Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het leven en sterven van mej. C.C.W. 3.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het leven en sterven van mej. C.C.W. 3.

6 minuten leestijd

8. Zo ver kwam ze toen, dat ze Gods werk aan en in haar niet durfde ontkennen en was enigszins verkwikt en bemoedigd, als zij dacht dat God op zo een had willen neerzien, doch was met schuddingen gepaard. Zij gaf zeer hartelijke uitdrukkingen van haar hoogachting voor de Heere Jezus. Zij verzocht, als ds. Immens zou bidden, dat hij zou voordragen, dat de Heere haar enigszins meer geliefde te verzekeren van haar genadestaat eer zij sterven zou.

9. Toen er gebeden was zei ze: “Ik kan niet zeggen hoe goed mij God geweest is, hoe levendig gij mijn hart en gemoedsgestalte en hetgeen in mijn ziel omgaat, hebt uitgedrukt. Ik blijf u dankbaar wegens het goede in deze”. Het scheen, hoewel zij het toen niet zei, dat zij meer verzekerd was, want ze zei naderhand, dat God onder het bidden haar hart verzekerd had van Zijn liefde. Toen verhaalde ze nog: “Ik kan niet genoeg uitdrukken hoe wonder verkwikkelijk mij altoos ons vrijdags gezelschap geweest is. Ik ging altoos blij daar naar toe en ben meest altijd gezegend daar vandaan gekomen. Ik zou alle godvruchtigen raden onderling samen te komen”.

10. Toen ze een poosje stil lag zei ze tot een van haar zusters: “Ik kan niet zeggen hoe God onder het bidden van ds. Immens mijn hart verzekerd heeft, en in plaats van voor de dood te schrikken, zou ik daar nu wel naar verlangen en die met blijdschap tegemoet zien”. Daar ze toen zeer vermoeid was heeft ze die dag zeer weinig gesproken, maar des avonds zei ze: ’Tndien de Heere mij weg zal halen, zo wens ik dat God mij wil verwaardigen om mij een tong en hart te geven om te verkondigen hoe goed de Heere is voor degenen die Hem zoeken, en dat ik mag verwaardigd worden om een ieder zijn bescheiden deel te geven”.

11. Die gehele nacht en de volgende dag heeft ze zeer stil gelegen en zeer weinig gesproken, want ze was die dag zeer flauw en afgemat door het bloeden uit haar neus, wat men beschouwde als een wending in de ziekte en volgens het zeggen van de geneesmeester een goed teken scheen te wezen. Doch het is echter van geen goed gevolg geweest.

12. Toen donderdagavond de flauwte wat beter was, begon ze weer wat meer te spreken en God heeft toen haar begeerte vervuld en haar een sprekende mond gegeven om een ieder zijn bescheiden deel te geven en toen heeft God aan haar bewaarheid: Ik heb geloofd en daarom spreek ik. Toen liet zij zich bijzonder in veel ernst uit tegen haar enige en lieve broeder, met de allertederste uitdrukking van haar tedere liefde en hartelijke begeerte tot zijn eeuwig welzijn, wat niet anders dan met veel ontroering kon aangehoord worden. Die gehele nacht heeft zij al gedurig gesproken, en degenen die bij haar waren met ernstig spreken zo onderhouden, dat zij zich moesten verwonderen, toen zij nogmaals verhaalde hoe God eerst haar hart geraakt had, door wat middel, en dat gij, die haar broeder waart, ook haar geestelijke vader zijt, die haar door het evangelie geteeld had en dat God nu haar verzekerde en voorkwam, ja overstroomde met Zijn liefde.

13. Dewijl zij voelde dat ze van hand tot hand terug ging en zij zeker sterven zou, zeide ze om ongeveer half zeven des morgens: Ik wil ds. Immens nog wel eens spreken, die op hetzelfde uur bij haar kwam. Zij zeide tot hem: Mijn drift is groot om u te zien, mijn zwakheid neemt toe, ik ga sterven. Maar haar zielsgestalte was vrolijk. Zij zei, dat de Heere haar sedert woensdag, en bijzonder in die nacht, met zijn vertroosting was voorgekomen en haar nu ten volle had verzekerd van haar genadestaat en aandeel aan de Heere Jezus en dat drukte zij op de volgende wijze uit:

“De Heere heeft mij nu klaar en levendig doen zien en overreed wat Hij door Zijn genade aan mij gewrocht heeft, en dat daden des geloofs zijn, zodat ik nu niet meer twijfelen kan over mijn gelovig uitgaan naar God en Christus, dat is mij nu zeker. Maar, ten andere, de Heere Jezus heeft mij ook nader in Zijn liefde omhelsd. O, ik heb de Heere Jezus in deze nacht in de Geest met zoveel aandoening als hangende aan het kruis beschouwd met uitgebreide armen, mij toeroepende: Wend u naar Mij toe! en ik ben met open armen in de geest mijns gemoeds, in geloof en in liefde naar Hem toegelopen en Hem omhelzende met al de krachten van mijn ziel heeft Hij mij wederom omvat in Zijn armen, zeggende: Dochter, zijt goedsmoeds, uw zonden zijn u vergeven; en Hij heeft mij doen smaken en proeven het overaangename en dierbare van Zijn liefde. O! aan mij! mij, zo te doen. Een tweede geval (vervolgde zij) is mij in deze nacht of in de morgenstond voorgekomen: ik zal sterven, daar twijfel ik nauwelijks meer aan, maar het is alsof tot mij gezegd werd: de Drieënige God, de heilige engelen, en Gods volk zullen op u zien, en hierom heb ik u getroost, of gij wel gehard en kloekmoedig de dood zult onder de ogen zien, tot den einde toe getrouw zijn en blijven, en zo stervende kloekmoedig zijn”.

14. Na meer redenwisseling bad ds. Immens met haar, als een verzekerde, die verwacht te sterven. Zij was in veel levendige aandoening en werkzaamheid en vol tedere beweging, doch alles was zeer stil en bedaard, zonder enige beweging van het lichaam Daar ging in haar spreken niets dan haar mond en tong, in die bedaardheid dat het maar even kon gehoord en verstaan worden, zich niet verheffende, maar als een die in een stille kalmte ligt.

15. Toen er gebeden was zei ze “Eer ik gasterven, zo wil ik nog wel de vrienden van mijn gezelschap eens zien, en mijn afscheid van hen nemen en betuigen hoe gezegend mij dat gezelschap is geweest en hoe heugelijk de weg van het evangelie is. O, ik ben niet in staat om te zeggen wat levendige aandoening al de evangelische waarheden op mijn hart hebben, wat verschillen woorden van zaken en hoe aangenaam vind ik het nu tot de Heere Jezus te gaan. Ik heb altijd een gesloten mond gehad en nu ik ga sterven geeft God mij zoveel. Wel, laat ik nu toch spreken, tot ere van de genade, want wat weet ik waartoe God mij zo ontmoet, of tot overtuiging van goddelozen, of tot bemoediging van kleinen als ik ben”. Hierop heeft ze anders niet gedaan dan de ganse dag van haar ledikant een predikstoel te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1989

Bewaar het pand | 4 Pagina's

Het leven en sterven van mej. C.C.W. 3.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1989

Bewaar het pand | 4 Pagina's

PDF Bekijken