Bekijk het origineel

Vragen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vragen

9 minuten leestijd

Van tijd tot tijd komen er vragen op mij af. Op zich een goede zaak, want men wil weten. Die vragen komen uit eigen gemeente, maar ook van buitenaf. Ze worden per brief mij voorgelegd, maar ook mondeling. Het laatste zo tijdens kontakt. Ook wanneer een zondag in een andere gemeente wordt doorgebracht. Nu zijn er enkele vragen, waarop ik wil ingaan. De eerste raakt de vakantie. De vraag was: mag men wel met vakantie? Gaat een kind van God met vakantie? Geen onbelangrijke vragen, daar allen vrije dagen hebben. Het begint al bij de kinderen. Hoeveel vrije dagen hebben die niet in een jaar en dat is op zich geen naoorlogsverschijnsel.

De oudsten onder ons hadden al vrije schooldagen. Wat minder dan nu, maar ze waren er. In de dertigerj aren was er de kerst-, paas-, pinkster- en zomervakantie. Nu was er in die tijd voor de werkende staan weinig vrije tijd. En de winkeliers moesten werken van maandag tot zaterdag. Sommigen zelfs tot zaterdagavond. Zelf weet ik het. Mijn vader had ’s zaterdagsavonds de zaak open tot tien uur. Zo tegen tienen kwamen de laatste klanten. Meestal uit gezinnen waar gebrek was. De resten groente en fruit werden tegen een bepaalde prijs aan hen verkocht, of zo weggegeven. Dat zo weggeven kwam nogal eens voor en dat niet alleen op zaterdagavond.

Veel heb ik het gezien. Hierdoor werd een goed levensvoorbeeld meegegeven. Thuis leert men veel voor het leven. Wanneer de zaak gesloten was moest er opgeruimd worden, want ’s maandags was de zaak weer tijdig open en vooral in de zomertijd moest men eerst nog naar de markt voor verse groente. Zo was de gang week in, week uit. En kwam daardoor de zondag in gedrang? Beslist niet! Men ging ’s zondags kerkwaarts. Na een drukke werkweek, en sommige weken waren topweken, was het niet uitslapen. De zondag was voor de kerkdienst. Na de oorlog zijn de werktijden veranderd geworden, ook kwamen er vaste sluitingstijden en dagen waarop men gesloten moest zijn. De vijfdaagse werkweek vond ingang. De vrije zaterdag kwam er. Het werd toegejuicht. Of men had kritiek. Nu wordt er niet meer over gesproken. Nu is het een vanzelfsheid voor ieder. Zendingsdagen of andere dagen die voorheen bijvoorbeeld op woensdag werden gehouden, zijn nu geplaatst op de zaterdag. En daar we in de trend van de vrije dagen zijn gekomen, de één meer en de ander minder is bezinning op die dagen gewenst.

Bijzonder wanneer we in gezinsverband staan, want we staan en leven niet op een eiland. De kinderen hebben veel vakantiedagen en men heeft zelfs verplichte vrije dagen. Men is aan bepaalde weken gebonden, want het bedrijf ligt stil. Nu is er in menig gezin een vaste regel gekomen. De vulling van de vrije dagen is een belangrijk gesprekspunt in het gezin. Men wil verantwoord bezig zijn. Men bezint zich er op: wat kan en wat mag. Een goede zaak, wanneer men zo bezig is. Ook in belang van de ouder wordende jeugd. Die jeugd steeds bij het gesprek te betrekken is noodzakelijk. Ook hun gedachten moeten besproken worden. Men moet in alles bezig zijn om de eenheid in het gezin te behouden. Nu moet door een ieder in het oog gehouden worden dat niemand om de vrije dagen heen kan. Ze zijn er.

Uiteindelijk waren ze er in het verleden voor bepaalde categorieën ook. Het onderwijzend personeel had een aantal vrije weken. Dit werd als een vanzelfsheid aanvaard. Ook maakte niet één schoolbestuur kritiek op het feit wanneer de meester of juffrouw een week of langer buiten de plaats was. Met vakantie ging. Nu in de gezinnen de vrije dagen gekomen zijn meen ik niet dat het ongeoorloofd is, in gezinsverband ergens heen te gaan. Wat voor bepaalde categorieën geoorloofd is, mag voor anderen niet uitgesloten worden. Ik noem dit een inconsequentie. Ook moet men geen verschil maken tussen daagjes weg en een week of veertien dagen weg. Weg is weg.

Ook mag er niet gemeten worden met twee maten. Voorbeelden daarvan zijn mij bekend. Ook voorgangers moeten eerlijk zijn ook tenaanzien van zichzelf tegenover gemeenteleden. Een week doorgebracht op een boerderij is ook werkonderbreking. Is men principieel tegen ‘weggaan’ laat men dan zijn vrije dagen benutten in het bijstaan van zieken, gehandicapten.

Echter wie kinderen heeft, denke wel aan de taak en opdracht. Laat het leven in het gezin niet een last gaan worden voor de kinderen. Laten ze ook niet hun gang kunnen gaan. Of legt geen grondslag tussen de vijf en de tien zodat ze na veertien hun weg zoeken. Veel wordt gevraagd vandaag. Het is mij bekend. Maar veel kan gedaan worden. En de vrije dagen kunnen fijne dagen worden. En dat zullen ze zeker zijn wanneer er twee dingen het gezinsleven beheersen. Goed overleg en gebed. Gebed en gesprek. Gesprek over waar men heen gaat. Waar men verantwoord heen kan gaan. En wat kan het goed zijn met elkaar. Wat kan de verhouding groeien in de vrije dagen tussen kinderen en ouders en omgekeerd. Die dagen moeten daar ook voor benut worden. Met elkaar te zijn in de vrije natuur, in Gods schepping, wat met elkaar bezoeken, elkaar op wat wijzen en er over spreken, dit alles is geen vruchteloze bezigheid. En kan een kind van God zo bezig zijn? Jazeker! De Schrift hebben we daarin niet tegen, maar mee. Hoe wordt Gods natuur niet veelzijdig getekend.

Hoe worden we niet gewezen op dieren, bloemen, bomen, bossen en bergen. Zeeën en rivieren. En mag mijn oog daar niet op gericht zijn? Mag ik daarvan niet genieten? Was het maar steeds, en dan zo gelijk Calvijn het gezegd heeft: “Lezen in het boek der natuur door de bril der Schriftuur”.

De andere vraag ligt op een geheel ander vlak. Echter niet onbelangrijk. Men kan er zelfs betrokken bij raken, vandaar dat ik ook daarop wil ingaan. Het ging nl. over het opnieuw belijdenis doen. Men vond dit een onoverkomelijk bezwaar. Het was nl. zo door omstandigheden wilde men zich aansluiten bij een gemeente, van een ander kerkverband. Men kon zich in de prediking en het gemeentelijk beleid vinden. Maar, nu kwam de grote maar: men moest opnieuw belijdenis doen. Wel niet in het midden van de gemeente maar wel voor de kerkeraad. Daarvoor waren er twee onoverkomelijke bezwaren. Men had belijdenis gedaan en dat bewust. Tevens waren in het belijdenisuur dezelfde vragen gesteld, waarop men voor de kerkeraad bij overkomst het “ja-woord” moest geven. Er werd wel gezegd door de predikant Uw ja-woord voor ons raakt alleen uw leven, dus dat U zult leven naar het Woord, maar terecht werd opgemerkt leer en leven mogen niet gescheiden worden. De leer heeft alles te maken met het leven. Men kon daarom onmogelijk belijdenis doen. Men kon zich kerkelijk niet aansluiten. Nu werd mij gevraagd: wat zou U doen? Niet aansluiten! Was mijn antwoord. Want opnieuw belijdenis doen, betekent dat er toch een streep wordt gehaald door een belangrijke daad in het leven. En dat niet alleen. Er ligt ook in besloten een niet meer kunnen staan achter, wat men beleden heeft inzake eigen kerk. Immers de vraag was: “verklaart en erkent gij, dat gij de leer van onze kerken voor zover gij die geleerd, gehoord en beleden hebt, houdt voor de ware en zaligmakende leer overeenkomende met de Heilige Schrift?”

Vanaf de dagen der reformatie is het zo geweest, wie eenmaal belijdenis had gedaan, werd niet genoodzaakt dit opnieuw te doen. In een heel bijzonder geval, ging de kerkeraad er toe over belijdenisvragen te stellen.

Leer en leven of één van beide waren in geding geweest.

Aan deze regel houden we ons als kerk en ik geloof dat dit de juiste verantwoorde gang is naar Schrift en belijdenis. Natuurlijk mag en moet grondig onderzocht worden de reden van aansluiting bij de kerk.

Men mag niet doen aan zieltjeswinnerij. De kerk is geen vereniging, maar een vergadering. Een vergaderingdes Heeren. Men moet ook weten bij een overgang is het naar het Woord, dat ik die stap doe en kan ik er van verzekerd zijn, dat het Gods wil is. Want het leven in een kerk, is niet zomaar iets.

Ook in de kerk gaat het om de leiding en lering des Heeren. Wat doet de prediking. Welke vrucht mag ik meenemen het leven door naar de eeuwigheid. Immers in de kerk wordt eeuwigheidswerk verricht.

De kerk, die toelaat, moet ook weten wat zij doet. Handelt zij recht. Vandaar dat de kerkelijke overgang maar niet is een bladzijde omslaan. Het is een hoogst ernstige zaak. Onze ziel en zaligheid zijn er bij betrokken. Prediking, pastoraat en kerkelijk leven kunnen veel doen. Ze geven richting aan het denken, aan het leven. Ja de Heere maakt er gebruik van. De arbeid van Zijn knechten blijft niet ongezegend. Wie dit zoekt, wie dat bemerken mag, krijgt ook een band aan de plaats van de prediking. De kerkgang wordt als onmisbaar gezien. Men kan er niet buiten, want het geloof is uit het gehoor. En het gehoor door het gepredikte Woord. Dit nu geeft binding, echte binding, blijvende binding aan Woord en kerk. Aan kerk en Woord. Vandaar dat er nu voor de Troon zijn, die jaren een eigen plaats in de kerk hadden en die plaats was ook voor hen een sprekende plaats. Een plaats bij de Heere behoud.

Zalig de mens die kan zeggen: “de Heere weet, waar ik ’s Zondags zit. Wat mijn plaats is”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Vragen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken