Bekijk het origineel

Laus Deov 14.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deov 14.

Lessen uit Genève.

7 minuten leestijd

Gods heerli jkheid in de Schrift.

In deze wereld is Gods goedheid overal waarneembaar. Hij doet toch aan alle schepselen wel. Anderzijds maakt Hij Zich bekend als een rechtvaardig wreker van misdaden: Hij straft de hardnekkigen die Zijn verdraagzaamheid verachten.

In dezelfde deugden van goedheid en strengheid maakt God Zich ook bekend in de Heilige Schrift. Die openbaring in de Schrift is ten diepste geen andere dan die in het bouwwerk en bestuur van deze wereld.

In het kort vat Mozes: Ex. 34 : 6, Gods volmaakte eigenschappen als volgt samen: “HEERE HEERE, God, barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; Die de schuldige mens geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.”

Mozes noemt Hem tot tweemaal toe: HEERE d.i. Jahweh. Ik zal zijn. Die naam spreekt van Zijn eeuwig-zijn en onafhankelijk zijn.

Hij noemt Hem Elohim: en belijdt daarmee Zijn Goddelijke macht. Daarna noemt hij Zijn heerlijke deugden die Hem beschrijven zoals Hij Zich jegens ons gedraagt!

Een àndere profeet Jeremia, noemt Zijn weldadigheid recht en gerechtigheid, 9 : 24: Zijn weldadigheid waarop onze zaligheid rust. Zijn recht dat Hij dagelijks uitoefent tegen de kwaad-doeners. zijn gerechtigheid, waardoor Hij de gelovigen bewaart. Deze kennis van Gods heerlijke deugden vloeit niet voort uit louter verstandelijke bespiegelingen maar uit de ervaring van de gelovigen. Zoals zij God waarnemen in Zijn Goddelijk bestuur van deze wereld, zó nemen zij Hem waar in de Schrift en omgekeerd.

Bovendien dient de kennis van God, ontleend aan de Schrift, hetzelfde doel als de kennis van Gods grootheid in de wereld om ons heen: Zij nodigt ons ten eerste tot de vreze Gods en ten tweede tot een vertrouwen op Hem.

Geen gelijkenis maken

Over de beeldendienst.

De Schrift stelt de heerlijkheid van de levende God tegenoer de dwaasheid van de afgoderij. De Schrift is gekant tegen alle heidense afgodendienst. Habakuk zegt: wee dien, die tot het hout zegt: Wordt wakker. Zie het is met goud en zilver overtrokken en er is gans geen geest in het midden van hetzelve. Maar de Heere is in Zijn heilige Tempel: namelijk als de Onzienlijke boven het verzoendeksel. Daarover straks meer.

God wil dat Zijn gelovigen geen andere God toelaten in hun hart en leven dan die Zich in Zijn Woord en Tempel heeft geopenbaard. Als de tegenwoordige maar tegelijk onzienlijke.

Calvijn omschrijft onomwonden de afgoderij als één goddeloze leugenpraktijk. Een praktijk die aan de eer van God tekort doet. Wanneer men namelijk zich uit hout of steen, zilver of goud vergankelijke góden vormt.

Om die reden verbiedt God in Zijn Wet ons Hem zichtbaar voor te stellen.

Die natuurlijke neiging van de mens moet door de Wet gebreideld worden. Dat was nodig. De Perzen waren zon-aanbidders. De Egyptenaren herkenden in praktisch alle dieren de een of andere god. De Grieken, die iets meer “beschaafd” waren, stelden zich hun god als een mens voor. Het ene volk had dus een meer verheven voorstelling van God dan het andere. Maar voor God Zelf zijn al deze voorstellingen verwerpelijk: Het gaat in al deze afgodendienst ten diepste om dezelfde dwaze begeerte: de mens wil God in zijn nabijheid zien en zijn eigen god(sdienst) uitdenken. Ook, Deut. 4 : 15 verbiedt de Heere Mozes van Hem een gelijkenis te maken. Het moet voldoende zijn dat God tot het volk op de Sinaï gespróken heeft uit het midden des vuurs. God bedient Zich van het Woord. Hij stelt Zijn stem als openbarings-middel tegenover de zichtbare gods-gestalten.

Majesteitsschennis

Gods majesteit staat op het spel. Hij die on-zichtbaar is, mag niet aan een zichtbaar beeld gelijk gemaakt worden. Hij die on-mete-lijk is niet aan hout of goud of steen.

Vooral de profeet Jesaja heeft in zijn dagen op dit aambeeld gehamerd. En Paulus gaat in het voetspoor van de profeet verder als hij de Atheners verkondigt: “Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn, Hand. 17 : 29.

Zelfs de heidense dichter Seneca, door de kerkvader Augustinus geciteerd, klaagde bij zijn omgeving over deze ongerijmde majesteitschennis: “De heilige, onsterfelijke en onaantastbare góden stellen zij voor in alledaags en onaanzienlijk materiaal en bekleden ze met het uiterlijk van mensen en dieren”. En niet alleen de Joden zijn geneigd tot deze dwaze praktijken. Het is alle mensen eigen. Daarom verbiedt God alle mensen afbeeldingen van Hem te maken. Zelfs al zou het nog zo “onschuldig” bedoeld zijn.

Zelfs al zou het “maar” gaan om de afbeelding van heiligen die in werkelijkheid toch eer ontvangen die alleen de HEERE toekomt. Calvijn had door genade een fijne reuk voor de eer van God. Hij had gezien waarin de aanvankelijk misschien “goed bedoelde” beeldendienst ontaardde. De hele eredienst was er door bedorven!

Wie zal God zien

De tekenen die God ooit van Zichzelf gegeven heeft duiden enerzijds wel op Zijn tegenwoordigheid maar anderzijds op de onbevattelijkheid van Zijn Wezen. Hij is een God die Zich verborgen houdt.

Zo waren de wolk en de rook en het vuur bij de Sinaï, in de woestijn, tekenen van Gods heerlijke aanwezigheid. Maar tegelijkertijd weerhielden deze tekenen de Joden om tot God te naderen. Mozes kreeg het door zijn gebeden ook niet gedaan om Gods aangezicht te aanschouwen.

De Heilige Geest verscheen onder de gedaante van een duif. Deze was echter onmiddellijk weer verdwenen.

Hiermee wilde de Heere de gelovigen leren dat zij naar geen zichtbare gestalte van de Heilige Geest moeten zoeken. Men moet tevreden zijn met Zijn kracht en genade.

Inderdaad verscheen God soms ten tijde van het Oude Testament onder de gedaante van een mens. Het was een voorspel van de toekomstige openbaring in Christus. Maar deze verschijning in menselijke gestalte gaf de Joden geen vrijbrief “om zich een teken der Godheid op te richten in de menselijke gestalte”.

Veelbetekenend is ook het feit dat de Cheru-bim het verzoendeksel “van waar de Heere de tegenwoordigheid Zijner kracht openbaarde” met uitgebreide vleugelen bedekten! Het doel daarvan was “niet alleen de ogen der mensen maar ook al hun zinnen van de aanblik Gods af te houden”. Jesaja tekent de serafijnen voor Gods troon met een bedekt gelaat: de glans der heerlijkheid Gods is zo groot “dat de engelen zelf van een rechtstreekse aanblik afgehouden werden”.

Waanzinnig

De profeet Jesaja toont de waanzin aan van hen die Gods eer op afgoden overbrengen. Hoe dwaas zijn degenen “die van hetzelfde hout vuur aanleggen en er zich bij warmen, de oven stoken om brood te bakken, vlees te braden of te koken èn een gód te maken, voor wij zij knielen en zich neerbuigen om hem te aanbidden; Jes. 44 : 12 - Denkt u eens in: een aards mensje, dat schier elk ogenblik zijn leven uitblaast, zal door zijn kunst de naam en de eer van God op een dood blok hout overdragen! Jesaja verwijt hen dat zij op de grondvesten der aarde niet gelet hebben, Ps. 40 : 21.

Calvijn trekt uit deze beschouwing van de Heilige Schrift de algemene conclusie: “dat alle godsdiensten verfoeilijk zijn, die de mensen in zichzélf uitdenken”. Verderop zal blijken dat hij hieronder ook rekent de eigenzinnige dwalingen en beeldendienst van de Roomse kerk. Hij rekent dit alles tot de verdorvenheid van de menselijke natuur, waarmee alle volken behept zijn en ieder mens in het bijzonder. En God vertoornt Zich over deze diepgewortelde neiging tot beeldendienst, waarin men zichtbare beelden eer aan doet, die alleen de onzichtbare waardig is. Maar omdat de verdorvenheid der natuur zowel alle volken als ook een ieder in het bijzonder tot zo grote krankzinnigheid wegsleurt, slingert ten laatste de Geest deze vreselijke bliksem der vervloeking: “Dat die hen maken hun gelijk worden en al wie op hen vertrouwt”, Ps. 115 : 8. Het is opmerkelijk dat een onder ons niet onbekende predikant, die voor zijn bekering meewerkte aan de verfraaiing van Roomse kerkgebouwen, met deze woorden door God werd “gearresteerd”!

Wordt vervolgd D. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deov 14.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken