Bekijk het origineel

Laus Deo 27.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deo 27.

8 minuten leestijd

Calvijn over de schepping

In hoofdstuk 14 geeft Calvijn zijn beschouwingen weer over de scheppingsgeschiedenis zoals deze door Mozes is beschreven.

Met deze geschiedenis heeft God een bijzonder doel. Het gaat erom dat het geloof der Kerk geen andere God zoekt dan die door Mozes is voorgesteld als de Bouwmeester en Schepper van de wereld. Het gaat erom dat Hij vertrouwelijk door ons gekend wordt ”opdat wij niet steeds in weifeling en onzekerheid zijn”. Het gaat er ook om dat wij niet afglijden ”tot de verzinsels der heidenen” die hun eigen scheppingsverhaal bedacht hebben. Het geloof van de Kerk heeft een vaste grond nodig. Die grond heeft zij alleen in het beschreven Woord, dus in de door Mozes beschreven scheppingsgeschiedenis. Daarvan moet zij niet afwijken, wil zij niet aan allerlei twijfel en onzekerheid ten onder gaan. Dat is een les die de moderne Schriftkritiek ter harte kan nemen. Een kritiek die leidt tot onzekerheid en twijfel, tot afbraak van de Kerk.

De hel voor nieuwsgierige mensen

Sommigen vragen zich af ”waarom het God niet eerder in de zin gekomen is om hemel en aarde te scheppen?” Waarom heeft Hij eigenlijk, werkloos, zo’n onmetelijke tijdsruimte voorbij laten gaan vóórdat Hij deed wat Hij vele duizenden jaren eerder had kunnen doen, aangezien de levensduur van de wereld, die reeds neigt tot haar einde, nog niet eens zes duizend jaren bereikt heeft!

Calvijn is van mening dat wij dit soort dingen niet moeten onderzoeken. Het heeft geen nút dat te doen. Als de menselijke geest probeert door te dringen tot de verborgen dingen Gods slaat zij een heilloze weg in. Op deze weg zou zij wel honderdmaal bezwijken. God heeft dat juist met ópzet verborgen willen laten. Uit de Confessiones (belijdenissen) van Augustinus citeert Calvijn een ”geestig” antwoord van een vrome grijsaard, die toen een onbeschaamd man hem spottend vroeg wat God gedaan had vóór de schepping van de wereld, zei, dat Hij de hél geschapen had, n.l. voor nieuwsgierige mensen. Voor mensen die meer willen weten dan God geopenbaard heeft in Zijn Woord. Dat is inderdaad zoals Calvijn het noemt: een ”geestig” antwoord. Maar tegelijk een ernstige en strenge vermaning aan het adres van allen die de grenzen van de Openbaring durven overschrijden. Meer laat God aan Zijn Kerk in de bedeling niet weten dan wat Hij in Zijn Woord heeft laten beschrijven. Hij is en blijft de ónzienlijke God. Maar wel laat Hij Zijn, overigens onbegrijpelijke, wijsheid en kracht en rechtvaardigheid weerspiegelen in de scheppingsgeschiedenis. De Schrift is de bril van de gelovigen. Leggen zij die bril af, dan missen zij het rechte zicht op God en falen terstond in hun zoeken naar God.

”Laat ons dus gewillig ingesloten blijven binnen deze omgrenzing (n.l. van het beschreven Woord), waarmee God ons heeft willen omgeven om zo ons verstand als het ware in te binden, opdat het niet door ongebreidelde omdoling zou afdwalen”.

Vaderlijke liefde in de scheppingsorde

Gods scheppingswerk werd niet in een ogenblik maar in zes dagen voltooid. ”Juist in de orde der dingen moeten wij naarstig waarnemen Gods vaderlijke liefde jegens het menselijke geslacht, dat Hij Adam niet eerder geschapen heeft, dan nadat Hij de wereld met overvloed van dingen rijkelijk voorzien had”. Stel eens voor dat God Adam op een nog ónvruchtbare en ledige aarde geplaatst had!

Stel eens voor dat Hij al het levende geschapen had vóór het licht! Dan zou het toch geschenen hebben dat Hij met Adam weinig ophad. Maar wat doet God? Allereerst regelt Hij de beweging van de zon en de sterren ten nutte van de mensen. Vervolgens vervult Hij de aarde, de wateren en de lucht met levende wezens. Dan brengt Hij een overvloed van alle soorten vruchten voort die voldoende was tot voedsel. En tenslotte schiep Hij de mens. Zodoende nam God de zorg van een zorgzaam huisvader op Zich en toonde Hij Zijn wonderlijke goedheid jegens ons. En zo is Mozes ook de zekere getuige en heraut geweest van de enige God en Schepper. Mozes heeft ons Gods eeuwige Wijsheid en Geest voorgesteld ”opdat wij ons geen andere God dromen dan die in dat uitgedrukte beeld (van Zijn Schepping) wil erkend worden”.

De engelen

Voordat Calvijn uitvoeriger gaat spreken over de natuur van de geschapen mens, last hij een gedeelte in dat handelt over de engelen. Hoewel zij in de scheppingsgeschiedenis niet met name vermeld worden, voert Mozes de engelen later in als dienstknechten van God. Waarom vermeldde Mozes dan niet gelijk aan het begin van het bestaan van de engelen? Het antwoord is dat hij niet boven het begrip van het volk wilde uitgaan. Hij heeft zich aangepast aan het beperkte verstand van de grote schare en heeft daarom in de scheppingsgeschiedenis geen andere werken Gods vermeldt dan die zich aan onze ogen voordoen. En aangezien engelen van nature onzichtbare geesten zijn, heeft hij hun bestaan aanvankelijk wijselijk verzwegen. Het zou het bevattingsvermogen van het volk te boven zijn gegaan. Op vele andere plaatsen in de Schrift wordt echter duidelijk dat ook de engelen schepselen zijn.

Met nadruk wijst Calvijn erop dat de engelen niet meer dan schepselen zijn. Zij zijn beslist zelf niet goddelijk. ”De voortreffelijkheid van de natuur der engelen heeft veler geesten zozeer bevangen, dat zij meenden dat hun onrecht geschiedde wanneer zij aan het gezag van de éne God onderworpen, als het ware in rang beneden Hem gesteld werden”. Er zijn dus altijd mensen geweest die aan de engelen Goddelijkheid hebben toegeschreven. Deze dwaling meent Calvijn allereerst te moeten weerleggen.

God en de duivel

Nog een andere dwaling moet Calvijn bestrijden met zijn weergave van de schepping der engelen. Dat is de dwaling van Mani. De stichter van de sekte der Manicheeën, een invloedrijke dwaalleraar in de eerste eeuwen van de Christelijke Kerk. Mani ging uit van twee oorsprongen van de schepping: God en de duivel. Aan God kende hij de oorsprong toe van de goede dingen. Maar de duivel beschouwde hij als de bewerker van de dingen, die een sléchte natuur hebben.

Die dat leren, versieren als het ware de duivel met de titel van de Goddelijkheid, zegt Calvijn. Men schrijft hem zodoende eigenlijk Goddelijke eer toe. Immers, het is juist Gods eer en eigenschap dat Hij van eeuwigheid God is en Zijn wézen uit Zichzélf heeft. Als men dan uitgaat van het eeuwige bestaan van de duivel tegenover God dan geeft men hem eer die alleen God toekomt.

Bovendien werpt deze opvatting een schaduw voor de almacht van God!

”Waar blijft de almacht Gods, indien de duivel zulk een macht wordt toegekend, dat hij, tegen Gods wil in en onder verzet van God, kan najagen wat hij wil?” Toch wel een zeer actueel woord tegenover die theologie die zo graag spreekt over de onmacht van God tegenover het kwade!

Steeds meer mensen in de kerken hebben duidelijk ”moeite” met het geloof in de almacht Gods. Dat zou een dwaze voorstelling van zaken zijn: uit te gaan van de almacht Gods, terwijl onze hele wereld en samenleving kraakt in al haar voegen.

Blijkbaar hadden de Manicheeën dus ook al moeite met het geloof en de belijdenis van de almacht van God. Maar hoe kwamen zij tot die voorstelling dat de duivel en het kwaad een zelfstandig eeuwig bestaan hebben? Ze zeiden dat het onbehoorlijk was dat aan de goede God de schepping van enig kwaad werd toegeschreven. Dat zou een aanfluiting zijn voor het rechtzinnig geloof. Zeer juist weerlegt Calvijn deze opvatting op de volgende wijze: Hij wijst erop dat de slechtheid en boosheid zowel van de mens als van de duivel, of de zonden, die daaruit geboren worden, niet uit de natuur zelf maar uit de verdorvenheid van de natuur voortkomen.

God heeft de wereld en ook de engelen goed geschapen. Hun natuur was oorspronkelijk goed maar is door de zónde verdorven geworden.

Zeer waarschijnlijk neemt juist de geloofsbelijdenis van het concilie van Nicea (325) stelling tegen deze dwalingen van de Manicheeën.

De openingswoorden van deze belijdenis van Nicea, die ook ónze belijdenis is, luiden: ”Ik geloof één God, de almachtige Vader, Schepper des hemels en der aarde, aller zienlijke én ónzienlijke dingen”. Tot die onzienlijke dingen behoren ook de engelen. De goede en de kwade. Onzienlijk maar niet minder werkelijk dan de zienlijke dingen. Als Mozes verhaalt dat de aarde en de hemel volbracht waren met al hun heir, Gen. 2 : 1, dan behoren daar ook de engelen toe.

D.V. de volgende keer meer hierover.

Institutie 1. XIV, 1-3.

Wordt vervolgd D.V.

L.W. v.d. Meij, V.D.M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 27.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1986

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken