Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De troost der verkiezing

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De troost der verkiezing

9 minuten leestijd

12.

(naar aanleiding van het gelijknamige boek van ds. L. Vroegindeweij)

In deze serie artikelen denken wij na over de onderwerpen die in de Dordtse Leerregels aan de orde komen. Nauwkeurig bezien zijn het eigenlijk vijf regels. Engelstalige theologen noemen ze wel “the five points of Calvinism”. Daarvan zijn er inmiddels drie aan de orde geweest. Er resteren er nu dus nog twee: de onwederstandelijke genade en de volharding der heiligen. Met nog enkele bijdragen daarover willen we deze reeks gaan afronden. Allereerst dus over de onwederstandelijkheid van Gods genade. Onze vaderen beleden dit stuk in hoofdstuk III/IV van de Leerregels. Op het eerste gezicht is de dubbele aanduiding van dit hoofdstuk wat merkwaardig. Ze heeft te maken met het feit dat de opstellers zich hielden aan de orde van de Remonstrantie van 1611. Zij volgden dit stuk van Arminius’ volgelingen op de voet met de bedoeling de inhoud daarvan punt voor punt te weerleggen. Er komt in dit hoofdstuk heel wat ter sprake. De volledige titel luidt (in de oorspronkelijke aanduiding): “Van des men-schen verdorvenheyt ende bekee-ringe tot God, ende de maniere der selver”.

Van de verdorvenheid van de mens

Over de verdorvenheid van de mens na zijn droeve val in de zonde schreef ik al eerder. Het was immers het eerste punt van de vijf. Opvallend is, en ik wees er al eens op, dat de Leerregels bij elk nieuw onderwerp telkens weer hun startpunt in de werkelijkheid van des mensen ellende nemen. Geschapen naar Gods Beeld en versierd met uitnemende gaven van kennis van zijn Schepper en zuivere genegenheden, heeft hij zich door de duivel laten verleiden en heeft hij over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid van oordeel, tevens weerspannigheid en hardheid, beide in zijn wil en zijn hart. Zo ongeveer luidt artikel 1 van dit voorlaatste hoofdstuk. Waarom toch steeds weer zo uitvoerig het faillissement van de mens ten toon gesteld?, zo zou men kunnen vragen. Was het vanwege een bepaald genoegen dat zij daarin schepten, of misschien een vertoon van orthodoxisme? Het zal duidelijk zijn - de Dordtse vaderen wilden niet anders dan in alles de Schriften naspreken. Hun intentie was niet meer en niet minder (en ik citeer weer de authentieke tekst, nu uit de Voorrede van de Leerregels) “alleen na ’t richtsnoer der H. Schrif-ture te oordelen, ende in ‘t ondersoeck ende oordeel van dese saké met eene goede ende oprechte consciëntie te handelen”, namelijk ontstoken “in liefde tot Godt ende den welstandt der Kercke”.

Getrouwheid aan het Woord van God en welgemeende zorg voor de Kerk des Heeren deed de mannen van Dordt dus spreken zoals zij spraken. Daarnaast hadden zij met deze inzet nog een ander motief, denk ik. Het gaf hun namelijk een mogelijkheid de motieven van Arminius en de zijnen aldus in het hart te treffen. De belijdenis van de onwederstandelijke (dat is: de door de mens niet tegen te houden, niet te beletten) werking van Gods Geest staat namelijk haaks op de gedachte van de autonomie van de mens en van zijn vrije wil ten goede. En dat is nu precies het front wààrop in dit hoofdstuk gestreden wordt.

Dat is overigens al een heel oud front. Zo oud als de zonde in het paradijs. En sindsdien komt telkens weer de idee van de goede wil van de mens naar boven. Zelfs hadden in de eerste eeuwen van de kerk vrijwel alle christelijke denkers nog niet de rechte voorstelling van de raad Gods en van de diepe val van de mens. Terecht wijst ds. Vroegindeweij daarop.

Vrijwel allen legden zij nadruk op de vrijheid van de mens. Deze was wel in meerdere of mindere mate door de zonde bedorven, maar ze bleef toch nog vrij en ze kon de aangeboden genade van God naar vrij believen aannemen. De onwederstandelijke genade van God leerden zij niet. En Gods raad dan? Daarvan leerden zij dat die op voorwetenschap berustte. God gaf aan het verderf over degenen van wie Hij vooraf wist dat zij niet zouden geloven. En Hij verkoos degenen wier verdienste Hij van tevoren had gezien. Het zijn bekende gedachten: de mens is door de zonde verzwakt en sterfelijk geworden. Toch kan hij nog het goede willen en ook de genade aannemen of verwerpen.

En ook nadien - behalve bij iemand als Augustinus! - bleef deze gedachte in de kerk gemeengoed. Pelagius wees de leer van de erfzonde en de dood als straf op de zonde af. Weliswaar werd hij veroordeeld maar in de subtiele vorm van het semi-pela-gianisme handhaafde de kerk van Rome een groot deel van zijn gedachten. Eerst tijdens de gezegende Reformatie van de zestiende eeuw werden de leringen die de mens een vrije wil ten goede toedichtten, weer krachtig en helder weersproken. Ik denk bijvoorbeeld aan Luther in zijn pennestrijd met Erasmus over de geknechte wil. Maar de Reformatie is nog geen eeuw oud of het blijkt dat het zuurdeeg van deze ketterij zich ook in het geheel van de gereformeerde kerk een plaats heeft verworven. En het dreigt alles en allen te doortrekken met zijn aantastende werking.

Van zijn bekering tot God

Welnu - het is in dit zelfde verband dat de Synode van Dordt enerzijds spreekt over de verdorvenheid van de mens en anderzijds over zijn bekering tot God en de manier waarop deze plaatsvindt. En het is wederom klare, bijbelse taal die zij spreekt. Ik denk aan de artikelen 3 en 10, waarin zij belijdt dat alle mensen in zonde ontvangen en als kinderen des toorns geboren worden, onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot alle kwaad, dood in de zonden en slaven der zonde. Zij willen niet en kunnen ook niet tot God terugkeren en evenmin hun verdorven natuur verbeteren, noch zichzelf tot de verbetering daarvan brengen, zonder de genade van de Heilige Geest die wederbaart. Dat er desondanks zondaren tot bekering komen, dat moet men geheel en alleen Gode toeschrijven. Hij is het die de zijnen van eeuwigheid heeft uitverkoren in Christus. Hij is het die dezen in de tijd krachtig roept en met geloof en bekering begiftigd. Hij is het die ze uit de macht van de duisternis verlost en tot het rijk van Zijn Zoon overbrengt. Opdat ze niet in zichzelf maar alleen in de HEERE zouden roemen.

De mens is dood voor God. Er moet een almachtig wonder aan hem gebeuren. Een krachtig werk - en zo niet: hij blijft die hij is. Dat is de ene werkelijkheid. Maar ook het andere mag worden gezegd - en de Leerregels belijden ook dat op heerlijke wijze -God maakt levend en wekt op uit de doden zovelen het Hem behaagt. Met de woorden van artikel 12: dat is de wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden en levendmaking welke God zonder ons in ons werkt. Zij is een geheel bovennatuurlijke, zeer krachtige, verborgen en onuitsprekelijke werking die in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden, alzo dat al degenen in wier harten God op deze wondere wijze werkt zeker, onfeilbaar en krachtig wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven.

Van de manier van deze

Ds. Vroegindeweij haalt in dit verband Kohlbrugge aan. Ik wil hem aan het slot van dit artikel daarin volgen.

“Hoe wordt nu een mens uit de Geest geboren? Daarop antwoord ik: het uitwendige middel doet het op zichzelf niet. Nee, maar er gaat iets gepaard met dat uitwendige werk wanneer het in God gedaan is, en dat is de Heilige Geest. Deze werpt het levende zaad in het hart van een mens, namelijk het eeuwige en blijvende Woord Gods. Door dit Woord herschept Hij de mens.

Daar is eerst de ontdekking van schuld en verdoemenis, van verlorenheid, van zonde en ongerechtigheid, van een geheel afgevallen zijn van God. Daar verwekt dan de Geest een smachtend verlangen naar verlossing van schuld en straf, naar vrijmaking van alle heerschappij der zonde. Daar ontvallen de mens dan ook alle werken van gerechtigheid, van deugd en heiligheid. Opdat hij in ‘t geheel niets meer is en niets meer heeft en onder het vreselijk gevoel van Gods toorn ligt. Daar geeft de Geest ook honger en dorst naar die gerechtigheid welke voor God geldt, een schreien en roepen om genade en ontfer ming. Zo drijft de Geest tot de middelen. Want er gebeurt niets door de middelen op zichzelf, maar ook niets door de Geest zonder de middelen.

Uit de Geest geboren zijn, is: alle vertrouwen op eigen kracht, wijsheid en rechtvaardigheid laten varen en alles wat er in en aan ons is geheel en alles verdoemen. Want waar dit gebeurt, daar verwekt de Heilige Geest het geloof waardoor een mens door deze Geest een heel ander mens wordt, namelijk een mens die in de HEERE leeft en in de HEERE zijn gerechtigheid en sterkte heeft en Zich niet langer meer op de oude stam van Adam bevindt.

Wedergeboren te zijn, is dat men uit de Wet en het drijven daarvan aan de hand van Geest overgaat in het geloof in Jezus Christus. Dat geschiedt door het machtige trekken van de Vader tot Christus. Waar zulk een overgang plaatsvindt, daar is niet alleen een machtig en diep gevoel van zonden, van grondeloze verlorenheid en verdorvenheid, maar tevens een waarachtige begeerte om met de Wet Gods in overeenstemming te zijn èn een overtuiging van eigen totale onmacht en een worstelen om van de tyrannie der zonde verlost te zijn. Dan wordt men geheel en al overtuigd van de ongenoegzaamheid van alle vrome werken. En terwijl men overgezet wordt onder de heerschappij der genade, houdt men het daarvoor dat men met Christus der Wet afgestorven is, en zich overdekt gevoelend met eeuwige genade, verheugt men zich in de belofte: “Ik zal u onderwijzen...”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

De troost der verkiezing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken