Bekijk het origineel

Laus Deo 47

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deo 47

5 minuten leestijd

Bewaar het pand

Terecht roept Calvijn, die niet voor Stoïcijn wil doorgaan, het woord van de apostel Pau-lus in herinnering: O, Timotheus, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijke ijdel roepen en van de tegenstellingen der valselijk genaamde wetenschap, dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken, 1 Tim. 6 : 20. Van de woorden: het ongoddelijk ijdel roepen geven de kanttekeningen de volgende verklaring: “waardoor de apostel de spitsvondige krakelingen der bedrieglijke leraars verstaat, die door hen met grote heftigheid en roepen zonder stichting werden gevoerd”. Calvijn onderkende het gevaar van het binnensluipen van allerlei filosofische woorden in de gezonde en eenvoudige leer des geloofs. Hij was daar huiverig voor. Hij begeerde slechts het pand. d.i. de Waarheid Gods, te bewaren.

Het ging hem om de gezonde leer des geloofs. Daarom had Calvijn ook een afkeer van de Stoïcijnse leer van het noodlot. “Het leerstuk (n.1. van het noodlot) wordt ons ten onrechte en te kwader trouw voor de voeten geworpen”. Calvijn wilde geen Stoïcijn wezen. “Wij stellen God als Rechter en Bestuurder van alles, die naar Zijn Wijsheid van alle eeuwigheid besloten heeft, wat Hij doen zou, en nu door Zijn macht uitvoert, wat Hij besloten heeft. En daarom beweren wij, dat door Zijn voorzienigheid (NB, de Stoïcijnen spraken over de oer-kracht in de schepping ook als: de voorzienigheid) niet alleen de hemel en de aarde en de onbezielde schepselen maar óók de raadslagen en de wil der mensen zo bestuurd worden, dat ze regelrecht afgaan op het doel dat door Zijn voorzienigheid bestemd is”.

Een besluit van eeuwigheid over alles wat zal gaan gebeuren: Dat kenden de Stoïcijnen niet. Evenals: Een God boven en over allen, aan wie het geloof zich kinderlijk en eerbiedig onderwerpt. Alleen een trotse berusting in de onberekenbare gebeurtenissen van het leven die volgens de ijzeren wet van de natuur geschieden. Een oneindig verschil tussen Calvijn en Stoïcijn. De Schriftgelo-vige dienaar enerzijds en de trotse “denker” anderzijds. De Stoïcijnse Romeinse keizer Marcus Aurelius (121-180) moet dat ook wel aangevoeld hebben. Op buitengewoon felle wijze heeft hij de christenen in Zijn rijk laten vervolgen. Want wat gemeenschap heeft de duisternis met het licht?

De geblinddoekte Fortuna

Wij stellen Gods als Rechter en Bestuurder van alles, aldus Calvijn. Hij kan zich wel indenken dat deze stelling tegenspraak oproept. “Wat nu?, zo zal men zeggen, gebeurt er dan niéts toevalligs of zomaar?” Hij beroept zich dan weer op de oude kerkvaders (de belangrijkste Schriftuitleggers van de vroegchristelijke Kerk). Allereerst verwijst hij naar een gezegde van Basilius de Grote. Deze invloedrijke theoloog leefde in de 4e eeuw na Christus in Cappadocië, een landstreek in Centraal Klein-Azie (Turkije). Hij heeft eens gezegd: “dat ’fortuin’ en ’toeval’ heidense woorden zijn en dat de harten der vromen zich door de betekenis daarvan niet in beslag moeten laten nemen”. Een christenmens kan beter weten. Als alle voorspoed en zegen van God is, en ramp en tegenspoed Zijn vloek, dan blijft er verder in de menselijke zaken voor fortuin of toeval geen plaats over. In de tweede plaats citeert hij Augustinus. Deze Noord-afrikaanse kerkvader, bisschop van het kust-stadje Hippo Regius (395-430), heeft eens zijn spijt betuigd dat hij in sommigen van zijn boeken nogal eens het woord “fortuin” gebruikt heeft. (Met het Latijnse woordje “fortuna” bedoelden de Romeinen aanvankelijk de godin van het toeval en het geluk. Oorspronkelijk werd zij in Italië waarschijnlijk vereerd als vruchtbaarheidsgodin. Men geloofde dat zij beschikte over het lot der mensen. Zij was een onberekenbare godin, afgebeeld met een blinddoek of een roer. Soms met een hoorn van overvloed). Vervolgens werd het woordje “fortuna” ook in de algemene betekenis van het lot of toeval, voor- of tegenspoed, gebruikt. Het is duidelijk dat Augustinus niet geloofde in het bestaan van zo’n geluk of ongeluk brengende godin “Fortuna”. Hij gebruikte het woordje eenvoudigweg als “toéval” (zoals het ook in de Statenvertaling wel voorkomt). Wij horen het ook in onze tijd nogal eens zeggen: Het toeval wilde, enz.

(Men wilde daarmee duidelijk maken, dat men daarop niet gerékend heeft). Toch spijt het Augustinus dat hij het woordje gebruikt heeft. Het was zijn ervaring dat de mensen, als zij over “toéval” spreken, zo weinig of geheel niet van Gods voorzienigheid denken, hoewel deze toch ook over “het toeval” gaat. Volgens Augustinus en Calvijn gebeurt er niets op goed geluk of per ongeluk!

Als wij het woordje toeval of fortuin (geluk) gebruiken, roept dat zo gauw de gedachte op “dat God werkeloos op een rustige plaats zit toe te zien” en intussen alles maar aan de fortuin of het toeval overlaat. En dat is in strijd met Zijn Woord en met de eer van Zijn Naam: De Laus Deo.

Institutie 1, XVI. 8.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 47

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken