Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis

10 minuten leestijd

22

Van de vleeswording van Jezus Christus

‘t Lijkt vreemd direct na Pinksteren te schrijven over de menswording van Gods Zoon. Het feit van Christus’ vleeswording en dat van de uitstorting van de Heilige Geest staan voor besef zo ver uit elkaar. Gods Woord echter verbindt die beide met elkaar. Denk maar aan Galaten 4. Eerst spreekt de apostel Paulus van de menswording: “maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden..”. Even later van de komst van de Heilige Geest: “en overmits gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten”. Twee maal lezen we hier hetzelfde woord: “uitgezonden”. God heeft Zijn Zoon uitgezonden vanuit de hemel om volkomen te betalen door Zijn lijden en sterven. Na het volbrachte Middelaarswerk heeft Hij de Geest Zijns Zoons uitgezonden. Pinksteren is de kroon op het gebeuren van de Kerstnacht. En alleen de Heilige Geest doet in de weg des geloofs de zegen ervan kennen in de harten van de Zijnen.

Eénzijdige liefde

Het is niet moeilijk van artikel 17 naar 18 te gaan. God heeft Zichzelf begeven om de gevallen mens te zoeken en de belofte van Zijn Zoon gegeven (17). Nu wordt de lijn van wat God gedaan heeft verder doorgetrokken (18): “Wij belijden dan, dat God de belofte, die Hij de oudvaderen gedaan had door de mond Zijner heilige Profeten, volbracht heeft, zendende Zijn eigen, eniggeboren en eeuwige Zoon in de wereld, ten tijde door Hem bestemd”.

Het is opvallend hoe hier de éénzijdige liefde Gods weer benadrukt wordt. Die liefde spreekt in het volbrengen van de belofte. Trouw en liefde gaan hier samen. God heeft niet nagelaten Zijn Woord waar te maken! Die liefde komt ook uit in het woord: “zenden”. God heeft Zijn Zoon uitgezonden. Hij heeft het gewild in vrije liefde, dat Zijn Zoon in deze wereld vol vloek en ellende zou neerdalen. Hij heeft Hem zo overgegeven aan het lijden en sterven om te betalen aan de eis van Zijn gerechtigheid. Rijk komt hier ook de grootheid van die liefde openbaar in de aanduiding en van Gods Zoon, zoals we die kennen uit de bekende teksten, die ons aanspreken bij het wonder van de Kerstnacht. Hij werd geschonken als Gods “eigen”, als Gods “eniggeboren” Zoon. “Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft” (Romeinen 8:32), “dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft” (Johannes 3:16) en “dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld” (1 Johannes 4:9). God heeft Zichzelf gegeven in het geschenk van Bethlehem. Hij gaf het liefste, dat Hij had. Hij heeft Zich uitgeput in het geven. Het is hier alles vol van de éénzijdige liefde Gods. Liefde die onpeilbaar is, die bewonderd wordt bij de nameloze schuld en ellende van gevallen zondaren.

De volheid des tijds

Christus is mens geworden “ten tijde door Hem - God - bestemd”. Hier is aansluiting aan de uitdrukking in Gods Woord-Galatan 4:4-: “de volheid des tijds”.

Vaak denkt men daarbij aan de omstandigheden bij de komst van Gods Zoon in de wereld, waardoor de tijd rijp geworden is voor het Evangelie. Het grote Romeinse wereldrijk was er toen met een zekere vrede. Er was één wereldtaal in dat rijk, die door velen verstaan werd nml. het Grieks. Er was een bepaalde onvoldaanheid bij de volkeren, waardoor er een uitzien was naar verlossing. Zo was in zekere zin de bodem bereid voor het Evangelie van Christus. Gods Raad had al die omstandigheden zo gemaakt en geleid, dat het Evangelie sneller verbreid kon worden.

Hier is het gevaar niet denkbeeldig, dat wij achteraf van ons-uit gaan bepalen, wanneer Christus moest komen. Het is daarbij trouwens de grote vraag of Galaten 4 zo’n verklaring toelaat. Er is, meen ik, meer reden om te denken aan het einde der bedeling der Wet “toen de zandloper van het oude slaafse bestaan leeg was gelopen”. Dat moment heeft God bepaald. Wij behoeven noch kunnen God narekenen. Het geloof des harten zegt hier alleen: God heeft Zijn Zoon op de preciese tijd geschonken. Anders was er niets van terecht gekomen. Artikel 18 belijdt het wel heel goed: “ten tijde door Hém bestemd”.

De gestalte van een dienstknecht

Christus is gekomen in de gestalte van een dienstknecht. Zo tekent Gods Woord de menswording. De belijdenis spreekt dit na: “Dewelke eens dienstknechts gestaltenis aangenomen heeft en de mens gelijk geworden is, Filippenzen 2:7..”.

Zijn menswording is daad. Hij hééft aangenomen. Iemand kan wel eens zeggen: ik heb naar het leven niet gevraagd. Het is in feite goddeloze taal, miskenning van God, Die het leven gegeven heeft. Niettemin is het wel waar, dat wij in onze geboorte passief zijn. Wij brengen onszelf niet ter wereld. Maar Christus heeft er wél om gevraagd, om het leven, zoals Hij het hier geleefd heeft, van allerhande ellendigheid, dragend de vloek en de doem. Zo is Zijn geboorte daad van Zijn liefde. Hij heeft Zichzelf willen vernederen, het metterdaad gedaan!

Hij was in de hemelse heerlijkheid. In de gestaltenis Gods. Gode evengelijk. Maar Hij heeft het geen roof geacht om zo te zijn. Hij heeft het niet gebruikt voor Zichzelf. Niet naar Zichzelf toegehaald. Dan was er nooit zaligheid geweest voor arme zondaren. Hij heeft prijs gegeven ter wille van hen de heerlijkheid van de hemel en al de eer, die Hij daar van Zijn Vader en de engelen ontvangt. Hij heeft afgezien van de heerlijkheid, van het in-degestaltenis-Gods-zijn, en de dienstknechtgestalte heeft Hij aangenomen. Hij wist wat Hem te wachten stond, dat Hij steeds meer Zich moest vernederen, tot in de dood. Toch zag Hij er niet van af. Hij kwam en boog onder de schuld, onder de vloek van de Wet, als de Knecht aller knechten. Zo werd Hij de mens gelijk. We kunnen wel zeggen: de gevallen mens gelijk. We lezen het hier verder: “Waarachtiglijk aannemende een ware menselijke natuur, met al haar zwakheden..”. Hij verscheen niet in de heerlijkheid van de goed-geschapen natuur van de eerste Adam, maar in de natuur, die door de zonde ontluisterd was. Hij kwam in “de gelijkheid des zondigen vieses”.

Hij bleef God, maar de heerlijkheid van Zijn Goddelijkheid was verborgen achter de wolken van Zijn dienstknechtsgestalte. Onpeilbaar diep is de liefde des Vaders, Die Hem gegeven heeft, maar wie zal Zijn liefde meten, die Zich zó heeft willen vernederen? Een mens, die eigen schuld leert kennen tegenover God wordt het alleen een wonder. Zo’n Zaligmaker is het, Die voor die schuld betaalt.

Uitgenomen de zonde

Christus heeft de ware menselijke natuur ontvangen “uitgenomen de zonde”. Het wordt hier beleden, zoals ook het geheim daarvan: “ontvangen zijnde in het lichaam der gelukzalige maagd Maria door de kracht des Heiligen Geestes, zonder mans toedoen”.

Ieder mens is in Adam begrepen. Voor ons allen geldt: “wie zal een reine geven uit de onreine?”. Er is van ons uit geen verwachting. Wij zijn allen in zonde ontvangen en geboren. Op ons rust de schuld en de doem. Maar nu heeft God Zelf door het wonder van Zijn Almacht wat nieuws geschapen op aarde. Door de ontvangenis van de Heilige Geest is de moederschoot van Maria geheiligd, dat Jezus zondeloos ontvangen en geboren is. Zo sprak de engel Gabriël het tot Maria: “De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden”.

Het blijft een geheim. Wel waarachtig mens, en nochtans de Heilige. Het komt de mens van nature vreemd voor. Zo zijn er velen vandaag die dat geheim ontkennen. De maagdelijke geboorte als belijdenis wordt in brede kring verworpen. Men wil dan soms nog wel van dit geloofsartikel als een “teken van de onmacht van ons mensen” (Karl Barth) spreken of als van een “symbool, dat Jezus Zijn oorsprong heeft in de wil van God” (Robinson); maar toch zonder erkenning van deze leer. Het geloof buigt voor het feit en is het een wonder: zó is Hij de Middelaar en bedekt mijn schuldig begin met Zijn onschuld en volkomen heiligheid.

Uit Maria

Breed besteedt dit artikel aandacht aan de ware mensheid van Christus door de geboorte uit de maagd Maria. In de tijd van de reformatie en daarna werd door de dopersen ontkend, dat Jezus vlees en bloed heeft aangenomen van Maria. Volgens hen kon dat eenvoudig niet. Het was onmogelijk, dat Adam een goede vrucht voortbracht. Menno Simonsz, de vader van de dopersen, paste dit ook toe op het lichaam als zodanig. Hij noemde in dit verband Adam “een stinkende vlierboom”, waarvan geen goeds te verwachten was. Zo werd Christus volgens hem niet “uit Maria” maar “door Maria” geboren. Men had daarbij wonderlijke voorstellingen. Er werd gedacht aan een zaad des Vaders, dat in de akker van Maria gezaaid is. Zijn vlees zou door een Goddelijke schepping in Maria geschapen zijn. Het lichaam van Christus zou in de hemel als een kleed in een koffer geweest zijn en door Hem zijn aangedaan bij Zijn komst naar deze aarde. Hoe ook: zo is Christus niet uit Maria geboren. Hij heeft alleen in haar vertoefd “als een gast in de herberg” of als “water in een vuile grot”. Ongetwijfeld spreekt bij die gedachten mee, dat de dopersen geen oog hadden voor het lichaam zoals God het in Zijn schepping gegeven heeft.

We behoeven het onbijbelse van zulke gedachten haast niet aan te tonen. Al te duidelijk spreekt Gods Woord. Aan het eind van deze belijdenis klinkt dat Woord door. We kunnen hier alleen al wijzen op Hebreeën 2:14: “Overmits dan de kinderen des vieses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden..”.

Het erge is dat zo de ware mensheid ontkend wordt. Daarmee wordt in wezen de verlossing van de Zijnen ontkend. Zij hebben er het grootste belang bij, dat Hij de mens in alles gelijk is geworden en de natuur heeft aangenomen, waarin zij gezondigd hebben. Hij heeft de ware menselijke natuur ontvangen naar lichaam en ziel om zo beide te verlossen. Met nadruk wordt dit in artikel 18 zelfs apart beleden. Christus heeft de ware menselijke natuur aangenomen zonder zonde. Zo is Hij door de geboorte uit Maria gedaald in het verdorven menselijke geslacht om de volkomen zaligheid te verdienen.

Immanuël

Artikel 18 eindigt zo bijzonder. Het blijkt dat het niet om een beschouwing gaat buiten de zaligheid om. Ook niet om een strijd, die maar een bijzaak raakt. Het gaat om de belijdenis van Immanuël: “God met ons”. Christus is Immanuël geworden doordat Hij het vlees en bloed van zondaren heeft aangenomen. Daar hangt alles van af. Wij hebben God naar recht tegen ons gekregen. Wie daaraan voorbijgaat, verstaat deze Naam niet. Dan is het vanzelfsprekend dat God met ons is. Het gaat om de rechtvaardige God, Die vordert dat de menselijke natuur, die gezondigd heeft, voor de zonde betaalt. Die met die God in zijn leven te doen krijgt, komt er achter dat het onmogelijk is van eigen kant met die God verzoend te worden.

Die wordt deze Naam zo rijk van inhoud en troost. God mét ons in het geschenk van Bethlehem, omdat hij in dat vlees is afgedaald en zo verzoening heeft willen verwerven. Zoals hier het geloof dit artikel besluit: “dat Hij in der waarheid onze Immanuël is..”.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken