Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het lied van de vreemdeling: 3. Zijn smeekbede

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het lied van de vreemdeling: 3. Zijn smeekbede

5 minuten leestijd

““Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren””

““Gezangen zijn mij Uw inzettingen”” -zo hebben we de dichter van Psalm 119 horen zingen. Wie dit lied zingt, bewaart ook die inzettingen. Indien niet, dan is er tweespalt tussen hart en mond. Dan regeert de leugen en niet de waarheid.

Bewaren, dat is niet wegleggen en er niet meer naar omkijken, maar erbij leven, voortdurend, elke dag weer. Leven geheel en al naar die inzettingen, naar wat de Heere geboden heeft. Volkomen Gods wil doen, gelijk de engelen in de hemel. Wandelen in de nieuwe gehoorzaamheid. Nooit en te nimmer afwijkend en overtredend een van die inzettingen.

Hier is de openbaring van de levenssappen van de levende Christus. De ware Wijnstok stuwt die sappen in de ranken. De ranken gaan vruchten dragen.

In ons leven kunnen we alles zo toespitsen op die grote vraag: zijn mijn zonden vergeven. Die vraag is ook belangrijk. Want zonder vergeving en zonder verzoening blijft Gods toom en blijven we kinderen des tooms. Echter - we kunnen in die vraag zo blijven steken. We kunnen er ook vanuit gaan dat onze zonden zijn vergeven, en nu menen dat alles goed is. Wat ontbreekt mij nog?

De wedergeboorte kenmerkt zich door herscheppende en herstellende genade, ‘t Is Gods bedoeling dat Hij het pronkstuk van Zijn schepping weer terug heeft, dat het weer leeft tot Zijn eer, dat Hij weer verheerlijkt wordt. Wie de heiligmaking losmaakt van de heilsorde, gaat de ene Christus delen, en is derhalve onbijbels, hangt een dwaalleer aan. De Heere is in het leven van Zijn volk bezig om het toe te bereiden voor de hemelzaal. Daar zal het Gods inzettingen eeuwig bewaren. Perfectionisten menen dat hier reeds de volmaaktheid bereikt wordt. Zij wanen dat zij hier reeds in de hemel zijn aangeland. O zeker - de hemel kan op aarde dalen, en ik kan opgetrokken worden tot in de derde hemel. Echter - we komen goed aan de weet dat de aarde de hemel niet is. De oude mens, overgebleven vlees is er ook nog.

Ja maar - de dichter van Psalm 119 dan? Als we zijn lied horen dan zijn we geneigd om te denken dat deze mens afbekeerd en volmaakt is. Evenwel die neiging is verkeerd. Hoort u hem smeken: “Och dat toch”!

Soms zijn er die aanbotsen tegen het “och dat toch”. Bij het horen daarvan, beginnen zij terstond te smalen. Een spottende geest wordt in hen wakker. Een meewarrig gevoel welt in hen op. Echter - het “och dat toch” hoort thuis in het lied van de vreemdeling. Wie door wedergeboorte vreemdeling is geworden, kent ook het “och dat toch”.

De dichter constateert bij zichzelf tegenkrachten. Hij ontdekt dat zijn oude mens nog niet dood en begraven is, die oude mens die Gods inzettingen niet wil bewaren, maar begeert te leven naar de wil van het vlees.

Er zijn er die zeggen: een mens blijft tot zijn dood toe zondaar, en: zalig worden is een zaak van enkel genade. Ze hebben gelijk, helemaal gelijk. Maar om nu te beweren dat een zonde’tje meer of minder er niet toe doet, gaat te ver, is een gedachte niet van de Geest maar van het vlees.

De dichter zit niet in gelatenheid terneer, in doffe berusting. Juist vanwege dat overgebleven vlees, juist vanwege het verstaan van wat het vlees is, komt hij tot de hoogste gebedsactiviteit, gaat hij smeken aan de troon der genade: och dat toch mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren.

Hij kan niet afgaan op zijn verstand, op zijn wijsheid, op zijn inzicht, op zijn gevoel. Eigen krachten schieten hier te kort. Hij kan het niet redden zonder de hulp van de Heere. ‘t Is zijn innige begeerte, zijn hartelijk verlangen om Gods inzettingen te bewaren. Zo lief heeft hij God gekregen, en de Heere is het zo waard. Daarom zijn smeekbede: och dat toch mijn wegen gericht werden.

In de berijmde psalm staat het zo mooi: “Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest! Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken”. De dichter weet dat die hulp nodig is om Gods inzettingen te bewaren.

Kent u ook die smeekbede? Deze is kenmerkend voor de vreemdeling. Deze geeft aan of we waarlijk wedergeboren zijn. Deze is onmisbaar en noodzakelijk. Elke dag. Alle dagen van mijn leven hier beneden. Tot het “lichaam dezes doods” begraven wordt.

Of leeft u bij uw inzettingen, bij uw godsdienstige inzettingen? Weet u alles zo prompt? Maakt u het met uw verstand en met uw wijsheden uit hoe God gediend wil worden? Gaan we de brede en de smalle weg samenvoegen? Dan gaat het verkeerd, eeuwig verkeerd!.

Zalig die smeekbede te kennen! De begeerte wordt verkregen. Straks eeuwig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1991

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Het lied van de vreemdeling: 3. Zijn smeekbede

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1991

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken