 2 : 2, 3 terug: God rustte ten zevende dage, daarom zegende de HEERE de sabbatdag en heiligde die. Deze sabbatdag die God op de eerste dag gezegend en geheiligd heeft, werd Israël a.n.w. bij de oprichting van het Sinaï-verbond opnieuw ingescherpt.

Daarbij is het m.i. niet het belangrijkste onszelf af te vragen of Israël in Egypte de sabbat heeft gehouden. Of: hebben Abraham, Izaäk en Jakob wel een sabbat gehouden? In de allereerste plaats moet ons duidelijk zijn dat God reeds in het paradijs, vóór de val en niet pas bij de Sinaï de sabbat heeft ingesteld. Waarom dit gegeven uit Gen. 2 : 3 zo sterk benadrukt? De Kwestie van de datering van de oorsprong van het sabbatsgebod heeft n.1. verstrekkende konsekwenties voor onze huidige instelling t.a.v. de wekelijkse rustdag.

Als het waar is dat de sabbat een louter Israëlitische aangelegenheid is en bovendien van voorbijgaande aard, dan zijn wij als niet-Israëlieten, christenen uit de heidenen, ook niet verplicht een wekelijkse rustdag te houden.

Geheel anders komt de zaak te liggen wanneer vastgesteld moet worden dat God met het heiligen en zegenen van de sabbat in het paradijs Adam en in hem het gehele menselijke geslacht op het oog gehad heeft. Deze opvatting van de universaliteit (algemeenheid) van het sabbatsgebod is eigenlijk eeuwenlang de heersende geweest in de christelijke reformatorische kerken. Vooral Calvijn heeft de universaliteit van dit gebod onderstreept. In zijn kommentaar op Gen. 2 : 3 schrijft hij: „Eerst heeft dus God gerust, vervolgens heeft Hij die rust(dag) gezegend, opdat ze door alle eeuwen onder de mensen heilig zou zijn of liever: elke zevende dag heeft Hij aan die rust gewijd, opdat Zijn voorbeeld eeuwigdurende regel zou zijn”.

In Ex. 20:11 wordt Israël bevolen deze sabbat, die God dus in het oaradijs instelde, te gedenken. Waarom? Omdat God Zelf op die dag gerust heeft, na zes dagen scheppingswerk verricht te hebben. God heeft gerust op de zevende dag om Zich te verlustigen in de werken Zijner handen. We lezen in Gen. 1 : 31: „En God zag al wat Hij gemaakt had en ziet het was zeer goed. God heeft in Zijn rust niet alleen Israël, maar ook alle mensen een voorbeeld gegeven.

Het sabbatsgebod, gemotiveerd door Gods voorbeeld, is dus universeel en eeuwigdurend. M.a.w. de nieuwtestamentische Kerk heeft met deze scheppingsordening van God wel degelijk te maken, ja, ieder mens als schepsel Gods, in Adam begrepen.

Ook moderne oud-testamentici als W. Rordorf (in het Bijbels, historisch woordenboek onder „sabbat”) erkennen de universalistische strekking van Gen. 2 : 3. Zij het dat men deze strekning verklaarde als een onderdeel van de priesterlijke theologie die zich vóór, tijdens en ná de Babylonische ballingschap ontwikkelde. Gen. 2 : 3 is dan ook volgens hen niet door Mozes geschreven maar van priesterlijke hand. Gen. 2:3 is huns inziens de afsluiting en het hoogtepunt van een z.g.n. scheppings-liturgie, die uitloopt op de verheerlijking van de sabbat die voor de gedeporteerde Israëlitische priesters in Ba- bel van zo groot belang was. W. Rordorf ziet een ontwikkeling in de geschiedenis van de Israëlitische sabbatsheiliging.

„Deze ontwikkeling bereikte haar hoogtepunt ná de Babylonische ballingschap toen net jodendom bestuurd werd door de priesterschap. De week van 7 dagen en daarmee de sabbat werden nu kortweg scheppings- en heilsordening”.

Hoewel wij ons niet verenigen met de theologische gedachtengang van Rordorf, erkennen wij mét hem de univeralistische strekking van Gen. 2 : 3 als scheppingsordening. Eenvoudiger gezegd: De rustdag is niet alleen voor Israël bedoeld als door God gezegende en geheiligde dag maar voor alle mensen in Adam vertegenwoordigd.

Ook dr. R. de Vaux erkent dat het schep- ingsverhaal de sabbat terugvoert tot het egm van de wereld (Hoe het oude Israël leefde, Utrecht 1978, p. 420).

Uit deze overwegingen kunnen wij zowel met Calvijn als de jongere o.t. wetenschap konkluderen dat de sabbat als rustdag niet alleen voor de Joden bestemd was, maar volgens het Bijbelse getuigenis voor alle mensen en voor alle tijden.

In het licht van bovengenoemde zaken vraagt men zich wel af of ds. M.R. van den Berg het geheel van de Schriftgegevens omtrent de Sabbat heeft laten spreken. Helaas geeft hij in zijn boekje zijn visie niet op de Scnriftplaatsen als Ex. 16: 23, 30 en Gen. 2 : 2, 3. Zou hij deze woorden hebben laten meespreken, dan zou hij wellicht ook tot een andere konklusie gekomen zijn. Hij schrijft: „Als het ooit zover komt dat de zondag geen algemene rustdag meer is (b.v. ten gevolge van de invoering van de glijdende werkweek behoeven wij niet te denken dat dan een gebod met de voeten getreden wordt. Want de vrije zondag is wel een geschénk van God evenals voor velen de vrije zaterdag, maar geen gebód van God”. Het zal duidelijk; zijn dat we deze konklusie beslist afwijzen en voor het kerkelijk leven als zeer schadelijk en verwarrend beschouwen. Een riskant avontuur. Zo zou de glijdende werkweek kunnen leiden tot een glijdende moraal.

Tenslotte citeer ik W. a Brakel die met het oog op het sabbatsgebod verzucht: „Dit is het gebod dat van velen tegengesproken wordt, tegen ’t welk men met dik verheven schilden aanloopt om het te bestormen, en was het in de macht van velen geweest, ’t was allang verworpen en vergeten geweest. Maar in spijt van allen, dien net leed is, het wordt nog alle sabbatten in de gemeente, als een regel des levens, gelijk alle de andere geboden voorgelezen”.

In een volgend artikel: de meningen van Voetius en Coccejus over het sabbatsgebod, of: er is niets nieuws onder de zon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Monday 6 June 1983

Bewaar het pand | 1 Pagina's

Zondagsheiliging: gebod of traditie? 2.

Bekijk de hele uitgave van Monday 6 June 1983

Bewaar het pand | 1 Pagina's

PDF Bekijken