Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia

9 minuten leestijd

“En de Priesters en de Levieten reinigden zichzelf, daarna reinigden zij het volk en de poorten en de muur....”

Beste jongelui!

Laat ik voor ditmaal beginnen met jullie allen een gezegend 1991 toe te wensen. Want dat kan nog daar dit het eerste blad is wat in dit jaar verschijnt. Jullie hebben het al begrepen, dat met dit blad ook weer een nieuwe jaargang zijn loop is begonnen. Ons blad is nog wel niet oud, maar vijf en twintig jaren is ook niet niets. Het is echt een mijlpaal. Daar mag wel even bij worden stilgestaan. Het is een dankzegging waard dat we al vijf en twintig jaren, zo goed als dat mogelijk is, de aloude beginselen hebben mogen uitdragen. We hopen en geloven, ja weten zeker, dat het in al die jaren niet zonder zegen is geschied. De Heere verbinde er bij de voortduur ook Zijn zegen aan.

Het zal jullie mogelijk ook opvallen dat het blad nu in een nieuw jasje verschijnt. Dat is na al die tijd wel nodig. Wie loopt er nu onder ons vijf en twintig jaren in dezelfde jas? Een nieuwe jas geeft aan de drager een nieuw gezicht. Het is alsof hij er een ander mens door is geworden. Dat is natuurlijk, wat ons blad betreft, maar een denkbeeldige zaak. Want de inhoud zal wel hetzelfde blijven. Niettemin doet de buitenkant toch ook wat. Het zou niet onmogelijk zijn, dat het “nieuwe aanzien” ook nog wat “nieuwe abonnees” zou opleveren. Ik zou zeggen, als jullie in het nieuwe jaar daar nu eens voor zorgden, dan is dat, om te beginnen, al een goed begin. Wat dat betreft, allen veel sterkte toegewenst.

We hebben gehoord dat de Priesters en Levieten moesten worden opgeroepen naar Jeruzalem, met de nodige muziekinstrumenten en allen die daar een goed gebruik van wisten te maken. Het moest een groot volksfeest worden. Want de klaar gekomen muur moest worden ingewijd. Want Jeruzalem was de “stad Gods”. Daarin stond het “huis Gods”. Tegenwoordig hebben we ook “Godshuizen”. Dat zijn de kerken. Nieuwe of verbouwde en herbouwde kerken worden onder ons ook ingewijd. Dat is altijd een plechtig gebeuren. Mogelijk hebben jullie dat wel eens meegemaakt. Als de zaak des Heeren je ter harte gaat, ben je altijd blij als zo iets gebeurt. Dat mag. Ja, dat moet zelfs. Niet om er dan mede in de mens te eindigen, doch om er mede in de Heere te eindigen. Want Die wil ook vandaag nog wonen onder een schuldig volk. Hij zegt toch: Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden? Dat is natuurlijk geen kleine zaak. God in het midden van schuldige mensen. Wat wordt daar weinig aan gedacht. Laten we eerlijk wezen, ook in dit opzicht. Als we daar meer aan dachten, zouden we meer met eerbied vervuld, in het huis des Heeren verkeren. Nu ik deze gedachte heb neergeschreven, laat ik het maar weer aan de lezers over om voor zichzelf de toepassing te maken, en zich af te vragen hoe men in het “huis des Heeren” zich bevindt. Dat zal wel niet altijd zijn zoals het behoort. Als hier het geweten gaat spreken, luister dan naar die stem, en zoek je te gedragen zoals dat behoort.

Toen het volk binnen de muren van Jeruzalem verzameld was, hebben de Priesters en de Levieten zichzelf gereinigd. Daarna reinigden zij het volk en de poorten en de muur. Daar moeten we niet zo maar over heen lezen. Want daar zit voor ons echt wel de nodige lering in. Want dat de Priesters zichzelf reinigden en de Levieten ook, is er een bewijs van dat zij een besef in zich omdroegen van de heiligheid des Heeren. Die kan, krachtens Zijn heiligheid, met alles wat onrein is, geen gemeenschap hebben. Dat zichzelf reinigen wil ook zeggen dat zij een indruk hadden van de onreinheid van zichzelf. Al waren het ambtsdragers, die krachtens hun ambten tussen God en het volk instonden, het waren toch ook maar weer gewone mensen, zondige mensen. Krachtens de zonden onreine mensen. En daarom was het nodig dat zij zichzelf reinigden. Dat ging gepaard met de nodige wassingen en besprengingen met bloed, zo als dit in het oude testament was voorgeschreven. Het reinigen: wassen met water en besprengen met bloed had een symbolische betekenis. Het wees in het oude testament beiden heen naar de reinigende kracht van het bloed van de Heere Jezus Christus. Door dat bloed gereinigd te worden, hadden de Priesters en de Levieten nodig. Doch dat was ook nodig voor het volk en de poorten en de muren. Want de poorten en de muren waren door mensen herbouwd. En dat waren zondige mensen. En aan hun werken kleefden ook de zonden. We belijden het toch, dat onze beste werken met zonden bevlekt zijn? Daar dit toen ook het geval was, moest ook het volk worden gereinigd en over al het werk hunner handen moest het bloed der verzoening gesprengd worden.

Zo is het nu nog. Doch wie denkt daar aan? Wie heeft er nog besef van eigen onreinheid en dat al de werken zijner handen met zonden bevlekt zijn? Dat moet ons echt van hoger hand wel bijgebracht worden, want anders zien we van onze onreinheid totaal niets en zijn we nog al tevreden over de werken onzer handen. Ik denk zelfs, dat als onze werken becritiseerd zouden worden, we wel op onze tanden zouden moeten bijten om niet kwaad te worden. Doch als we door de Heilige Geest er een indruk van krijgen, dat we met een heilig God te doen hebben, “Die te rein van ogen is, dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen”, dan wordt het anders. Dan hebben we voor ons zelf en voor alles wat we doen, de reinigende kracht van het bloed van de Heere Jezus Christus nodig. Dan gaan we er iets van beseffen dat God alleen om Zijnentwil met ons, schuldige mensen te doen kan hebben. Misschien kan het geschrevene er toe dienen, om ons aan deze dingen te doen denken. Het denken aan deze dingen is toch geen overbodige zaak. Want alles wat te voren geschreven is, is tot onze lering te voren geschreven. Dat geldt ook van deze reinigingsplechtigheid.

Toen dit alles was volbracht, werd het volk in twee groepen verdeeld, die in tegenstelling tot elkander een rondgang over de muur moesten maken. Zo is het in het vervolg te lezen: “Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op de muur; en ik stelde twee grote dankkoren en omgangen, een ter rechterhand op de muur naar de Mestpoort toe....”; Dan worden daarna heel wat namen genoemd van de hoofden van het volk. Het was een hele optocht met trompetten en muziekinstrumenten, terwijl bij die eerste groep Ezra, de man Gods, de schriftgeleerde, voorop ging. Hij ging voor hun aangezicht heen. Dan wordt beschreven welke richting zij uitgingen. Zij loofden en dankten den Heere, voor alles wat Hij hun gegeven had te doen.

De tweede groep ging de andere kant uit. Aan het hoofd van die tweede groep ging Nehemia zelf. Voor hem uit ging het muziekkorps, het dankkoor, en achter hem kwam de andere helft van het volk. Jullie kunnen, hoop ik, je de gang van zaken wel voorstellen. De twee groepen liepen in tegenover gestelde richting, net zo lang tot zij elkander tegen kwamen. Men heeft toen elkander in de tempel, het huis Gods ontmoet. Daar kwamen de koren samen en het gehele volk. Het was in de tempel echt een dankdienst waar men met muziek en zang de Heere grootmaakte. “En zij offerden op die dag grote slachtofferen en waren vrolijk, want God had hen vrolijk gemaakt met grote vrolijkheid; en ook waren de vrouwen en de kinderen vrolijk, zodat de vrolijkheid van Jeruzalem van verre gehoord werd”, vs. 43.

De grote slachtofferen die men bracht, zijn dankoffers geweest. Grote offers getuigen van grote dankbaarheid. Dat er ook grote vrolijkheid was bij jong en oud, was niet zonder oorzaak. Zij gevoelden eenparig dat zij jegens de Heere grote dankbaarheid verschuldigd waren. Want dat de muur was herbouwd, dat de Heere Zijn gunst op dit werk had doen blijken, dat hadden zij niet verdiend. Dat was enkel en alleen vrucht van genade. En die genade hadden zij verkregen. Doch altijd in de weg van het offer. En het offer wees altijd heen naar de Heere Jezus Christus, het “ware Lam Gods”, Wiens komst in het vlees nog niet zo lang geleden door ons weer herdacht is geworden. God kon nu weer gemeenschap met Zijn volk hebben op grond van het offer, dat toen nog wel voor-beeldig was, doch dat zijn vervulling heeft gevonden in de Offerande van Christus. Men stond toen nog vóór het heilsfeit. Wij staan er nu achter. Doch de betekenis is dezelfde. Laat ons dat niet vergeten. God kan ook met ons alleen gemeenschap hebben door middel van het Offer. Dat herinnert ons altijd weer aan onze ellende, aan onze schuld. Die is door Zijn leven geboet. Wie dat beseft kan niet anders dan dankbaar zijn. Beleefd wordt dan: Die God is al mijn liefde waardig. En als dat beleefd wordt, dan is men in zijn offer niet karig. Dan gaat, heel eenvoudig gezegd, ook de portemonnee open. Dan zoekt men niet totdat men in het hoekje van z’n portemonnee nog een dubbeltje gevonden heeft. Jullie begrijpen wel wat ik bedoel.

Daar ik altijd nog voor de jeugd schrijf en graag met de jeugd omga, weet ik wel zo’n beetje hoe het met verschillenden van hen gaat. De snoepwinkel is niet zelden meer waard, dan de dienst des Heeren.

Dat geef ik dan ten slotte nog maar even ter herdenking door.

Verder allen hartelijk gegroet van jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken