Bekijk het origineel

Levensbeschrijving ds. Martinus Overduin (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Levensbeschrijving ds. Martinus Overduin (1)

8 minuten leestijd

Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft

Korte beschrijving uit het leven van wijlen Ds. Martinus Overduin (9-7-1892 - 17-9-1970). Laatstelijk predikant bij de Christelijke Gereformeerde Kerk te Woerden. Door hemzelf op schrift gesteld (ongewijzigd overgenomen).

Geachte lezer(es),

Daar het al lang in mijn hart ligt om iets van des Heeren daden te vermelden, zo neem ik dan met de hulp des Heeren de pen op en mocht het zijn tot lof des Heeren en tot zaligheid van zondaren, maar ook tot bemoediging voor des Heeren lieve volk.

Het behaagde de Heere mij het levenslicht te doen aanschouwen op 9 juli 1892. En werd geboren uit Godvrezende ouders.

In het begin van mijn levensjaren was ik zeer gering en tenger, en onderhevig aan veel zwakheden en ziektes. Zodat zelfs op een zekere dag de dokter beweerde dat het leven uit mij was, en ik al afgelegd werd, en mijn wieg in de voorkamer gezet werd. Doch neen, temiddemacht hoorde mijn vader mij kreunen en bemerkte tot grote büjdschap dat het leven er nog was. En mocht ik onder des Heeren Goddelijke Voorzienigheid onder veel tobben opgroeien.

Als kind werd ik opgevoed in de vreze des Heeren, zodat ik bewaard ben gebleven voor de uitbrekende zonde en goddeloosheden, en mag dan ook getuigen dat ik aan het dienen der wereld geen kennis heb.

Al vroeg mocht ik verkeren onder des Heeren volk. Daar mijn geliefde vader predikant was en te Boskoop stond in de Geref. Kerk. Daar weet ik weinig van, omreden ik zes jaar oud was toen vader vanuit Boskoop ging naar Lisse, in de Geref. Gemeente.

Als schooljongen ging ik te Lisse met mijn schoolvriend bij de mensen op “huisbezoek”, en vroeg of zij ook konden sterven, en zong dan een psalmversje, waarna ik dan weer heenging. Ook gebeurde het vaak dat ik als kleine jongen stilletjes met mijn schoolvrienden en vriendinnetjes de kerk inging, en klom dan de preekstoel op, en hield dan een preekje. Ja, ging zelfs zóver, dat ik doopte en avondmaal hield, totdat mijn geliefde vader dit hoorde, en mij ernstig vermaande en waarschuwde, en ik het niet meer durfde te doen. Maar ach, dit was alles nog buiten de Heere. Ik kende Heere nog niet, en ging dan ook uit kracht van opvoeding mee naar de gezelschappen, en zo groeide ik op als kind en jongeling. Ik herinner me nog dat er bij ons thuis een godzalige ouderling kwam, en mij altijd vroeg of ik mijn knieën al had gebogen, en trok mijn hand dan terug, want dat gezeur was ik allang zat en deed ik mijn best om hem te ontwijken. Zo ziet u dan wel, dat de opvoeding, hoe godzalig ook, ons geen stap nader tot de Heere brengt, ’t Is waar, later heb ik er de Heere voor leren danken. Daar hoop ik nog iets nader over te schrijven.

Zo mocht ik dan de leeftijd bereiken van achttien jaar, dat de Heere mij in de dadelijkheid een arm en verloren zondaar voor Zijn aangezicht kwam te maken. Het was in het jaar onzes Heeren 1910 dat ik op Hemelvaartsdag naar een innig kind van God ging, die al lange tijd op haar ziekbed gebonden lag (ene juffrouw Kooimans), en wiens ziekbed een predikstoel was en getuigde van de daden des Heeren. Toen ik daar kwam, zat haar huis vol met des Heeren volk, en hoorde men niet anders dan de tale Kanaans. Ik zat met verwondering te luisteren, en toen er een jong meisje een versje opgaf uit Psalm 68, waarvan het tweede vers, begon ik bitterlijk te wenen, en kreeg daar voor ’t eerst te zien: dót volk voor eeuwig gelukkig en ik voor eeuwig ongelukkig; ddt volk straks naar boven, maar ik voor eeuwig naar de hel. Zo kwam ik wenende en schreiende thuis, en vroeg vader mij wat er aan scheelde en waarom ik zo bedroefd was. O, pa! riep ik uit, dat volk gelukkig; ik eeuwig ongelukkig. Toen ging vader met mij ’s avonds weer naar een ouderling, maar daar was het niet zoals ’s middags. Ik deed niets als maar wenen. Des nachts doornatte ik mijn kussen met tranen. Dat volk gelukkig, ik voor eeuwig naar de hel toe. De andere dag, vrijdagsmorgens ongeveer elf uur (toen was ik slagersknecht bij mijn broer Jan te Lisse) ging ik bij H. van Voorst, die ook krachtig van de Heere bekeerd was, en die een sigarenwinkel had, een pakje rooktabak halen. Toen ik de winkel binnenstapte vroeg hij mij, of ik nogal Hemelvaartsdag had mogen vieren. Ik begon daarop hard te wenen. Kon niet één woord zeggen, maar werd als voortgedreven naar het verborgene. En daar op die hooizolder wierp de Heer mij neer, en liet mij in de dadelijkheid zien, hoe ik achttien jaar gezondigd had tegen een Heilig en rechtvaardig God, die mij nooit anders als goed gedaan had, en ik nooit anders als kwaad. Achttien jaar gezondigd tegen een goeddoend God. O, mijn ziel bezweek van smart en droefheid. Nu kon die Heilige en Rechtvaardige met zulk een monster als ik was nooit meer te doen hebben, maar moest mij voor eeuwig wegdoen, van voor Zijn heilig, rein en vlekkeloos aangezicht. O, daar zag ik mijzelf als een schender van al Gods deugden en volmaaktheden. Een overtreder van al de geboden Gods. Een opstandeling die God naar kroon en troon gestoken had, en uitriep: God van de troon en ik erop. O, hoe verschrikkelijk was Hij vertoornd over mijn aangeboren en werkelijke zonden.

Een Heilig God boven mij en een afgrond onder mij, en het zwaard van Gods gerechtigheid gewet op de wetsteen van mijn zonden, om mij elk ogenblik af te snijden, om dan voor eeuwig te moeten wegzinken onder de gloed van Gods heilige toom. O, mijn ziel maakte misbaar, en weende en klaagde: ach, dat ik zo gezondigd had, dat die Heilige en Rechtvaardige God, uit wiens hand ik zo rein was voortgekomen, mij nu voor eeuwig moest verdoemen. In deze zo bange nood van de ziel, kwam mijn vader mij halen van de hooizolder, waar de Heere mij had neergeworpen en zei: kind wees nu eens wat bedaard en ik moest uitroepen: O, pa! daar is een wond geslagen die nooit meer geheeld kon worden. Ik ben God kwijt en vermoed; ik voor eeuwig naar de hel. En onder dat roepen kwam ik thuis, en boog vader zijn knieën met mij, en riep tot de Heere. Las daarna Psalm 51, en bij elk woord riep mijn ziel uit: Gena, o God gena! Dag en nacht droop ik weg vanwege mijn Godsgemis. God kwijt. Alles kwijt. Mijn lieve godvrezende moeder liep mij na om toch wat te gebruiken. Maar ik moest uitroepen: Ach moe, ik heb niets meer nodig, ik ben God kwijt, en moet nu voor eeuwig naar de hel toe, want de Heere kan met zo één als ik ben, nooit meer te doen hebben. Ach mijn kracht verging van smart en droefheid. O, daar ging ik als een vervloekte banneling over de aarde. Mijzelf gemaakt een voorwerp van Gods toom. O, de hel wachtte op mij, om er elk ogenblik in neer te storten. Ik hield mijn pols vast en zei: O, God, hij slaat nog. Elke polsslag kon de laatste zijn. Toen heb ik een heden ingeleefd. Toen was het met de dichter: Ik lag geknield in banden van de dood. Ps. 116:2. Och, Heer! och wierd mijn ziel door U gered! vs. 3. En in deze bange zielenood behaagde het de Heere, door Zijn dierbare Heilige Geest mij in te winnen, voor het Goddelijk vonnis, zodat ik een welgevallen kreeg in de straffen Gods. En God recht en gerechtigheid mocht toekennen, en Hij geen onrecht deed als Hij mij, snode zondaar voor eeuwig zou wegdoen.

O, dat buigen onder het recht van God. Neen, nu deed God mij geen kwaad, al had Hij mij voor eeuwig weggedaan. Dat is mijn lezer(es) geen onverschilligheid, maar het hartelijk eens zijn met de Heere. O, ik wilde het met mijn bloed ondertekenen, dat ik niets anders verdiend had als de eeuwige dood en hel. Daar maakte de Heere mij een helwaardig schepsel, die nergens geen recht op had als op de eeuwige dood en hel. Ik zal des Heeren gramschap dragen, ik heb gezondigd en gedaan dat kwaad is in de ogen des Heeren. O dat vallen en buigen onder het recht Gods, daar kreeg mijn ziel verademing uit, en deed mij roepen: ach, Heere is er dan voor zulk één nog een weg en middel om deze welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen. O, mijn ziel was verwonderd dat ik nog niet in de hel lag. O, die lankmoedigheid en verdraagzaamheid des Heeren. Ach Heere, zou zo één als ik ben, nog gered kunnen worden? Zou zo één nog met U verzoend en bevredigd kunnen worden? Ach, zou zulk één nog genade mogen vinden in - Uw vriendelijke Godsogen?

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Levensbeschrijving ds. Martinus Overduin (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken