Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Laus Deo 64.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Laus Deo 64.

4 minuten leestijd

Calvijns omschrijving van de erfzonde.

Omdat er allerlei omschrijvingen van de erfzonde in omloop zijn, wil Calvijn ook zijn opvatting over de erfzonde nauwkeurig omschrijven.

Hij komt dan tot de volgende uitspraak: De erfzonde schijnt hem te zijn: “een erfelijke slechtheid en verdorvenheid van onze natuur, die in alle delen van de ziel verspreid is; die ons in de eerste plaats schuldig maakt aan Gods toorn en verder ook in ons de werken voortbrengt, welke de Schrift de werken van het vlees noemt”.

Die natuurlijke verdorvenheid van de mens noemt de apostel ook wel zonde. De wérken die hieruit voortkomen: zonden. In Rom. 7 : 15 en 17 schrijft de apostel: Hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zónde, die in mij woont.

Schuldig aan andermans zonde?

In alle delen van onze natuur zijn wij zo verdorven en verkeerd, dat wij reeds alleen om die verdorvenheid terecht veroordeeld en schuldig verklaard zijn. Immers: God behaagt niets dan rechtvaardigheid, onschuld en zuiverheid. Dus wanneer we zeggen dat wij door de zonde van Adam schuldig geworden zijn voor het oordeel Gods, dan moet dat niet zó opgevat worden, alsof wij zelf onschuldig zijn en vrij uitgaan. Dat wij onschuldig de schuld van Adams misdaad dragen. Neen, wij zijn allereerst door Adams overtreding “met de vloek bekleed”. Echter niet alleen zijn straf is op ons overgegaan “maar ook zetelt in ons de smét, die van hem in ons gedruppeld is en die met recht behoort gestraft te worden”.

De kerkvader Augustinus noemt de erfzonde weleens “de zonde van een ander”. Hij zegt dat echter niet om óns daarmee te verontschuldigen, als hadden wij zélf geen schuld en als zouden wij om de zonde van die ander onschuldig gestraft worden. Hij verzekert dat deze zonde “door voortspruiting in ons geleid wordt”. Daardoor is Adams zonde ook ónze zonde geworden.

In Romeinen 5 : 12 schrijft de apostel Paulus dat de dood tot álle mensen is doorgegaan. Waarom? Omdat allen gezondigd hebben. Dat wil volgens Calvijn zeggen: dat alle mensen in de erfzonde, dat is Adams verdorvenheid en slechtheid, verwikkeld zijn. En omdat allen in de erfzonde verwikkeld zijn, moeten alle mensen sterven. Dat is de straf op de zonde.

Het zaad van de zonde in de kinderen.

Daarom zijn ook onze kleine kinderen reeds voor hun geboorte door hun eigen zondige natuur schuldig voor God. Calvijn schrijft in dit verband: “dat ze hun eigen verdoemenis van de moederschoot met zich brengen”. Maar zij hebben toch nog geen kwaad gedaan? (Hoe dikwijls spreekt men niet over dat onschuldige kind”) Inderdaad hebben ze de vruchten van hun ongerechtigheid nog niet voortgebracht, maar het záád van de ongerechtigdheid ligt in hen reeds besloten: “ja zelfs is hun gehéle natuur een soort zaad van de zonde”. Een natuur die daarom hatelijk en verfoeilijk is voor God. Dat is het eerste: onze boze natuur stelt ons vanaf de moederschoot schuldig voor God.

De oven en de vlammen.

Het tweede is dat die natuurlijke verkeerdheid in ons nooit werkeloos is. Die natuurlijke slechtheid brengt in ons voortdurend nieuwe vruchten voort, die Paulus dus de “werken van het vlees” noemt. Om dit te verduidelijken gebruikt Calvijn het beeld van een oven. (uiteraard een oven uit zijn tijd). Wanneer die oven aangestoken is en gaat branden dan blaast hij vlammen en vonken uit. Zo is het ook met de natuurlijke bronnen die zonder ophouden water opspuiten. Zó hebben wij de verhouding tussen de zónde (die in ons woont) en de daadwerkelijke zonden te zien.

Tenslotte: sommigen hebben gezegd dat de erfzonde een gemis van onze oorspronkelijke gerechtigheid is. Maar daarmee is de kracht en de aktiviteit van de erfzonde volgens Calvijn onvoldoende uitgedrukt, “onze natuur is niet alleen beroofd en ontbloot van het goede, maar ook zo rijk en vruchtbaar aan alle mogelijke kwade dingen, dat ze niet werkeloos kan zijn”.

Institutie II, I, 8.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Laus Deo 64.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken