Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De droefheid naar God 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De droefheid naar God 2.

13 minuten leestijd

In het vorige artikel stonden we vooral stil bij het verschil tussen de "droefheid der wereld” en de "droefheid naar God”. Beide uitdrukkingen komen voor in Paulus’ bekende woorden in 2 Cor. 7 : 10: "Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt de dood”. We hebben gezien dat het bij de droefheid der wereld gaat om zondige vormen van verdriet en verbittering waarin men met God niet rekent, Hem niet nodig heeft, of zich van Hem afkeert. In de droefheid naar God keert men zich echter - ootmoedig - naar de Heere toe.

We kunnen de vraag stellen: Hoe ontstaat die droefheid naar God? Hoe is het mogelijk dat een mensenkind dat zich door de zonde van God heeft afgekeerd ootmoedig naar God gaat zoeken. De Schrift maakt ons duidelijk dat die droefheid ontstaat als ons hart wordt gebroken. Ons hart is van nature hard. Het is gesloten voor God en Zijn Woord. Daarom zoekt het ook niet naar God, maar keert zich van Hem af in zelfhandhaving en trots. Maar als het verzet van dat harde hart gebroken wordt, dan wordt het hart geopend voor de Heere. Het wordt bedroefd over de zonde en gaat zoeken naar Hem en naar Zijn genade. Vandaar dat ook de engelse puritein Thomas Watson schrijft dat de droefheid naar God in de Schrift hetzelfde is als het gebroken worden van het hart.

Hoe wordt ons harde hart nu eigenlijk gebroken? Hoe ging dat bij de Corinthiërs van wie Paulus schrijft dat ze bedroefd waren geworden naar God? Het is duidelijk.dat die droefheid in Corinthe ontstaan was toen de harten geraakt waren door het Woord van God. Paulus had hun immers in zijn “bittere” brief het Woord van de levende God voorgehouden. Dat woord was door de werking van de Geest een messcherp zwaard geworden. Het had hun harten diep getroffen. Toen was hun afkeer en verzet gebroken. Onder het zwaard van het Woord waren hun stenen harten verbroken. En zo’n gebroken hart gaat als het ware bloeden.

Het wordt bedroefd naar God.....

Daarbij mogen we niet vergeten dat de harten van de Corinthiërs getroffen en verbroken werden omdat Gód hen ontmoette in het gewaad van Zijn Woord. De droefheid naar God werd niet bewerkt door de welsprekende of ontroerende manier waarop Paulus hen in zijn “bittere” brief had aangesproken. Neen, toen die woorden als een zwaard hun hart binnendi’ongen, lazen ze die brief niet alleen meer als woorden van de apostel. God Zélf sprak in deze woorden tot hen. Hij sprak hen aan in het gewaad van Zijn Woord. Toen moeten ze hebben ingezien dat ze niet slechts Paulus reden tot bezorgdheid, verdriet en verontwaardiging hadden gegeven. Boven dat alles hadden ze tegen de Heere gezondigd, tegen Hem die volkomen goed, genadig, heilig en rechtvaardig is. Toen ze dat beseften brak hun hart. Ze werden bedroefd dat ze tegen déze God gezondigd hadden.

Hiermee is duidelijk geworden dat de droefheid naar God een werk van God is. Die droefheid ontstaat wanneer Hij door Zijn Woord en Geest harde, stenen harten verbreekt zodat ze Hem gaan zoeken. Juist omdat die droefheid naar God een werk van God is, heeft ze zoveel kanten. Ook in dit werk van God wordt namelijk iets zichtbaar van Zijn veelkleurige wijsheid. We kunnen de werken van de Almachtige vergelijken met kostbare edelstenen die in het licht van de zon een steeds diepere gloed vertonen en steeds nieuwe kleurschakeringen laten zien. Dat is zeker ook waar met betrekking tot de droefheid naar God. In het vervolg van dit artikel - en in het volgende - willen we proberen een enkele lichtstraal vanuit deze edelsteen op te vangen. Dat betekent dat we vanuit de Schrift enkele karakteristieke kenmerken van de droefheid naar God willen belichten.

Naar Gods bedoeling

Er is al talloze malen op gewezen dat de uitdrukking “de droefheid naar God” verkeerd kan worden opgevat. De betekenis lijkt te zijn: de droefheid die naar God uitgaat, die zich op Hem richt. Toch is dat niet de allereerste betekenis. De oorspronkelijke woorden willen vooral zeggen dat deze droefheid naar Gods wil, of, liever nog, naar Gods bedoeling is. Niet elke droefheid beantwoordt aan Gods bedoeling. Zo keurt de Heere duidelijk de droefheid der wereld af. Dat kan ook niet anders, want die droefheid werkt de dood. En overal in de Schrift wordt ons betuigd dat God de dood van de zondaar niet zoekt (Vgl. o.a. Ezech. 33 : 11). Maar de droefheid naar God is wél in overeenstemming met Gods diepste bedoelen. Aan die droefheid hecht Hij ook Zijn hoge goedkeuring. Deze droefheid is namelijk volgens Paulus’ eigen woorden in 2 Cor. 7 : 10 onlosmakelijk met de bekering verbonden. En God heeft juist “daarin lust dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve” (Ezech. 33 : 11). Daarom ziet Hij ook in ontferming neer op hen die naar Hem droefheid zijn. Herhaaldelijk wordt met name in de Psalmen beleden dat de Heere de bedroefden en gebrokenen van hart niet aan hun lot overlaat, maar in genade aan hen denkt. Heel bekend zijn de woorden uit onze berijming:


“God is ’t verbroken hart,
’t verbrijzeld en bedrukt gemoed
ten allen tijd’ nabij en goed
in tegenheid en smart”.


(Psalm 34 : 9).

En haast nog vertrouwder klinken de ontroerende woorden uit Davids boetepsalm:

”Gods offers zijn een gans verbroken geest,
door schuldbesef getroffen en verslagen.
Dit offer kan Uw heilig oog behagen,
’t is nooit, o God, van Uveracht geweest“.


(Psalm 51 : 9).

We zouden hier de vraag nog aan toe kunnen voegen: Waarom beantwoordt deze droefheid aan Gods bedoeling; Waarom keurt Hij haar goed; Waarom ziet Hij in gunst en ontferming neer op een gebroken hart? Het antwoord is eigenlijk heel eenvoudig: Omdat deze droefheid Zijn eigen werk is. Hij Zélf heeft het hart gebroken. En Hij verheugt zich in de werken van Zijn handen. Hij verheugt zich als harde harten bedroefd worden over de zonde en zich tot Hem om genezing wenden, want juist daarin wordt Hij verheerlijkt!

Zonde als zonde tegen God

In de droefheid van een verbroken hart gaat het daarom ook om een verdriet over de zonde als zonde tegen God. We kunnen namelijk op alle mogelijke manieren verdriet hebben dat verband houdt met of veroorzaakt is door onze zonden. Iemand kan het moeilijk hebben met de onvolkomenheden in zijn leven. Hij zou veel dingen graag beter willen doen, nog méér willen bereiken, maar het lukt maar niet. Hij is ervan doordrongen dat dat veroorzaakt wordt door de gebrokenheid ten gevolge van de zonde. Daar gaat hij onder gebukt, maar dat is nog geen verdriet over de zonde als zonde tegen God. Het is ook mogelijk dat iemand lijdt onder de concrete gevolgen van een bijzondere zonde. Thomas Watson noemt in dit verband het voorbeeld van een dief die op heterdaad wordt betrapt. Als die man naar de gevangenis wordt gebracht, zal hij zich zeker ellendig voelen, maar dat is meestal niet zozeer omdat hij gestolen heeft, maar omdat hij gevangenisstraf moet ondergaan! Een duidelijk bijbels voorbeeld van iemand die diep ontzet was over de gevolgen van zijn zonden maar niet over de zonde zelf is Farao van Egypte toen de tien plagen het land teisterden. Op een gegeven ogenblik is Farao zo vernederd onder de oordelen van God dat hij belijdt dat hij gezondigd heeft (Vgl. Ex. 9 : 27). Maar dat is geen droefheid over de zonde die hij tegen de Heere gedaan heeft. Integendeel, hij wil van de straf/en op zijn zonde af. Als de sprinkhanen en de veepest, het vuur en de hagel voorbij zijn, dan is ook zijn berouw verdwenen. Want een berouw dat alleen tobt over de gevolgen van de zonde smelt uiteindelijk weg als sneeuw voor de zon. Ik denk dat we daar allemaal wel iets van weten. Als je bijvoorbeeld als kind - of ook in later jaren! - iets deed waarvan je wist dat het verkeerd was, dan voelde je je diep ellendig vlak nadat het gebeurd was. De zonde liet een bittere smaak na. Op zo’n moment nam je je voor dat je zoiets nooit meer zou doen. Waarom eigenlijk? Was het meestal niet omdat je een hekel had aan die nare nasmaak die het naliet? Maar als dat ellendig gevoel verdwenen was, dan was ook meteen alle verdriet en berouw weg. Daarmee is duidelijk dat het alleen een droefheid was over de gevolgen van de zonden niet over de zonde zelf.

Wat is dat dan: Droefheid over de zonde als zonde tegen God? Laat het duidelijkzijn dat ook deze droefheid de gebrokenheid van het leven ziet. Ook zij heeft oog voor de gevolgen van de zonde en proeft de bittere smaak die de zonde nalaat. Maar daar blijft het niet bij! Wanneer we werkelij k naar God bedroefd worden, is het ons grootste verdriet dat we tegen de Heere gezondigd hebben en dat we daardoor Hem missen! We hebben dan de Heere ontmoet in Zijn Woord en bij het licht van Zij n Geest hebben we ontdekt hoe groot Hij is in Zijn heiligheid en gerechtigheid, in Zijn goedheid en genade. We zijn er ook van doordrongen geraakt dat Hij het zo waard is om gediend en geëerd te worden. Daarom doet het ons ook zo’n verdriet dat we tegen deze God gezondigd hebben. Dan is het ergste niet meer dat de zonde ellende over ons bracht of een bittere nasmaak gaf, maar dat we tegen Hem gezondigd hebben. Dat komt onder meer hierin tot uitdrukking dat we niet alleen maar vragen of allerlei ellende en moeite uit ons leven wordt weggenomen, we gaan onze zonde voor de Heere belijden. Dat wordt dan toch eigenlijk de grondtoon van ons gebed: Wij hebben tegen U gezondigd! Sprekend is in dit verband een vergelijking tussen Farao en David. Toen Farao’s land geteisterd werd door de slagen van Gods straffende hand beleed hij zijn schuld niet werkelijk, bad hij ook niet of God zijn harde hart wilde verbreken, vroeg hij ook niet om vergeving. Koning David heeft ook eens het oordeel van God over zichzelf en over zijn volk gehaald toen hij tegen Gods bevel het volk liet tellen. Wat was toen het eerste dat David bad? Vroeg hij of de Heere de gevolgen van zijn zonde ongedaan wilde maken en de straf wilde wegnemen? Neen, dat was niet het eerste dat de koning aan de Heere te zeggen had. Dit was zijn bede: “Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o HEERE, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan” (2 Sam. 24 : 10). David komt voor de Heere in de schuld en belijdt dan ook ootmoedig dat hij tegen Hem gezondigd heeft. Daarom vraagt hij ook niet allereerst of de Heere de gevolgen van zijn zonde wil wegnemen, neen, hij bidt: Neem mijn misdaad weg! Hij vraagt dus om genade. Dat is een ander karakteristiek kenmerk van de droefheid naar God: Als we bedroefd worden over de zonde als zonde tegen God, weegt de zondelast zwaar op ons hart. We gaan dan ook voor God belijden en we gaan smeken om genade en ontferming.

Innerlijke droefheid

De droefheid over de zonde raakt natuurlijk heel ons leven. Toch is het goed om met nadruk te stellen dat deze droefheid allereerst een zaak van het hart is. De Schrift waarschuwt ons namelijk heel scherp voor allerlei vormen van religie die zich alleen maar bezig houden met de buitenkant van het leven en niet uit het hart opkomen. Er kunnen uiterlijke manifestaties van een zekere ernst of zelfs wel van berouw zijn, maar dat garandeert niet dat het hart verbroken is! De Heere Jezus waarschuwt voor de fari-zeese gewoonte om tijdens het vasten een extra treurig gezicht te zetten. Heel onthullend zegt Hij daarvan: “Zij mismaken hun aangezichten opdat zij van de mensen gezien mogen worden” (Matth. 6 : 16). In dit verband is de ernstige waarschuwing van de O.T.ische profeet van blijvende betekenis: “Scheurt uw hart en niet uw klederen” (Joel 2 :13). Het scheuren van de klederen was een uiterlijk teken van verdriet en rouw, maar het is duidelijk dat volgens dit profetische Woord de Heere geen genoegen neemt met berouw dat alleen uiterlijk zichtbaar is. Het gaat om het hart!

Dit betekent natuurlijk niet dat de droefheid over de zonde nooit zichtbaar zou mogen worden, of dat de bekering geen verandering met zich mee zou brengen die ook uiterlijk zichtbaar is. Het tegendeel is waar. Iemand die de droefheid naar God kent, zal soms zeer bewogen zijn als hij zijn hart in het gebed voor de Heere uitstort. Hij zal ook ontroerd woren, als het Woord dat gepredikt wordt zijn hart raakt. Dat zal niet altijd verborgen kunnen blijven en het hoeft ook niet krampachtig weggedrukt te worden. De Schrift moedigt ons nergens aan tot een soort stoïcijnse levenshouding, waarin het tonen van elke emotie of bewogenheid wordt afgekeurd. Niettemin maant het Woord ons wel tot voorzichtigheid: Zo heel gemakkelijk proberen we door wat uiterlijke ernst of bewogenheid indruk te maken op anderen. Dan is de waarschuwing van de Heere Jezus zeker op zijn plaats om niet met ons berouw te koop te gaan lopen: “Maar gij.....toont geen droevig gezicht, maar zalft uw hoofd en wast uw aangezicht” (Vgl. Matth. 6 : 16 en 17). Trouwens, als ons hart werkelijk verbroken is zal het meeste daarvan verborgen blijven voor anderen. Het is vooral een zaak tussen God en ons, heel persoonlijk.

Waarom is deze droefheid eigenlijk in de eerste plaats een zaak van het innerlijk? Naast de dingen die al aangestipt zijn moeten we toch vooral op een belangrijk punt wijzen. Als ons hart verbroken wordt zien we heel scherp dat vooral het hárt de bron, de bakermat van onze zonde is (Vgl. b.v. Mark. 7 : 21-23). Daarom krijgen we vooral te stellen met het eerste opbruisen van de zonde in ons hart. Terecht zegt Watson: “Wie verbroken is van hart heeft verdriet over de wortel van de zonde, ook al zou die nooit opgroeien tot de (zondige) daad.....Hij betreurt van harte de zonden van het hart”.

(wordt vervolgd)

Middelharnis

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 mei 1989

Bewaar het pand | 4 Pagina's

De droefheid naar God 2.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 mei 1989

Bewaar het pand | 4 Pagina's

PDF Bekijken