Bekijk het origineel

Laus Deo 54

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Laus Deo 54

4 minuten leestijd

Dienaars van Gods goedheid

Alle dingen in het leven geschieden op Gods bevel. Hij formeert het licht en schept de duisternis. Hij maakt de vrede en schept het kwaad. Hij, de HEERE, doet al deze dingen, Jes. 45 : 7. Maar daarbij bedient Hij Zich van mensen als instrumenten van Zijn voorzienige leiding en regering. Een vroom man, zegt Calvijn, zal hiervoor de ogen niet sluiten. Wanneer hij van mensen een weldaad ontvangen heeft, zal hij hen houden voor “dienaars van Gods goedheid”. Dat wil dus zeggen dat hij God Zelf in de ontvangen weldaden zal eren en prijzen als de voornaamste Schenker, maar tegelijkertijd zal hij zulke dienaars van Gods goedheid niet voorbijgaan, “alsof zij door hun vriendelijkheid geen dank verdiend hadden”. Integendeel, hij zal gaarne zijn verplichting jegens hen erkennen en zijn best doen om naar vermogen en omstandigheden hen dank te vergelden”.

Zonde van nalatigheid

Anderzijds, als iemand door een ziekte weggenomen is, zal een godvrezend mens zich niet verschuilen achter de voorzienigheid en zeggen: Het was toch zijn tijd. Nee, als hij in de verzorging of behandeling van de zieke in gebreke gebleven is, dan zal hij erkennen dat deze patiënt door zijn nalatigheid omgekomen is. Dan zal hij zijn schuld niet afschuiven op Gods voorzienigheid. Hij blijft verantwoordelijk. Nalatigheid is een zonde, die men moet verantwoorden.

Het sterfgeval is inderdaad geschied door Góds wil maar ook zal hij het zichzélf toerekenen. Met andere woorden: De erkenning van Gods wil die over alles gaat, die de diepste oorzaak is van alle dingen, sluit de bezinning op tweede oorzaken, d.i. het ménselijke handelen, niet uit.

Inroepen van mensenhulp

Wanneer iemand hulp nodig heeft voor de toekomst dan is hij inderdaad aangewezen op Gods voorzienigheid die over alles gaat. Hij is afhankelijk van Gods zegeningen. Maar dat sluit niet uit dat hij gebruik mag maken van menselijke hulp. “Daarom zal hij niet traag zijn in het nemen van besluiten en zich niet slap aanstellen bij het inroepen van de hulp van hen, van wie hij ziet dat ze in staat zijn, hem te helpen”.

Integendeel: hij zal die schepselen, als “wettelijke werktuigen van de Goddelijke voorzienigheid” tot zijn gebruik aanwenden. Voorts laat hij het aan de Heere over. Hij weet dat Hij in alles voor zijn welzijn zal zorgen. Hij zal zich ook niet laten drijven door zijn éigen wil. “Maar hij zal zich aanbevelen en toevertrouwen aan de wijsheid Gods, opdat hij door haar leiding tot het juiste doel gebracht worde”.

Een vroom man zal zijn vertrouwen niet zondermeer op uiterlijke hulpmiddelen stellen. Als zij voorhanden zijn, zal hij er zich niet onbekommerd op verlaten en als zij ontbreken zal hij evenmin door angst overwonnen worden “alsof hij in de steek gelaten is”. Ja, hij zal zich vastklemmen aan Gods voorzienigheid. Hij zal niet toelaten dat hij door waarneming van de zichtbare dingen afgebracht wordt van het betrouwen op de voorzienigheid Gods. Die voorzienigheid, door het geloof op de juiste wijze verstaan, bewaart enerzijds voor onverschillige luiheid en anderzijds voor overdreven bezorgdheid of angst. Davids generaal Joab bemoedigde, voordat de strijd tegen Syriërs en Ammonieten ontbrandde, zijn broeder Abisaï met deze woorden: Wees sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden van onze God; de HEERE nu doe wat goed is in Zijn ogen. De bedoeling is duidelijk. De Heere regeert. Hij geeft de overwinning aan wie Hij wil. Maar hun betrouwen op de Goddelijke voorzienigheid schakelt hun aktiviteit niet uit. Hij vermant zich en zegt: Wees sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk. Joab geeft zich niet aan luiheid over. Hij zegt niet: De Héére zal het wel voor ons doen. Nee, hij moet zelf de strijd in. Hij zal zich niet door traagheid of angst laten meeslepen. En voor het overige laat hij de uitkomst aan de Heere over.

Tenslotte

Die op de juiste wijze gebruik maakt van de voorzienigheid Gods is vrij van roekeloosheid én verkeerd vertrouwen. Hij zal juist God aanroepen in afhánkelijkheid. En zodoende zal de wetenschap dat God regeert hun ziel met goede hoop versterken “zodat wij niet aarzelen om flink de gevaren te verachten, die ons omringen”.

Geen wonder dat Calvijn in dit verband spreekt van: “het onwaardeerbare geluk van een vroom gemoed”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 54

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken