Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit het leven van Titus Klose 1.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit het leven van Titus Klose 1.

8 minuten leestijd

Titus had vrome ouders, maar toch wandelde hij al in zijn jeugd op de paden der zonde. Dat kwam omdat zijn ouders hem op een kostschool hadden gedaan, waar de vreze des Heeren niet woonde.

Toen hij volwassen was geworden was hij volleerd in het kwade. Hij stond niet in de achterste, maar in de voorste gelederen van het leger van satan. Hij diende zelf de Heere niet, maar hij kon ook niet dulden dat anderen dit deden. Ja, hij was een vervolger van Gods kinderen.

Zijn grootste liefhebberij was om de bijeenkomsten van de vromen uiteen te jagen en de openbare godsdienstoefeningen in de kerk te verstoren. Door zijn goddeloos en lichtzinnig leven was hij zo berucht en gevreesd, dat zijn naam tot een spreekwoord werd in de streek waar hij woonde.

Op zekere dag maakte hij met enige kameraden een pleziertochtje op zee. Het ontbrak niet aan drank en kaarten. Het leven aan boord was zo goddeloos, dat het was alsof de duivel zelf met zijn trawanten aanwezig was.

Terwijl dit goddeloze gezelschap druk bezig was met lachen, spelen, zingen, vloeken, stak er een geweldige storm op en brak er een vreselijk onweer boven hun hoofden los, zodat het scheepje in de afgrond dreigde te verzinken. Velen, die even tevoren nog de Naam des Heeren gehoond en gelasterd hadden, deden als de scheepslieden van Jona, ze vielen op de knieën en smeekten aan de troon der genade om behoud van het leven.

Klose echter stond bij dit ontzettende schouwspel met een honende glimlach op zijn gelaat. “Kom, Jack!” riep hij, terwijl hij een van de verschrikte vrienden bij de arm greep, “schaam je je niet? Wil je vroom gaan worden om een paar regendroppels en een schot uit de hemelse kanonnen? Hier, neem een hartsterking uit deze fles en ga mee naar de kajuit, dan zullen we daar een spelletje kaarten. Ik speel een spel met je, om hemel of hel.”

Wat een verschrikkelijke taal. De dichter zegt ervan: Hun mond tast zelfs de hemel aan.

Ontsteld hoorde de aangesprokene deze lichtzinnige taal aan, te midden van de ontzaggelijke tekenen van Gods majesteit. Maar mogelijk schaamde hij zich voor Klose of was hij half dronken, in elk geval, hij liet zich door hem overhalen. Beiden zetten zich aan het kaartspelen, terwijl de bodem die hen droeg in groot gevaar was en her- en derwaarts werd geworpen.

“Ik zeg je, Jack”, riep Klose, terwijl hij de kaarten schudde en zijn stem verhief om het geraas van de storm te overschreeuwen, “ik zeg je, zowaar als mijn ziel van de duivel is, dat ik, zo wij hier heelhuids afkomen, aanstaande zondag een storm blazen zal, waarbij deze nog maar een ademtocht is. Kom, speel op, jij bent aan de beurt!”

“Bij alle boze geesten, Titus”, antwoordde de ander, terwijl hij de kaarten neerlegde en hem verbaasd aanstaarde, “zo waar als wij met dit schip regelrecht in de kaken van de dood zeilen, je maakt het mij toch te erg. Ik dacht, dat ik al wat mans was, maar in jou is de duivel zelf gevaren. Ik kaart niet meer, wat je ook moogt zeggen; het is nu geen tijd om kaart te spelen.”

We willen het gesprek van deze goddeloze mensen niet verder verhalen. We zouden vrezen onze lezers getuigen te maken van schouwspelen die geen godvruchtige zonder afschuw kan bijwonen.

Ook de Heere in de hemel aanschouwde de samenknoping van ongerechtigheid, die hier, temidden van de worsteling van de elementen, boven de peilloze afgrond plaats vond om Zijn lankmoedigheid te tergen.

Na enige uren bedaarde de storm en het goddeloze gezelschap kwam weer behouden aan wal.

“Nu vrienden!”, riep Klose, terwijl zij afscheid van elkaar namen, “aanstaande zondagmorgen komen jullie allen te paard voor mij deur en dan gaan we naar Stamfoxe! Daar zullen wij die vrome winkel eens uit elkaar jagen!”

“Afgesproken!” riepen enige stemmen en onder het zingen van goddeloze liederen ging het gezelschap uiteen.

Op een half uur afstand van het dorp Stamfoxe staat een eenvoudige woning. De weg daarheen is een van de bekoorlijkste van geheel Engeland. Maar in de tijd waarin wij ons verplaatsen, is hij nauwelijks begaanbaar vanwege het noodweer. De regen stort in stromen op de aarde en de wind vervult het dal met een ontzettend geraas.

In dat huis woont de predikant Samuel An-near. De arme man! Het is zondagmorgen. Hij moet naar Stamfoxe om aan de vergaderde gemeente het goede Woord te prediken.

Het is geen wonder, dat hij met een bedrukt gelaat zijn kamer op en neer loopt. Reeds tweemaal heeft hij zijn woning verlaten om naar de kerk te gaan, maar hij is ook twee keer halverwege teruggekeerd. Het was ook geen weer om van een mens te vergen daarheen te gaan en dan in natte kleren een paar uren te staan prediken.

“De man had wel gelijk dat hij maar teruggekeerd was. Zijn gemeente zou al zeer onredelijk moeten zijn als die hem kwalijk nam, dat hij haar tevergeefs liet wachten”, zo denkt misschien menige lezer, maar zo dacht de waardige Annear niet. Hij was wel in veel stuurser weer naar de kerk gegaan en was dus hier niet bang voor. Het was voor hem geen vreemde zaak om bij slecht weer, zelfs in de open lucht onder een parapluie of op een handkar een paar uur achtereen het evangelie te verkondigen. Hij mocht dan om een of andere reden teruggekeerd zijn, maar het was zeker niet om het onstuimige weer. Maar waarom dan wel?

Laten we het huis binnentreden. Dan zullen we de reden vernemen uit een gesprek tussen de leraar en zijn echtgenote.

“Ik bid je, om des Heeren wil, lieve Samuël”, zo sprak de predikantsvrouw, “laatje toch zo niet ontmoedigen; keer weerom en God zal je zeker zegen op je werk geven.”

“Maar lieve kind”, zo antwoordde de predikant met tranen, “je weet niet wat het mij kost. Laat iedereen de kansel beklimmen, maar niet ik. Ik zou wel met Job willen uitroepen: “Vervloekt is de dag, waarop ik geboren werd.” En vooral de dag, waarop ik voor het eerst de kansel beklom. Ik word er hoe langer hoe meer in mijn gemoed van overtuigd, dat God mij tot dit heilig en gewichtig werk niet geroepen heeft. Ik heb dit eigener beweging aangevangen, want ik deug er niet voor, geloof mij, ik deug er niet voor.”

“Hoe is het mogelijk, Samuël, dat jij dit zegt! Er zijn mogelijk vele predikanten, die meer talent en beter voordracht hebben dan jij, maar het Woord datje verkondigt, is toch het Woord Gods en je gemeente hoort je toch graag. Je hebt altijd vele toehoorders en de mensen komen soms uren ver om je te horen.”

“Ijdelheid, nieuwsgierigheid!” hernam de predikant. “Heb je ooit gehoord dat er iemand onder mijn prediking is bekeerd geworden? En waar dat niet geschiedt, daar is het immers duidelijk, dat de Heere er Zijn zegen aan onthoudt. Wat baat mij de goedkeuring en bewondering van de mensen? Die zullen mij voor God niet rechtvaardigen. Altijd als ik naar de kansel ga gevoel ik een zware beklemdheid op mijn hart. Het is alsof een stem in mijn binnenste roept: “Wat vermeet gij u dit hoge en heilige werk te verrichten? Wie heeft er u toe geroepen, o zondaar! Gij hebt eerder zelf nodig dat anderen u prediken.”

“Een zondaar!”, zei zijn vrouw, “ach, zijn wij, zijn al de dienstknechten des Heeren geen arme zondaren in zichzelven! Jezus zendt geen engelen om het dierbare evangelie bekend te maken!”

“Ja, maar zo’n groot zondaar als ik ben! Als Titus Klose, die hier in de omtrek als de grootste vloeker en godslasteraar bekend staat, de preekstoel beklom, zou ik denken, dat hij er nog eerder toe geroepen was dan ik, want er staat geschreven: “Hoeren en tollenaren zullen u voorgaan in het Koninkrijk Gods.” En bij de mensen is hij zeker een groot zondaar, terwijl ze mij als een heilige beschouwen. Maar voor God, Die de harten doorziet, is hij misschien een heilige bij mij vergeleken. Want zulke goddeloosheden als er dag bij dag in mijn binnenste opstijgen, komen Klose stellig nooit in de gedachten. Daar ben ik zeker van!”

Wordt vervolgd.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Uit het leven van Titus Klose 1.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1989

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken