Bekijk het origineel

De troost der verkiezing

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De troost der verkiezing

8 minuten leestijd

6.

(naar aanleiding van het gelijknamige boek van ds. L. Vroegindeweij)

Met ingang van dit artikel wil ik aandacht vragen voor het tweede van (wat we noemden) “de vijf punten van het Calvinisme”. U herinnert zich dat de aanleiding is de recente verschijning van wijlen ds. L. Vroegindeweij’s driedelige bundel over de Dordtse Leerregels. De Leerregels worden beschouwd als het belijdenisgeschrift waarin - méér dan in de andere - het geheimenis van de verkiezing wordt beleden en verdedigd. En niet ten onrechte. Zie ook de titel van de boeken van ds. Vroegindeweij: “De troost der verkiezing”. Immers, onze vaderen beleden voluit de waarheid aangaande de totale verdorvenheid van de mens, maar met niet minder klaarheid de onvoorwaardelijke en genadige verkiezing van zondaren tot zaligheid. Niet anders dan omdat de Heere het in Zijn Woord openbaarde.

Welnu - we willen nu in enkele artikelen bij dat belangrijke leerstuk, waarvan Calvijn zei dat het ’t hart van de kerk is, stilstaan, laat ik beginnen met een fragment uit ds. Vroegindeweij’s verhandeling.

In de nooit begonnen eeuwigheid maakte God reeds onderscheid. Aan Petrus en Paulus en aan alle uitverkorenen gaf Hij Zijn gehele hart. Hij zag ze aan als gevallen in Adam. Hij had ze lief. Hij nam Zich voor hen te zaligen. Hij gaf ze aan Zijn Zoon Jezus Christus, opdat Deze voor hen zou lijden en sterven. Uit deze eeuwige genade vloeit voor elke uitverkorene alles voort. Want Gods eeuwige liefde tot de uitverkorenen betekent niet dat de genoegdoening en verdienste van Christus overbodig is. Integendeel. Deze is er vanaf het begin bij. Zij hebben genade in Christus ontvangen.

Mag de Heere God zulk een onderscheid maken? Daarop antwoordt de Schrift: “O mens, wie zijt gij die tegen God antwoordt? Of heeft de pottenbakker geen macht tegen het leem?” Is God u of mij iets schuldig? Ja maar, die arme ongelovigen dan? Die gaan verloren door hun eigen schuld. Zij hebben zelf niets anders gewild. Zij waren wel schuldig om zich te bekeren tot God, maar God is hen niet schuldig om hen te bekeren. Waarom díe wel, en díe niet? Dat is voor ons verborgen. God is vrijmachtig om te laten in het verderf, en het is voor ons ondoorgrondelijk waarom Hij sommigen verlost en anderen voorbij gaat.

Zijn doen is wijs, Zijn vonnis gans rechtvaardig. Het is volkomen begrijpelijk dat er mensen verloren gaan en het is een onbegrijpelijk wonder dat er in Christus nog enigen behouden worden. Doch ook hier heeft God Zijn gerechtigheid en wijsheid in Christus onbegrijpelijk groot doen uitstralen. Wat een wonder dat er zalig worden!

Onderscheid

Het viel mij en het valt wellicht ook u op dat de schrijver in deze woorden zo de nadruk legt op een heel bepaald aspect van de leer der verkiezing: het onderscheid! Het onderscheid dat de Heere maakte bij de verkiezing en - als keerzijde - de verwerping. Een onderscheid tussen zondaren en zondaren, tussen Goddelozen en Goddelozen. Zoals onder ons wel gezegd wordt: een onderscheid waar van nature geen onderscheid is. En zo is het ook. Dat leert ons de Heilige Schrift immers, en in overeenstemming daarmee beleden onze vaderen het.

Al bijna direct aan het begin van de Leerregels, in de artikelen 4 en 5 van hoofdstuk I, stuitten de mannen van Dordt op een essentieel onderscheid tussen de mensen: de meest wezenlijke scheidslijn, een breuklijn binnen het geheel van de mensheid. Er zijn er die Gods Evangelie niet geloven - op hen blijft de toom Gods. Anderen zijn er die het aannemen en de Zaligmaker Jezus met een waarachtig geloof omhelzen; dezen ontvangen het eeuwige leven. Vanwaar nu dit onderscheid? Wel, zo beleden de mannen van Dordt: de oorzaak of schuld van het ongeloof is geenszins in God, maar in de mens; maar het geloof in Christus en de zaligheid door Hem is een genade gave Gods. En weer kan de vraag gesteld worden: vanwaar dit onderscheid; waar vinden we de bron van deze onderscheiding? Artikel 6 van hoofdstuk I geeft het klare antwoord: “Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort uit Zijn eeuwig besluit. (...) Hier is het dat zich voor ons ontsluit die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der mensen, zijnde in even gelijke staat des verderfs...” Hier komt het besluit van verkiezing en verwerping openbaar.

God Zelf maakt onderscheid. Hij is God! Hij verkiest uit “de gemene menigte der zondaren” (1/10), die allen “in een even gelijke staat des verderfs” (1/6) zich bevinden, “een zekere menigte van mensen niet beter of waardiger dan de anderen, maar in de gemene ellende met anderen liggende” (1/7). Krachtiger en duidelijker kan het toch niet gezegd worden. Onderscheid waar geen onderscheid is! De Leerregels nemen hun uitgangspunt in de gevallen mens. We zagen dat al eerder. Deze mens wekt Gods toom op. Ieder mens; niet één uitgezonderd. Het is geen wonder dat God Ezau haat, maar het is wel een wonder dat God Jacob liefheeft. De toorn Gods rust op ieder mens; allen immers liggen ze in een gelijke en (al)gemene staat van verdorvenheid en afval. maar - welk een wonder! - God heeft vóór de grondlegging van de wereld besloten uit deze zondige mensen er enigen tot de zaligheid te brengen. Hij heeft ze verkoren. Hij heeft ze liefgehad niettegenstaande hun zonde en verdorvenheid.

In zijn verhandeling over deze dingen laat ds. Vroegindeweij niet na er keer op keer op te wijzen hoe belangrijk het is te weten hoe het met de mens staat. Die is namelijk niet op zoek naar God Daar is niemand die God zoekt, niet tot één toe. De zondaar kan niet tot God terugkeren, wil niet tot God terugkeren en wil zich ook niet terug laten brengen. De Almachtige werkt echter soeverein en krachtdadig. Hij verkiest èn doet naderen... De uitverkiezing sluit niet een menigte van mensen uit die God zoeken. Ze gaat voorbij die van harte begeren voorbij gegaan te worden. Ze gaat echter sommigen niet voorbij die evenzéér van harte begeren dat God niet God en Koning zij in hun leven. Dit is een wonder! Dat is hét wonder der wonderen. God heeft te maken met een wereld van mensen die Hem niet willen. Maar Hij verkiest en maakt dezen in de tijd ook zelf gewillig.

Aanstoot

Deze leer, de leer van de eenzijdige, genadige en soevereine verkiezing tot zaligheid, is een aanstootgevende leer voor de natuurlijke mens. “De verkeerde, onreine en onvaste mensen verdraaien ze tot hun verderf”, zeggen de Leerregels. En toen ze dit schreven, stonden ze ook op de fronten waar ze zich geroepen wisten de leer der Schriften te verdedigen. “Aan wie schenkt God Zijn genade?” Die vraag is door de eeuwen heen vele malen gesteld. “Aan wie en op grond waarvan?” Maar niet altijd werd er een antwoord gegeven dat de toets van Gods Woord kon doorstaan. “Wien begiftigt de Heere met het ware geloof?” De harde werkers? De onberispelijken? De bidders? Degenen die zich bekeren? Nee, zeggen de Leerregels, “God heeft ons geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken maar naar Zijn eigen voornemen en genade die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen” (2 Tim. 1:9). De Heere verkiest geheel onvoorwaardelijk, dat is: zonder iets van de mens daarbij in aanmerking te nemen. Naar Zijn Goddelijk voornemen. Aan Gods genade gaat niets van ons vooraf, geen enkele gestalte dan onze natuurlijke wanstaltigheid.

Dit is nu uiterst vernederend voor de mens. Ook - en misschien wel juist - voor de vrome mens. De mens die in eigen oog iets is. De remonstranten tegen wier leringen in eerste instantie de Vijf Artikelen geschreven zijn, wilden de Goddelijke genade volstrekt niet loochenen. Doch men wilde wel ruimte houden voor de menselijke vrijheid en beslissing. Zij prezen de genade hoog. Men kan het ook in onze tijd - aldus ds. Vroegindeweij - van vele kanten horen. Het is alles genade. Het is ook genade dat zij de goede beslissing hebben mogen nemen. Maar toch hangt hun zaligheid enigszins van hun eigen beslissing af. Zo vindt men in de geschiedenis van de leer der genade bij velen de samenwerking tussen God en mens. Tenminste dat meende en meent men. Maar de bijbelse leer - en de vaderen en Dordt gaven op trouwe wijze daaraan stem - werpt dat alles terneer. Geen wonder dat ergernis en aanstoot ontstaat. “De verkeerde, onreine en onvaste mensen verdraaien deze leer tot hun verderf. Maar aan de heilige en Godvrezende zielen geeft ze een onuitsprekelijke troost” (1/6).

Het is de enige troost voor een arm zondaar dat er eeuwige liefde Gods is voor ellendigen en armen, voor blinden en naakten, en dat de Heere zulken zaligt en zéker binnen de stad der heerlijkheid brengt. Hoe moet er anders ooit één komen?! (...) God verkiest uit Zijn vijanden wie Hij vrij zal maken van de macht van satan. En zult u als God zijn en zelf kiezen? Het is beter dat ge de Heere te voet valt en Hem om genade bidt.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De troost der verkiezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken