Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dr. Loonstra over de Bijbel (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dr. Loonstra over de Bijbel (1)

10 minuten leestijd

Enige tijd geleden verscheen er een boek, geschreven door dr. B. Loonstra, Chr. Geref. predikant te Hoogeveen (voorheen te Oud-Beijerland). De titel van het boek luidt “De geloofwaardigheid van de bijbel”. Het boek werd ons weliswaar niet toegezonden ter recensie, maar vanwege het belang dat dit boek heeft willen we er ook in ons blad wel enige aandacht aan geven.

Intussen zijn er ook al verschillende reacties op dit boek gekomen. Dr. J. Hoek schreef er al spoedig een artikel over in het blad “Koers”. Verder kwamen mij reacties onder ogen uit de kring van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Ook in “De Wekker” wordt er nu aandacht aan gegeven. Om eerlijk te zijn heb ik daar op gewacht. Ik liep al geruime tijd met het plan om naar aanleiding van het boek van Loonstra iets in ons blad te schrijven, maar het leek me beter dat niet te doen voordat er iets over in “De Wekker” zou hebben gestaan. Het eerste artikel van prof. dr. Van Genderen in genoemd blad geeft mij dus aanleiding om ook wat schrijven.

Uitgangspunten

Ik heb niet de bedoeling een recensie te schrijven. Het zal nog minder een uitvoerige beschouwing worden over de door Loonstra geponeerde en verdedigde visie. Het gaat mij alleen maar om een aantal opmerkingen naar aanleiding van dit boek. Maar zal duidelijk zijn waar die opmerkingen op alaan dan moet de lezer natuurlijk wel enig idee hebben waar het over gaat in het boek van Loonstra.

“De geloofwaardigheid van de bijbel” is niet direct een boek, dat door iedereen gelezen zal worden. Het vereist een behoorlijke theologische kennis. Ik kan ook niet zeggen dat het altijd erg gemakkelijk leest. Wie had Loonstra trouwens op het oog bij het schrijven van dit boek? Dat zegt hij in zijn “Woord vooraf’. Hij heeft gedacht aan degenen die geroepen worden geestelijke leiding te geven en die daarbij gedragen worden door de overtuiging dat de Bijbel ons geloof waard is. Hij heeft ook gedacht aan mensen die moeite hebben met de geloofwaardigheid van de Bijbel, maar haar toch niet kwijt willen. Tenslotte stonden hem voor de geest mensen die de Bijbel niet langer als boek van goddelijke openbaring aanvaarden.

De mensen, die weliswaar niet geroepen worden tot het geven van geestelijke leiding, maar die onvoorwaardelijk willen buigen voor het gezag van Gods Woord en die ervan overtuigd zijn dat de Bijbel ons geloof niet maar alleen waard is, maar dat geloof ook in alle opzichten vereist, heeft Loonstra dus kennelijk niet bedoeld. En ik denk ook dat er onder de lezers van ons blad niet zo heel velen zijn, die dit boek ter hand zullen nemen. Evenwel, dit boek zal toch zijn werk doen, met name ook in onze kerken., Het mag dan ook niet aan onze aandacht ontsnappen. Het mag ook niet onweersproken blijven. Met dit laatste heb ik eigenlijk al gezegd, wat mijn mening over Loonstra’s boek is. Welnu, laat ik dan nu eerst iets zeggen over de inhoud ervan.

De hoofdvraag die Loonstra zoekt te beantwoorden formuleert hij op pag. 190 zelf: “Dat is de vraag hoe wij de klassieke schriftopvatting over de Bijbel als het door de Heilige Geest geïnspireerde Woord van God kunnen verenigen met de resultaten waartoe het kritisch-analytisch onderzoek van de Bijbel heeft geleid”.

Loonstra gaat daarbij dus van twee zaken uit. In de eerste plaats wil hij eraan vasthouden, dat de Bijbel het door de Heilige Geest geïnspireerde Woord van God is. Daarin zijn we het van harte met hem eens. Hier onderscheidt Loonstra zich dan ook duidelijk van een man als Kuitert, die helemaal niet meer gelooft in de inspiratie van de Bijbel en in de Bijbel als Woord van God, maar die de Bijbel alleen maar als een menselijk boek ziet.

En het tweede waar Loonstra echter ook van uitgaat is het resultaat van het kritisch-analytisch onderzoek van de Bijbel. Er zijn de eeuwen door allerlei mensen geweest, die de Bijbel hebben ontleed en geanalyseerd en die tot allerlei conclusies zijn gekomen dat veel van wat er in de Bijbel staat zoals het er staat niet waar kan zijn. Welnu de resultaten van dat onderzoek zouden volgens Loonstra verenigd moeten en kunnen worden met het klassieke geloof dat de Bijbel het Woord van God is.

Juist uitgangspunt?

In de veronderstelling van de mogelijkheid van deze vereniging ligt dan tegelijk de zwakheid van het boek. Die mogelijkheid bestaat immers niet. Gods wijsheid en menselijke wijsheid zijn niet op dezelfde noemer te brengen. Of zoals ik ergens las “Kun je water en vuur vermengen? Zal het water van de klassieke schriftopvatting niet verdampen in het vuur van de schrift-kritische analyse?”

De vraag naar de verenigbaarheid van deze twee zaken kan wel gesteld worden, maar met het antwoord op die vraag kunnen we kort zijn. Daar behoeft niet een heel boek over geschreven te worden. Dat Loonstra toch dit boek schreef en daarin een poging doet om de mogelijkheid van de verbinding van “water” en “vuur” aan te tonen, loopt onvermijdelijk uit op een knieval voor de resultaten van de moderne bijbelwetenschap en daarmee op een opvatting omtrent de Schrift die op beslissende punten afwijkt van de klassiek-gereformeerde schriftopvatting. Maar nu loop ik al vooruit op de conclusies, die eigenlijk pas later getrokken moeten worden. Ik zeg dit alleen maar om aan te tonen, dat het uitgangspunt van het boek onjuist is.

Maar dan kunnen de conclusies natuurlijk nooit wel juist zijn.

Problemen met geloofwaardigheid

Loonstra signaleert in de Bijbel een aantal voorbeelden, waaruit zou blijken dat de historische of morele geloofwaardigheid van de Bijbel problematisch blijkt te zijn. Letterlijk schrijft hij (pag. 191): “Wij kunnen aan de uitlegkundige methoden in het Nieuwe Testament geen moreel gezag meer toekennen en ook het historisch gezag van opmerkingen dat de zon om de aarde draait is voor ons onaanvaardbaar”. Met deze woorden stelt Loonstra dus, dat het morele gezag zowel als het historische gezag van de Bijbel in feite niet altijd en overal te handhaven zijn. Eenvoudig gezegd betekent dat dat we niet alles behoeven te geloven wat de Bijbel zegt en ook niet alles behoeven te doen wat de Bijbel zegt.

In dit verband stelt Loonstra dat we in de Bijbel passages tegenkomen die overdrachtelijk bedoeld zijn en ook zo moeten worden uitgelegd.

Nu is het ontegenzeggelijk waar, dat er zulke passages zijn. Als Jes. 55:12 spreekt van bomen die de handen samenklappen is dat zo’n overdrachtelijke manier van spreken; beeldspraak. Dat voelt iedereen aan. Maar wat Loonstra wil is nog veel meer plaatsen overdrachtelijk lezen. Hij zegt dat hij tot de slotsom gebracht is “dat diverse gedeelten overdrachtelijk dienden te worden opgevat die niet bewust overdrachtelijk waren bedoeld” (pag. 192). Wat wil dat zeggen? Dat er volgens Loonstra gedeelten in de Bijbel staan, die vroeger niet, maar nu wel overdrachtelijk verstaan moeten worden. Die, om het met andere woorden te zeggen, nu anders verstaan en verklaard moeten worden dan vroeger het geval was.

Het morele en historische gezag van bepaalde gedeelten kan niet meer aanvaard worden, zegt Loonstra. Hoe onderbouwt hij deze stelling? Hij draagt een aantal voorbeelden aan. Het historisch-kritisch bijbelonderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond, dat Ai geen bewoonde stad was toen Israel in Kanaan aankwam. De stad was al lange tijd daarvoor verwoest en was dus al een puinhoop. Als dat resultaat van wetenschappelijk onderzoek vaststaat kan het relaas dat de Bijbel ervan geeft in het boek Jozua historisch niet betrouwbaar zijn. Het zou dan voor de hand liggen om een keus tussen die twee te maken. Maar Loonstra doet geen keus. Hij wil beide vasthouden en die twee met elkaar combineren. Maar hoe?

Ten aanzien van het morele gezag wijst Loonstra o.a. naar wat we lezen in 1 Sam. 15 over Gods bevel aan Samuël om de koning van de Amalekieten, Agag, te doden door hem in stukken te hakken. In verband daarmee schrijft hij: “Wanneer deze dingen tegenwoordig zouden plaats vinden, zouden wij dat beschouwen als de grofste schending van de humaniteit. Met ons christelijk geweten zouden wij ons eenvoudig niet kunnen voorstellen dat zoiets goedkeuring van God kan hebben” (pag. 46). En dan verwijst Loonstra voor de onder ons geldende normen naar de “Universele Verklaring van de rechten van de mens” (sici).

De morele geloofwaardigheid van de Bijbel is volgens Loonstra in het geding “bijvoorbeeld als het gaat over wreed geweld dat door God geaccepteerd of zelfs bevolen”. En dan voegt hij daaraan in dezelfde zin toe “en over de plaats van de vrouw ten opzichte van haar man in de samenleving”.

Het kon niet anders, ook de plaats van de vrouw moest in dit boek ter sprake komen. Een zaak die vanwege de steeds doorgaande discussie ook in onze eigen kerken aan actualiteit wint. Paulus heeft over deze zaak een aantal fundamentele zaken gezegd, bijvoorbeeld als hij in 1 Tim. 2 de positie van de man en die van de vrouw aan wijst met een beroep op de schepping. Daaraan ontleent Paulus het argument om de vrouw te verbieden onderricht te geven in de gemeente. Dus: er is voor de vrouw geen plaats in het ambt! Evenwel, met een beroep op de “overdrachtelijkheid” van bepaalde passages, die niet bewust overdrachtelijk bedoeld zijn, legt Loonstra Paulus’ woorden voor de situatie waarin wij vandaag leven, geheel anders uit. Als Paulus zich op de ordening in de schepping beroept voor de plaats van man en vrouw, is dat voor vandaag niet meer maatgevend: in de context van vandaag is er geen reden meer om de vrouw het geven van onderricht te verbieden (pag. 204).

Sleutel

Welke sleutel hanteert Loonstra nu om de Bijbel te openen? Wat is historisch en moreel wel betrouwbaar? Wat is wel en wat is niet overdrachtelijk? Wat zijn de contexten waarin iets dat niet overdrachtelijk bedoeld was wel overdrachtelijk verstaan moet worden? In Paulus’ dagen moest de vrouw zwijgen; in onze dagen mag ze spreken; kan er nog weer een tijd komen wanneer ze weer wel moet zwijgen? Dat hangt immers van de cultuur-historische context af? Is de Bijbel dan wel een boek voor alle tijden? Of moet er voortdurend een aanpassing plaats vinden?

Loonstra maakt onderscheid tussen de blijvende boodschap en de tijdgebonden context (pag. 199); tussen de heilswerkelijkheid en de daarbij gebruikte voorstelling (pag. 211). Op een andere plaats gebruikt hij het onderscheid tussen de historische kern en de interpreterende aanwas (pag.196).

Iemand die dat leest kan het natuurlijk niet helpen dat hij dan denkt: Waar heb ik zoiets meer gehoord? En dan herinner je je dat in de tijd toen Kuitert pas van zich liet horen hij ook onderscheid maakte tussen inhoud en verpakking. Wel, wat er mede uit dit onderscheid allemaal is voortgekomen is in de afbraak van de Gereformeerde Kerken in Nederland duidelijk zichtbaar.

Loonstra heeft dus een sleutel, die op de Bijbel past: onderscheid tussen kern en aanwas. Maar wat is nu kern en wat is aanwas? Wie maakt dat uit? Met andere woorden: Wie hanteert de sleutel? Daar heeft Loonstra ook een mening over.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Dr. Loonstra over de Bijbel (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken