Bekijk het origineel

Achganieta Johanna van der Stelt 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Achganieta Johanna van der Stelt 2.

7 minuten leestijd

Evenwel dacht ik, dat zij dit maar zeide om mij gerust te stellen, want zij begreep wel, dat ik mij de zaak zeer aantrok, dat ze mij zwaar op het hart drukte. In die weg heb ik ook ondervonden wat David zegt: mijn zoon Absalom, mijn zoon, was ik voor u gestorven, mijn zoon, mijn zoon.

O ja, geliefde lezer, met schaamte moet ik het getuigen, dat er zoveel tijden omgaan dat ik mijn kroost niet dagelijks opdraag aan de Heere, om hun de Heere Jezus voor te houden. Geliefde lezers, gij die ook kinderen hebt, maakt toch veel gebruik van de tijd, welke gij nog in het heden zijt om uw zaad vroeg te onderwijzen van het gevaar, dat hun boven het hoofd hangt met hun verloren toestand. Welk een oceaan van schuldvergevende liefde er tegenover de afgrond hunner onuitsprekelijke grote zonden staat, geliefden, ook deze onderwijzing werd voor onze dochter dienstbaar gemaakt door ’s Heeren vrijmachtig welbehagen tot behoudenis harer ziel, dat zij de Heere Jezus mocht vinden tot redding en schuiling, tot volkomen verlossing.

Zij begon dan al gaande meer terug te gaan en veel meer bloed op te geven, inzonderheid op die dag en des avonds (15 augustus), waardoor zij zeer benauwd werd, wel ziende, dat het zo niet langer meer kon duren, dat zij spoedig zou moeten sterven en dat onbekeerd, dat viel haar erg aan. Haar benauwdheid werd zo hooggaande op die avond dat het niet in bewoording is te brengen. Toen ik vroeg wat haar toch zo benauwde, antwoordde zij mij: Och, lieve vader, och! dat ik maar bekeerd was. De nood werd zo hoog en uit dat gezicht riep zij in mijn tegenwoordigheid tot God om vergeving van zonden. Zij werd zo aangedrongen om in de zieleangst tot God te roepen, dat het mij niet mogelijk is te beschrijven. Zij schreeuwde het uit en riep: Heere Jezus, kom toch, och kom toch, geef mij een nieuw hart en neem het stenen hart uit mij weg. De angsten en benauwdheden, die ermede gepaard gingen, waren onuitsprekelijk. De vijand was niet ledig, want zij riep overluid: ga weg, satan.

Toen wij haar vroegen: wat ziet gij, lief kind? antwoordde zij: daar staat de satan. Die wil niet hebben, dat Jezus mij het stenen hart wegneemt. Geliefde lezers, eer zij die overwinning had behaald door de kracht van Jezus liefde, die alreeds in haar hart was ontstoken, had zij het zeer bang. Wij waren voor die ogenblikken met de zaken niet genoeg bekend om te weten wat de uitkomst zou zijn. Wij luisterden aandachtig naar wat zij openbaarde. Zij bleef met de Kananese vrouw aan het roepen met ernstig aanhouden: Och Heere Jezus, kom toch, och geef mij een nieuw hart. En door het sterk aanhouden om vergeving van zonden te genieten, zagen

wij dat de vijand zijn kracht verloor. O wonder van Gods genade, daar daalde de Heere af in haar ziel met Zijn liefdestralen van genade. Ja, lieve vrienden, toen openbaarde zij ons, dat de Heere haar nu bekeerd had, dat haar nu het stenen hart was ontnomen en dat zij nu een nieuw vlesenhart had gekregen.

O geliefden, toen wij dat hoorden wisten wij geen raad van blijdschap en aandoening. Zij was dronken van liefde geworden, ja de grote liefde die zij genoot aan haar ziel was zo groot, dat haar mond het niet kon uitdrukken. O ja, haar gezicht blonk heerlijk. Zij verzocht mij, dat ik des Heeren volk zou roepen. Drie verschenen er in die ogenblikken. Toen zij hen in de verte zag aankomen, klapte zij in de handen en zeide: daar komen zij aan; nu zal ik hun vertellen wat de Heere Jezus aan mijn ziel gedaan heeft. Zij riep het hun van verre al toe, wat haar te beurt gevallen was. O lieve vrienden, zeide zij, de Heere heeft mij aangenomen, mijn zonden vergeven; nu ga ik naar de hemel. Daar zal ik mijn geliefde moeder zien. Daar zal vreugde en grote blijdschap zijn, te veel om te melden, onmogelijk voor mij om het alles te schrijven, wat zij toen openbaarde.

Ook vroeg zij die mensen of zij ook al bekeerd waren. De ene wist het niet, de andere zeide: ik ben nog niet bekeerd, de derde werd niets gevraagd. Toen zij dit uit hun eigen mond gehoord had, zeide zij: kom, laat ons tezamen dan eens bidden of de Heere zo goed wilde zijn u allen ook te bekeren zowel als mij. Zij deed haar handjes tezamen en zeide: Och, Heere, hier zijn er twee die getuigen dat zij nog onbekeerd zijn. Och, Heere, bekeer Gij ze ook; zo Gij het mij gedaan hebt, kunt Gij het hun ook doen. Zo sprak zij de Heere aan in aller tegenwoordigheid. Zij zag de hoge noodzakelijkheid zodanig in voor hen, dat zij niet kon loslaten.

De gehele avond was zij getrouw jegens allen die in haar omgeving waren.

Tegen een meisje van haar leeftijd en een schoolkameraadje zeide zij: zijt gijlieden nog onbekeerd? Waarop zij geen antwoord ontving. Deze kinderen waren vreemdelingen in zulke zaken en wisten dus niet wat zij zeggen moesten. Zij sprak hen liefderijk toe en zeide: och, speel nu niet langer met de goddeloze kinderen, want als gij zo moet sterven dan gaat gij verloren en komt in de plaats der duivelen. Och, bid toch veel om bekeerd te worden. Diezelfde avond kwamen er nog drie, ja het werd nacht, maar zij waren nieuwsgierig wat er toch gebeurd was. Zij begon alweer opnieuw te openbaren wat blijdschap en vrede in haar ziel omging. Zij verhaalde al wat er gebeurd was, ja zij wist zelfs goed het uur waarin de Heere haar van dood levend gemaakt had.

Zij ging dan met ons de nacht in met onuitsprekelijke blijdschap; de waarheid straalde helder in haar ziel. Dit bleek ons duidelijk.

Zij kreeg het oog op psalm 24: Wie klimt de berg des Heeren op? En, wat er meer volgt in dat vers. O vader, sprak zij, de blijdschap is niet te beschrijven, die mijn ziel geniet. Ik vroeg haar wat zij dan toch genoot. Zij verhaalde wat zij reeds tegen anderen gezegd had, voor dat zij nu naar haar geliefde Heere Jezus ging en daar ook haar geliefde moeder zou vinden. Ik vroeg haar of zij dan niet liever zou blijven leven en of zij niet bang was om te sterven. O, neen! zeide zij, want de Heere Jezus komt mij Zelf afhalen. O vrienden, toen berstte ik in tranen uit, toen zij getuigde liever te sterven dan bij ons te blijven. Ik wees er haar op hoe lief zij ons was en hoe droevig het was te moeten horen, dat zij liever wilde sterven dan bij ons blijven. Ik deed dit om haar standvastigheid te beproeven, maar zij bleef manmoedig en zeide: ja, ik moet naar Jezus toe, ja ik moet naar Jezus toe. O vader, huil toch niet; als gij dat doet dan kan ik niet sterven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Achganieta Johanna van der Stelt 2.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken