Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ik bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden! 1.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ik bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden! 1.

9 minuten leestijd

Waarachtige bekering is bekering ... tot God! In Jeremia 4 : 1 lezen we: “Zo gij u bekeren zult, Israel, spreekt de Heere, bekeer u tot Mij!” Bekering betekent immers: omkering. Eerst van God af! Nu naar God toe!

En nu geschiedt de wederkering tot God voor alles in de weg van de belijdenis van zonden. En hierover wil ik vanmorgen dan enkele dingen zeggen. Ik ga dus niet spreken over het onderwerp “de bekering tot God”, maar over een bepaald facet van de bekering, over een wezenlijk bestanddeel van de bekering, namelijk de belijdenis van zonden.

Belijden, dat wil zeggen: ervoor uitkomen. Het is het tegendeel van bedekken, loochenen, ontkennen. Zijn zonde belijden wil dus zeggen, dat iemand van harte voor God de belijdenis aflegt van de door hem bedreven zonden.

In de Schrift wordt aan de belijdenis van zonde bijzonder grote betekenis gehecht. In Spreuken 23 : 13 lezen we: “die zijn overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat zal barmhartigheid verkrijgen.” Bij Jeremia zegt God tot Israël: “Alleenlijk, ken uw ongerechtigheid (3 : 13). In Johannes 1 : 9 zegt de apostel: ’Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.”

Als wij dus begeren dat God onze zonden bedekt, dan moeten wij wel toezien dat wij het zelf niet doen. Want dan doet God het ook niet.

En dan moet die belijdenis van zonde aan God Zelf worden afgelegd. Hij wil het Zelf uit onze mond horen: ’k bekend’ aan U, o Heer’, oprecht mijn zonden!

Faraö beleed zijn zonden aan Mozes en Judas aan de farizeeën. Hun geweten sprak, maar hun schuldbelijdenis kwam niet voort uit een door de liefde Gods verbroken hart en daarom kwamen ze er ook niet mee aan Gods voeten. Op hun belijdenis volgde dan ook geen vergeving. Want die volgt alleen op de belijdenis, die men voor Gods aangezicht aflegt.

Op de vraag wat wij aan God behoren te belijden, luidt het antwoord: onze zonden! Indien wij onze zonden belijden . . . Onze zonden. En dan leggen wij de nadruk op dat “onze”. Dus niet maar de onbestemde belijdenis: wij zijn allemaal zondaren! Nee, als wij oprecht zonde belijden voor God, dan wordt het zo heel persoonlijk: onze zonden, mijn zonden! Denk aan de tollenaar uit de gelijkenis: o God, weest mij, zondaar, genadig! Dan zijn het niet meer de anderen, maar dan ben ik de zondaar voor God: ik heb tegen U, o Heer’, zwaar en menigmaal misdreven.

Dan belijd ik mijn persoonlijke zonden. Alle zonden? Ja, althans daar ben ik dan wel van harte toe bereid. Ik verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden. Maar toch, helaas: wie is de man, die op ’t nauwkeurigst kan, zijn dwalingen doorgronden. O Bron van ’t hoogste goed; was, reinig mijn gemoed, van mijn verborgen zonden! Maar toch: ik verborg geen kwaad! En dan nog verder en nog dieper: ’t is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; neen, ’k ben in ongerechtigheid geboren; mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van uw toorn, reeds van het uur van mijn ontvangnis af.

En daarom: reinig Gij, o Heer’, die vuile bron van al mijn wanbedrijven! Was mij geheel! Komt geliefden, kunnen wij met ons hart meekomen in een belijdenis als die ik van iemand las: “O God, ofschoon U mij verzekerde, dat Uw geboden erop berekend waren, om mij zowel tijdelijk als eeuwig gelukkig te maken, heb ik Uw bedoelingen gewantrouwd, Uw wijsheid geloochend, en gewaand dat U met mijn belangen geen rekening hield. Ook heb ik niet geloofd, dat Gij mij vanwege mijn zonden straffen zoudt, hoewel Uw Woord het mij verzekerde, maar mijzelf wijsgemaakt, dat U dat alleen maar zei, om mij door vrees in toom te houden. Ik heb mij tegen U durven verzetten, ondanks Uw hoogheid, door de wil van mijn vlees in de plaats van Uw wil te stellen; aan mijn vlees onderwierp, tegen U verzette ik mij.

Mijn wederspannigheid tegen U kende geen andere grens dan de vrees. En zo liet ik U geen God; ik verlaagde U, als waart Gij een schepsel, en onder alle schepsel het minste. Als ik U nodig had, zocht ik U, met de onedele bedoeling om van U gebruik te maken tot mijn vleselijk welzijn en dan meende ik ook nog U daarmee een dienst te doen. Ik was in mijn hart dood voor U; in plaats van in U welbehagen te hebben, en Uw gemeenschap te begeren, vermaakte ik mij in mijzelf en in Uw schepselen. Ik steunde op mijn verstand en ik pronkte met mijn gaven, ik verliet mij op mijn deugden en mijn zonde telde ik niet; in alles bedoelde ik mijzelf. Zo was mijn aard; mijn hart deugde evenmin als mijn daad. Mocht ik soms tot mijzelf zeggen dat ik zo niet mocht zijn, toch was het mij onmogelijk om mijn aard af te leggen en zelfs kon ik mij niet van harte een andere aard toewensen, omdat het mij toescheen, dat ik onmogelijk gelukkig kon zijn, als ik aan U genoeg moest hebben.” Geliefden, voelen wij in zo’n schuldbelijdenis niet de klop van het verbroken hart. En allen, die de Heere leerden vrezen, zullen toch, bij alle onderscheid die er is, de elementen van zo’n belijdenis herkennen. Als tussen haakjes wil ik nog wel opmerken dat er van belijdenis van zonde geen sprake kan zijn, als er geen enkele hoop op genade in het hart zou zijn. Waarlijk zonde belijden is vrucht van geloof, is geloofswerk: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving ... De rechte belijder is in zijn belijdenis tegenover God eerlijk. De Heilige Geest, Die in alle waarheid leidt, maakt ons waar tegenover onszelf en ook tegenover God. Dan kunnen en willen we ons tegenover God niet meer overeind houden. Dan wordt het onze bede: “Heere, laat mij al mijn zonden zien, opdat ik ze voor U allen moge belijden!” En dan niet alleen omdat God toch alles wel weet, maar omdat ons eigen hart ons dringt om openhartig te worden tegenover God, om Hem al onze zonde te belijden.

Nee, de rechte belijder probeert zijn zonde bij God niet meer te verschonen: Wie onoprecht is wil zijn zonde zo lang mogelijk verbergen. Of hij werpt de schuld op de verleiding van de duivel of op de macht van de verzoeking, of (en dat misschien vooral) op eigen onmacht ten goede. Maar ten diepste zijn al deze verontschuldigingen beschuldigingen aan het adres van God en bedoeld om zichzelf te handhaven.

Trouwens, de satan zou geen enkele macht over ons hebben, als wij hem die macht niet zelf hadden verleend. En als wij vallen in de verzoeking komt dat doordat wij de verzoeking zelf opzochten of althans biddeloos de verzoeking ingingen. En onze onmacht is een schuldige onmacht. Wat Adam van ons maakte, zijn we niet tegen maar met onze wil. Daarom blijft er geen enkele verontschuldiging over.

Wie oprecht zijn zonde voor God belijdt, heeft een mishagen aan zichzelf gekregen. Niet maar een mishagen aan de zonde maar aan zichzelf, vanwege eigen zonde.

Als wij wel belijden gezondigd te hebben, maar even hoogmoedig, even prikkelbaar en onhandelbaar blijven als altijd, dan zijn we nog niet de rechte boetelingen. Als de prediking, dat wij in Gods oog in onszelf geen enkele heerlijkheid en geen enkel recht meer hebben en alleen maar verwerpelijk zijn voor Zijn aangezicht, als die prediking ons prikkelt en verzet bij ons oproept, als wij al maar voortgaan ons eigen vlees te sparen, nee, dan beseffen wij nog niet wat het betekent gezondigd te hebben tegen de allerhoogste Majesteit. De Heere eist het toch: alleenlijk, ken uw ongerechtigheid. Nog sterker: de Heere belooft het als een belofte van Zijn verbond: Ik zal maken (let op dat Ik!) dat zij een walg van zichzelf zullen hebben! De ware belijder belijdt zijn zonde voor Gods aangezicht dan ook met schaamte!

Er is ook een valse schaamte. Die brengt er ons toe om, zoals eens Adam, onze naaktheid voor God te bedekken. Maar de echte schaamte is een heilige verlegenheid, die ons met de tollenaar de ogen neer doet slaan. Hoe smartelijk de vernedering ook is, om het kleed der bedekking van onze zonde af te leggen en ons naakt voor God te stellen, de Heilige Geest leert het ons.

Hij brengt ons in het dal van verootmoediging. Immers: alleen wie zichzelf vernedert, wordt door God verhoogd. Trouwens: wij hebben toch geen eer meer, die wij tegenover God zouden kunnen ophouden, sinds wij Zijn heerlijkheid hebben verworpen? Eerloos staan wij van onszelf voor Hem.

Geliefden, zouden wij niet voor het eerst en bij vernieuwing biddend staan naar de schaamte, die in ons wordt verwekt als wij onszelf en onze zonden bezien in het licht van Gods heiligheid. Een schaamte, die zo levendig wordt, dat wij ze niet meer kunnen verdragen, en we begerig gaan uitzien naar de bedekking van onze schaamte met de mantel der gerechtigheid, door Christus geweven op Golgotha!

Als wij onze zonden voor de Heere recht belijden dan houdt dat in, dat wij God tegenover ons in het gelijk stellen: wij hebben God op ’t hoogst misdaan! ’k Wil mijn misdaân, die U tergen niet verbergen!

We belijden dan ook van harte dat wij strafwaardig zijn. We erkennen Gods recht om alles van ons te eisen, wat Zijn wet van ons eist. De zich tot God bekerende zondaar erkent niet alleen dat God recht heeft hem helemaal voor Zich op te eisen, maar ook dat God dat aan Zichzelf verplicht is. Kijk: iemand is volkomen vrij om zijn slaaf van de dienstplicht te ontslaan. Maar nooit kan een vader zijn kind ontheffen van de plicht om hem te eren en nooit kan een man zijn vrouw ontslaan van de plicht hem trouw te zijn. Hoe zou God dan iets minder van ons kunnen eisen dan wat Hem als God toekomt?

De ware boeteling stemt dan ook van harte toe, dat God, ondanks onze onmacht tot het goede, Zijn recht op ons moet handhaven.

Of de mens kan of niet, doet hier trouwens niet ter zake. God kan niet nalaten van hem te willen dat hij zal doen wat hij moet.

Het schepsel moge veranderen, God blijft Dezelfde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Ik bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden! 1.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken