Bekijk het origineel

Steeds maar weer!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Steeds maar weer!

8 minuten leestijd

In het reglement op de kerkvisitatie staat de volgende vraag: “wordt elke zondag behalve op feest- en avondmaalszondagen de Heidelbergse catechismus behandeld zó, dat geen enkel deel van deze belijdenis wordt overgeslagen?”

Een hele vraag is dit! Een scherpe vraag. Want geen enkel deel mag overgeslagen worden. Alles wat in de catechismus staat, dient aan de orde te komen. Althans gehonoreerd. Want het is niet mogelijk dat elke zondagsafdeling in de dienst volledig uitgediept kan worden. Wil men dat doen in de prediking, dan bestaat het gevaar, dat het belijden in de zondagsafdeling niet sterk spreekt en het effect nl. onderwijs wat verdwijnt. Daarbij bemerken we in het leerboek der kerk, dat enkele delen in verschillende zondagen staan. Dus kan een bepaald deel bij de behandeling van een andere zondag meer aandacht krijgen en kan het zelfs nog meer spreken tot de gemeente. Ook mag dit feit niet voorbij gezien worden, dat de catechismusprediking doorgaat. Moet doorgaan. De kerkorde stelt het. De kerk eist het. Wat nu dit laatste betreft, is dit niet iets van onze eeuw. We kunnen terug gaan naar de 16e en 17e eeuw. Het is ons bekend, dat de catechismus tot stand gekomen is met medewerking van keurvorst Federik III van de Paltz. Hij is geschreven door Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus. En in 1563 werd het leerboek uitgegeven door Johannes Mayer in Heidelberg. Het boek, genaamd de Heidelbergse Catechismus sloeg direct aan. Reeds in het jaar van verschijning verscheen een tweede en derde druk. Opvallend is dat direct na de verschijning er een vertaling verscheen in het Nederlands. Voor die vertaling zorgde de bekende predikant Datheen. Hij was enige tijd balling in het land van de keurvorst. Zijn vertaling sloeg aan, zodat er herdrukken kwamen. De catechismus ging zich een plaats veroveren en dat is te vatten, want het is een schatboek. Ook vandaag; voor een ieder, die leeft bij psalm 25. Want daar staat geschreven: “Alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren”. De bekende hagepreker Petrus Gabriël preekte in 1566 voor het eerst in 1566 over de Heidel berger te Amsterdam. Op het convent te Wezel, waar in 1568 de leiders van de Nederlandse kerk onder het kruis, in het geheim bijeenkwamen, werd vastgesteld dat men zich zou houden aan de leer van de Heidel-bergse Catechismus. De synode van Emden in 1572 ging op dit spoor verder. Op de Dordtse synode van 1574 werd de Heidel-bergse Catechismus zelfs voor de dienaren van de kerk verplicht gesteld. Hij zou in alle kerken en scholen moeten worden gebruikt. Een volgende synode, die van Den Haag 1568, stelde de eis dat de predikanten in de namiddagdiensten op de zondagen de Heidel-bergse catechismus moesten uitleggen voor het kerkvolk.

Naast de geboden catechismusprediking, werd ook vereist de ondertekening van het leerboek. Al wie predikant wilde worden in de Nederlandse kerk moest eerst de Heidel-bergse catechismus ondertekenen. Het is te begrijpen, dat op de Nationale Synode van Dordrecht 1618-1619, waar men zich heel bijzonder met het belijden moest bezig houden, de catechismus en de prediking ervan een agendapunt was.

Op de 47e zitting van deze synode, gehouden op 1 Mei 1619, stond op de agenda: “dat de catechismus van de Paltz, die voor lange in de nederlandse kerk was geleerd, op dezezelfde wij ze als de confessie, onderzocht zou worden, en dat een ieder zich hierop zou verklaren of er in deze catechismus ook iets geleerd werd, hetwelk met Gods Woord was strijdende”. Ieder mocht dus als hij dat wenste zijn bezwaren tegen de Heidelbergse Catechismus en tegen de Nederlandse Geloofsbelijdenis (de confessie genaamd) naar voren brengen. Heel de catechismus werd voorgelezen. Niemand onder al de aanwezigen ter synode bleek bezwaren te hebben. Zo werd dan de Heidelbergse Catechismus met algemene stemmen “als met Gods Woord overeenkomstig” goedgekeurd en opnieuw aanvaard.

Er was dus grote eenstemmigheid: de gehele synode achtte de Heidelberger niet voor verbetering vatbaar. De Engelse afgevaardigden zeiden zelfs, dat noch hun kerken, noch de Franse, zo’n goede catechismus hadden!

De afgevaardigden van de Paltz (’t ging hún wel bijzonder aan!) verklaarden nog dat ‘hun’ catechismus al dikwijls was aangevallen, maar nog nooit weerlegd. En wat de bezwaren van de Remonstranten betreft, zo zeiden de mannen van de Paltz, die hadden de liefde in hun harten jegens de catechismus alleen maar verdiept: ’t was hun namelijk gebleken, dat de catechismus niet met de Schrift, maar wel met Socinus in strijd was! De synode nu nam het volgende besluit. In steden en dorpen diende elke zondagmiddag over de Heidelbergse Catechismus te worden gepreekt. Nalatige predikanten en kerkgangers moesten worden gecensureerd. Tevens moest men trachten, in één jaar telkens de hele catechismus te behandelen. Overigens moesten de preken kort en eenvoudig zijn. De predikanten moesten getrouw zijn: al zouden zij alleen voor hun eigen gezinnen preken, zij moesten de catechismus behandelen. Tenslotte moest de overheid zorgen, dat zondagsarbeid, spelen en dronkenschap op zondag ten strengste werden verboden.

Een heel besluit! En daaraan dient men zich in 1988 nog te houden. Althans in bepaalde kerken in Nederland. Nu kan onder meer deze vraag gesteld worden: Komen nu door deze bepaling niet jaarlijks dezelfde dingen aan de orde? Is het gevaar voor herhaling niet levensgroot aanwezig? Wordt de studiezin en drang van een predikant er niet door verminderd? Worden op den duur geen bekende paadjes betreden? Dit is mogelijk. Maar dit blijft niet beperkt tot de behandeling van de catechismus. Dit kan ook bemerkt worden tijdens de behandeling van een ’vrije’ stof. De behandeling van een tekst uit Gods Woord. Het komt voor en dat is een trieste zaak, dat na tien minuten tekstverklaring een bekeringsweg wordt doorgegeven. En daardoor wordt de tekst bedekt of zelfs aangetast. Want men kan in de tekst inleggen, wat geheel niet in de tekst ligt.

Het gevolg hiervan is, dat men tijdens de prediking al weet, waar de prediker terecht komt. Dit getuigt niet van geestelijke rijkdom, maar van geestelijke armoede en het niet hoog schatten van het Woord Gods. Wie het Woord Gods van harte lief heeft zal bijzonder wat de prediking betreft voortdurend bidden om de leiding van de Heilige Geest, zodat in de prediking de waarheid van de Schrift aan het woord kome en niet het woord van de prediker. En bij die prediking is ook betrokken de behandeling van ons leerboek. Waarom? Omdat naast het verstandelijke, intellectuele element aanwezig in ons leerboek, dit leerboek ons, ouderen en jongeren, ja heel de gemeente geestelijk wil vormen. Het wil leiden tot de bijbelse kennis, de bijbelse bevinding. Immers in de catechismus wordt ons gegeven het beeld van een christen. Ontstaan door Woord en Geest. En gericht op Woord en Geest.

En dit alles heeft niet betrekking op een deel van het leven, een bepaalde periode van het leven, maar het hele leven. Het leven tot het doodsuur, ja verder dan dat uur. Tot in eeuwigheid.

Nu moet daarbij één ding goed onthouden worden, wanneer we stellen in de catechismus wordt het beeld gegeven van de christen, dat dan niet bedoeld wordt het centraal stellen van de christen. Het opgaan in de christen. Het ontstaan van het christen-zijn en het christen-leven zijn vrucht van het werk van de Drieënige God. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In het christen-zijn straalt dit ook door en uit. Vandaar dat de christen ook gericht wordt op de Drieënige God en in alles afhankelijk is van het werk van de Drieënige God. Het werk van de Vader, van de Zoon en de Heilige Geest. Tevens wordt het leven gericht op de Wet van de Heere en het gegeven gebed van de Heere. En daar de christen zondaar blijft en het zondaar zijn ook al dieper wordt beleefd; de strijd en de verzoeking niet uitblijven en de geestelijke kennis maar ten dele is, blijft het onderwijs onmisbaar. En dat onderwijs geeft de Heere. Ook voor de catechismusprediking. De praktijk heeft dit bewezen de eeuwen door. Ook het er mee bezig zijn werpt zegen af. Van Luther is bekend dat hij vaak zijn catechismus bemediteerde. Hij schrijft: “ik leer nog altijd van mijn Catechismus. Ik zuig eraan, als een kind aan de borsten van zijn moeder”. Opvallend is het, dat hij dit beleed, toen hij al op een gevorderde leeftijd was gekomen. En wat stond hem voor ogen? Hij wilde zich de zaken eigen maken. En dat in de weg van oefening, meditatie en gebed. Ditzelfde bemerken we bij de andere reformatoren. De mannen van de Nadere Reformatie waren hiervan ook geen vreemdeling. Welk een zegen heeft het voor hen afgeworpen. Zouden ook wij die zegen niet begeren? De Heere werke rijk de ware vroomheid. De vroomheid die blijkt in lezen, luisteren, overdenken, bidden en kennen. Wie die gezindheid kent heeft een open Bijbel. Heeft Gods Woord nodig, in de verkondiging en de catechismus in de verklaring. En de bede leeft in het hart: “En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer’, Mijn oog verlicht’, de nevels op doe klaren; Dat mijne ziel de wond’ren zie en eer’, Die in Uw wet alom zich openbaren”.

Men is verheugd met de regelmatige verkondiging van Gods Woord en de steeds terugkerende verklaring van de Heidelberger. Want beide zijn nodig. Beide zijn nuttig. Beide zijn Gods gave! De Heere stelt ze tot zegen!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Steeds maar weer!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken