Bekijk het origineel

Na honderd jaren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Na honderd jaren

8 minuten leestijd

8.

We beschreven de vorige keer hoe de eenheid van belijden in 1892 in het geding was. Die eenheid in het belijden werd door de vereniging van 1892 prijsgegeven. Men stelde wel dat de vereniging plaatsvond op de grondslag van de drie formulieren van enigheid, maar met de stukken valt aan te tonen dat dit niet het geval was. Prof. J.J. v.d. Schuit schreef daaromtrent duidelijke woorden. We lezen in zijn geschrift “Na vijfentwintig jaren”het volgende: “Wij zullen tegenover wien dan ook, altijd de stelling durven verdedigen, dat bij de vereniging van 1892 de band aan de belijdenis niet ongeschonden is gebleven, en aan zulk een ontrouw hebben wij niet willen en mogen meedoen.”

Wat Kuyper schreef in 1890 in de Heraut was duidelijk in strijd met de belijdenis en met de uitspraken van de Synode der Christelijke Afgescheidenen Gereformeerde Kerk van 1846.

Op die Synode van 1846 kwam ter sprake hoe de Kerk het gedoopte zaad had te beschouwen. Er werd geleerd dat alleen gedoopt behoren te wezen kinderen van begenadigden, en dat deze kinderen door die doop een heiligheid deelachtig werden, gelijk aan die, wanneer de apostel de gelovigen heilige broeders noemt. Er werd geleerd dat de kinderen, al vertonen zij in het opwassen niet de minste godzaligheid, echter als bondgenoten moeten behandeld worden en hun de plichten en rechten des verbonds voorgehouden moeten worden, maar ook, dat zij niet als geheel onbegenadigd behandeld mogen worden. Over deze kwestie, over deze voorstelling van zaken, had de Synode van 1846 te oordelen. Het oordeel van de Synode van 1846 was niet vaag,de uitspraak van 1846 liet geen ruimte voor twee voorstellingen van zaken, maar was beslist en duidelijk. Het oordeel van de Synode van 1846 was in overeenstemming met de gereformeerde belijdenis. Wat was dan de uitspraak van de Synode van 1846? Die uitspraak luidt aldus: “De vergadering oordeelt, dat alle kinderen dergenen, welke zich tot de gemeente gevoegd hebben, behoren gedoopt te worden, dat daardoor echter aan de kinderen geen inwendige heiligheid wordt medegedeeld, en deze kinderen, wanneer zij in het opwassen geen blijken van godzaligheid vertonen, als kinderen des toorns zonder onderscheid moeten behandeld worden.” Door zo’n uitspraak te doen wordt de wacht betrokken bij de belijdenis. Dat is een uitspraak die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Deze woorden zijn niet vaag en algemeen. Duidelijk werd gesteld dat indien de kinderen bij het opgroeien geen tekenen van godzaligheid, van de vreze des Heeren openbaren, dat zij dan als kinderen des toorns behandeld moeten worden.

Leg naast deze uitspraak van 1846 nu eens de formulering van Kuyper uit 1890 in de Heraut. Daar lezen we: “Uit ons Doopsformulier is het derhalve volkomen duidelijk, hoe in dit schone stuk de te dopen kinderen voorkomen, niet als nog buiten alle genade en ganselijk in hun verdoemenis liggende, maar als reeds van Gods wege begenadigd door de inplanting van het onverliesbaar zaad der wedergeboorte.” Wie dit standpunt niet aanvaardt, wordt de vriendelijke raad gegeven de kinderdoop te laten varen en te breken met de gereformeerde kerken.

Ook schreef Kuyper immers in datzelfde artikel: “maar volharde iemand desalniettemin in de opinie, dat een kind zou mogen gedoopt worden, zonder dat daarbij zijn uitverkiezing ondersteld wierd, dien zeggen wij aan, dat hij met geen eerlijke conscientie in de Gereformeerde kerken blijven kan.” Dat is toch wel in lijnrechte tegenspraak met de uitspraak van de Synode der Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk van 1846! Opmerkelijk is wat ds. Hulst (predikant der Holl. Chr. Geref. Kerk in Noord-Amerika) schreef toen hij de opvatting van Kuyper had gelezen in de Heraut. “Ik kon nauwelijks mijn ogen geloven, maar of ik het eenmaal of tienmaal las, het stond er. Overwegende- zo vervolgt hij- dat noch de Chr. Geref. Kerk van Nederland, waarin ik 25 jaren diende, noch de Holl. Chr. Geref. Kerk van Amerika, waarin ik ruim een tiental jaren gediend heb, noch de Gereformeerde Vaderen van Dordt er ooit aan gedacht hebben, om de kinderen te dopen, op grond van een onderstelde verkiezing, maar dat zij dit deden, alleen op grond van Gods verbond, met Abraham opgericht, zo meende ik dat langer zwijgen onverantwoordelijk ware.” Waarom vond ds. Hulst langer zwijgen onverantwoordelijk? Lees wat hij schrijft hierover: “Allengskens rijpte de overtuiging bij mij, dat ik bij de aanvaarding van de bediening des Evangelies niet slechts beloofd had de leer, in onze belijdenisschriften vervat, als geheel overeenkomstig met de H. Schrift, getrouw te zullen leren, maar ook tegen daartegen opkomende afwijkingen te zullen verdedigen.” Ds. Hulst wilde dus de trouw aan de belijdenis bewaren en zijn belofte, die hij gedaan had bij de aanvaarding van het ambt van dienaar des Woords gestand doen.

Op meerdere geschriften uit die dagen zou een beroep kunnen worden gedaan om aan te tonen dat Kuyper een leer voorstelde die in strijd was met de belijdenis. We denken aan wat prof. Lindeboom schreef in de brochure “Bewaar het pand, u toevertrouwd” en aan datgene wat geschreven werd in “De Wachter.”

De verdere ontwikkeling in de Gereformeerde kerken geeft wel aan dat inderdaad de belijdenis in het geding was. Men heeft immers de voorstelling van Kuyper niet alleen toegelaten als een private gedachte, maar men heeft die voorstelling verheven tot kerkelijk beginsel, naast de formulering der leer in de belijdenis gegeven. Dit was niet in de lijn van 1846. Toen deed de Synode een duidelijke uitspraak.

Hoe moeten we tegen de toenmalige verschillen aankijken? Is het alleen een kwestie van formuleren, is het alleen een kwestie van verschil in benaming, terwijl men toch wezenlijk hetzelfde zou bedoelen? Kuyper heeft het wel anders gesteld.

Hij zag het duidelijk niet als een verschil in formulering, maar als een wezenlijk verschil. We citeren nog eens wat hij schrijft ten aanzien van de doop: “maar volhardt iemand in de opinie, dat een kind zou mogen gedoopt worden, zonder dat daarbij zijn uitverkiezing verondersteld werd, dien zeggen wij aan, dat hij met geen eerlijke consciëntie in de Gereformeerde kerken blijven kan, want onze Gereformeerde kerken beleden en leerden van ouds het tegendeel.” In één van de brochures van Kuyper lezen wij dat iemand die zijn leerstelling op dit gebied niet onderschrijft zich schuldig maakt aan “een geheel onderstebovenkering van de Gereformeerde belijdenis.” Als het zo wordt gesteld, kun je niet spreken van een verschil in formulering en benaming, dan is er sprake van een zeer wezenlijk verschil.

Prof. Lindeboom heeft het goed gezien toen hij schreef over de ontwikkelingen in de Gereformeerde kerken dat het beginsel van leervrijheid binnensloop. Het indringen van de Neo-Gereformeerde richting in de Geref. Kerken werd door Lindeboom bestempeld als “in beginsel leervrijheid.”

Dat is toch wel opmerkenswaardig en bedenkelijk wanneer door een hoogleraar binnen de verenigde Gereformeerde kerken het beginsel van leervrijheid wordt geconstateerd.

Daartegenover stond de Kuyper-partij, die op hoge toon beweerde, dat wie het niet met haar eens was, grondlegger was van allerlei ketterijen. Prof. Lindeboom is niet tot de orde geroepen. Prof. v.d. Schuit schrijft hierover: “Men krijgt zo gedurig de indruk, dat prof. Lindeboom wel gaarne de wacht houdt, maar dat de tegenpartij in hem ziet de waakhond, die bij het minste onraad wel hard blaft, maar die niet bijt, en de indringer niet van “t erf houdt.”

Hoe zou het in onze dagen zijn? Worden verschillen in visie bij samensprekingen soms niet al te gemakkelijk bestempeld als verschillen in benaming, terwijl men wezenlijk hetzelfde zou bedoelen? Is er ook niet het gevaar dat men dingen naast elkaar wil laten staan, die elkaar uitsluiten? Dient ten deze niet alles aan de belijdenis getoetst te worden? Er kan alleen samengesproken en verenigd worden als aan de belijdenis ten volle recht wordt gedaan. We denken bijvoorbeeld aan de Adamspositie waar de Dordtse Leerregels van uit gaan. De Dordtse Leerregels stellen terecht dat alle mensen in Adam gezondigd hebben. De vraag moet gesteld worden of daaraan recht wordt gedaan in prediking en pastoraat. De belijdenis is immers een organisch geheel. Wijlen ds. L. Vroegindeweij schreef over deze zaak de volgende behartenswaardige woorden: “Laat men er iets van los (nl. van de belijdenis, AvH), dan heeft men een verminkte belijdenis en een valse prediking. Het is dus niet alleen de vraag of de belijdenis niet weersproken wordt, maar of recht wordt gedaan in prediking en pastoraat aan al datgene wat in de belijdenis wordt verwoord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Na honderd jaren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken