Bekijk het origineel

Ds. A. van der Heijden 1865-1927 (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ds. A. van der Heijden 1865-1927 (3)

8 minuten leestijd

De vorige keer zagen we Van der Heijden in zijn Dordtse tijd. De eerste jaren was hij, als predikant, nog ongehuwd. Op de 17e mei van het jaar 1905 trouwde hij met Aaltje van Megche-len. Ds. van der Heijden heeft dus inderdaad in Dordrecht zijn vrouw gevonden. Uit hun huwelijk zijn vier kinderen geboren. Het eerste meisje heeft slechts enkele weken geleefd.

Benoemd tot docent

In 1909 ging Ds. van der Heijden als afgevaardigde naar de Generale Synode van Utrecht. Op deze vergadering moest een opvolger voor de vermaarde docent Van Lingen benoemd worden. Ds. F. Lengkeek werd gekozen, maar hij bedankte omdat hij nog maar heel kort in zijn gemeente (Amsterdam) stond. Bij een volgende stemming kregen de predikanten Joh. Jansen en A. van der Heijden een gelijk aantal stemmen. Er werd nogmaals gekozen en opnieuw staakten de stemmen. Nadat de praeses voor was gegaan in gebed, moest het lot beslissen. Ds. van der Heijden werd aangewezen.

Dit was heel ingrijpend voor hem. Als curator wist hij goed wat het docent-zijn inhield. En, niet te vergeten, hij was met hart en ziel predikant te Dordrecht en in zijn gemeente bepaald geliefd. Toch zag hij duidelijk de leiding van de Heere en hij nam de benoeming aan.

Met een bloedend hart nam hij zondagavond 5 september afscheid van de gemeente van Dordrecht. Zijn tekst was Fil. 1:27 “Alleenlijk wandelt waardiglijk het evangelie van Christus, opdat, het zij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in één geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des evangelies.” In zijn afscheidspreek sprak de liefde die hij had voor de gemeente van Dordt, waar hij 5 */2 jaar gearbeid had.

Eén van de ouderlingen sprak hem toe, waarna Van der Heijden een dankwoord sprak en de zegen op de gemeente legde. Daarna klonk met eenparige stem

Dat ’s Heeren zegen op u daal’;

Zijn gunst uit Sion u bestraal...

Diep bewogen verliet de leraar de preekstoel, en de opgekomenen gevoelden hoe èn leraar èn gemeente èn kerkeraad aan elkander verbonden waren.

Inauguratie

Op 15 september 1909 hield Van der Heijden zijn inaugurele rede. Hiervoor was een grote schare naar Rijswijk gekomen; het schoolgebouw kon de belangstellenden nauwelijks bevatten. De titel van de inaugurele rede was: De Taal. Docent Van der Heijden zette eerst uiteen, wat taal is en waartoe de taal dient. Door de taal kunnen wij onze gedachten aan anderen bekend maken. Ook God heeft Zijn gedachten en wel gedachten des vredes. Hij heeft Zijn gedachten bekend gemaakt en Zich bediend van de menselijke taal. De studie van Hebreeuws en Grieks achtte Van der Heijden voor toekomstige predikanten van zeer veel belang. In Den Haag woonde Van der Heijden aan de Wattstraat. Hij werd nu docent naast P.J.M. de Bruin. Ds. H. Janssen was hulpdocent. De vooropleiding duurde vier jaar en het theologische onderwijs driejaar.

Docent Van der Heijden was een harde werker. Bij zijn leeropdracht behoorden vakken als Hebreeuws, Grieks, Latijn en Mythologie. Vooral gaf hij zijn aandacht aan de praktische vakken Homiletiek, Poimeniek, Cateche-tiek en Liturgiek. Met name zijn vele praktische wenken bleken voor de studenten van grote waarde. Met Hebreeuws had hij veel moeite. Het onderwijs in dit vak heeft docent De Bruin snel van hem overgenomen.

In mei van het jaar 1910 verhuisde de Theologische School van Rijswijk naar Den Haag. Maar het schoolgebouw, dat men nu kreeg (aan de Valkenboschlaan), was niet zo geschikt. Men moest zich behelpen. September 1911 hield Van der Heijden een rectorale rede over “De noodzakelijkheid van opleiding voor den toe-komstigen theoloog”. Een zeer gepast onderwerp.

Colleges

Van der Heijden gaf een stukje Latijn op om te vertalen. Enkele studenten maakten gebruik van een oude vertaling. Zodoende konden zij de volgende keer de vertaling geven in goed lopende zinnen. “Goed zo”, zei Van der Heijden. Hij doceerde catechetiek. Op deze colleges bleek hij heel pastoraal. Hij gaf ook predikkunde (homiletiek). Bij dit vak gebruikte hij een dictaat van F.P.L.C. van Lingen. Het verschil tussen de analytische en synthetische methode werd uitgelegd. Van der Heijden gaf ook door wat Augustinus leerde omtrent de prediking. Voorts vertelde hij bij bepaalde gelegenheden uit zijn pastorale ervaring.

Een getrouw predikant zal de behoefte van zijn gemeente “ernstig onderzoeken, haar bestuderen en alzo naar bevind van zaken uit de nooit de ledigen apotheek van Gods Woord het juiste middel” toedienen. De prediking moest volgens hem ontdekkend zijn. We hebben bestraffing, terechtwijzing en onderwijs nodig; ook bemoediging en troost. Docent Van der Heijden leerde zijn studenten praktisch preken. Het curatorium schreef later: In het diep besef van zijn hoge verantwoordelijkheid heeft hij gearbeid.

Hij had voorts een teer geestelijk leven; de studenten zaten graag aan zijn voeten. Zij voelden dat hij kontakt met de Hemel had.

In september 1914 kwam Ds F. Lengkeek het docentencorps versterken. Acht jaar later, in oktober 1922 deed Ds. J.J. van der Schuit zijn intrede als docent aan de Theologische School.

September 1917 hield Van der Heijden een rectorale rede: “Practische wenken voor den Homileet”. Hij wees op het juiste verband tussen de theorie en de praktijk. Aan de orde kwam de voorbereiding en het houden van de preek. Jammer, dat niet heel deze rede bewaard is gebleven!

Apeldoorn

In mei 1919 verhuisde de School van Den Haag naar het Wilhelminapark in Apeldoorn.

De familie Van der Heijden kwam te wonen aan de Marialaan, nummer 27, naast de kerk. Dit huis was maar net groot genoeg voor het gezin.

De Christelijke Gereformeerde kerk van Apeldoorn was vakant en docent Van der Heijden gaf catechisatie in een zaaltje achter gebouw Irene. Het cate-chisatieboekje van Abr. Hellenbroek werd gebruikt. De jonge mensen moesten een gedeelte van Psalm 78 uit het hoofd leren.

In de vakantietijd preekten de docenten regelmatig in Apeldoorn. Dit vonden ze wel fijn; ze hoefden dan de zondag over niet van huis. En docent Van der Heijden, die moeilijk liep, woonde vlak naast de kerk.

Men zag hem nooit zonder stok; op zijn hoofd had hij steeds een kalotje. Met stok en kalotje beklom hij de kansel. De stok hing hij aan de preekstoel, vervolgens ontblootte hij het hoofd.

Hij preekte vrij lang. Sommigen vonden dat er niet genoeg lijn in zat. Hij was geen redenaar zoals Wisse of Van der Schuit; meer een eenvoudige dominee. Er zijn nog mensen die weten dat hij over Naaman de Syriër preekte. Dat had diepe indruk gemaakt. Zijn rectorale rede van september 1920 droeg de sprekende titel; De getrouwheid welke geëischt wordt in de huisverzorger Gods.

In die tijd was er voor de kerstvakantie de zogeheten “biecht”. De studenten kwamen om de beurt. Alle vier de docenten waren er. De rector leidde het gesprek. Het handelde over: Hoe de school beviel en hoe de studie verliep. Voorts de verhouding tegenover de Heere; het geestelijk leven.

Van der Heijden stelde de studenten op hun gemak en hij bracht ze op gang. De ene student was veel vlotter dan de ander. De één begon uit zichzelf, de ander moesten ze als ’t ware uit de diepte ophalen. De één was er tien minuten, de ander een half uur.

Door zijn pastorale inslag werd Van der Heijden door de studenten bijzonder gewaardeerd.

Ziekte

Vele j aren is hij deputaat geweest voor de correspondentie met de hoge overheid. Jaarlijks verzorgde hij het Jaarboekje en ook de Scheurkalender werd door hem samengesteld.

In 1925 verhuisde Van der Heijden naar een kleine villa, Jonkheer Molleruslaan 4. In hetzelfde jaar had hij met ziekte te kampen. Er bleek een kaak-operatie nodig. De pijn kwam echter terug.

Hij gaf college, dikwijls onder moeilijke fysieke omstandigheden. Een ernstige ziekte sloopte zijn krachten. Toen hij geen college meer kon geven op de School, gaf hij thuis nog onderricht.

Hij heeft veel geleden. Juni 1927 zei de specialist, dat hij ongeneeslijk ziek was. De Heere bewaarde hem voor opstand. Van der Heijden zei tegen een vriend: “Ik ga naar Huis.” Zijn gezicht straalde.

Hij leed veel pijn; dag en nacht. Maar er kwam geen klacht over zijn lippen. Hij mocht weten, dat hij in de beide handpalmen des Heeren gegraveerd was. Dat schonk hem kracht om het kruis de Heere na te dragen.

Als zijn vrouw hem vroeg: Hoe moet het, als wij je verliezen? dan sprak hij: “De HEERE leeft!”

Maandagmorgen 18 juli 1927 overleed hij in de hope des eeuwigen levens. Het was een ontzaglijk verlies voor zijn vrouw en drie kinderen: Comelis, Jan en Catharina. Voor hemzelf was het eeuwige winst.

Ds. J.W. Geels schreef in De Wekker: Hij heeft niet tevergeefs geleefd, onze onvergetelijke broeder. Zijn werken volgen hem, en de dag der eeuwigheid zal de vrucht doen aanschouwen, waarmede de Heere zijn arbeid heeft gekroond.

Vrijdag 22 juli werd hij ten grave gedragen. Er waren verschillende sprekers. Bij de open groeve zei docent RJ.M. de Bruin, dat de Heere hem had opgenomen in Zijn heerlijkheid. En hij vroeg de vele mensen: Zijt ook gij voor die heerlijkheid bereid? Hij wekte hen zeer ernstig op, om de Heere te zoeken terwijl Hij te vinden is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Ds. A. van der Heijden 1865-1927 (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken