Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ook dit schreef Calvijn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ook dit schreef Calvijn

6 minuten leestijd

De reformator Calvijn heeft een grote nalatenschap. Veel heeft hij geschreven. Preken heeft hij uitgeschreven. Commentaren staan op zijn naam. In onze taal is al veel verschenen. Zo ook zijn standaardwerk de Institutie. In geschriften, in lezingen, in artikelen, op kerkelijke vergaderingen wordt Calvijn dikwijls geciteerd. En terecht, want zijn inzicht in de Schrift was groot. De Heilige Geest had hem gemaakt tot een verlichte geest. Zeker kan hij niet staan naast Paulus, maar iets gezaghebbends van de apostel heeft hij wel, zodat nogal eens met nadruk wordt gezegd: “maar Calvijn zegt dit, en Calvijn schrijft dat”. Op zich niet verkeerd, als Calvijn maar niet gaat fungeren als een bibliotheek.

Je neemt, wat je aanstaat. Ik vermoed dat dit ten aanzien van Calvijn’s werken ook voorkomt. In dit verband denk ik aan wat te lezen staat in zijn verklaring van Handelingen 26:18. Ik vrees dat dit niet door allen, die voor gereformeerd door willen gaan, onderstreept wordt.

De tekst is: “Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

Calvijn schrijft: “Het schijnt dat Paulus zich al te hoog verheft, door zichzelf toe te eigenen wat alleen Gode eigen is. Want wij weten, dat de ogen van ons verstand alleen door de Heilige Geest verlicht kunnen worden. Wij weten dat Christus de enige Verlosser is, die ons aan de tirannie van satan ontrukt. Wij weten dat het alleen God is, Die ons met uitdelging van onze zonden tot het deel der heiligen aanneemt. Maar dit is in de Schrift gebruikelijk, dat God de eer, die Hem alleen toekomt op Zijn dienaren overdraagt; niet dat Hij Zichzelf daardoor iets onthoudt, maar om de kracht des Geestes, welke in hen werkt, daardoor aan te prijzen. Want Hij zendt hen niet tot hun werk af, als dode werktuigen, of als toneelspelers, maar zo dat zij zelf krachtelijk werkt door hun hand. Dat verder hun prediking uitwerking heeft, hangt alleen af van Gods verborgen werkingen, Die alles in allen werkt en vruchtbaarheid geeft. De leraren worden dus gezonden, niet om ijdele woorden zonder vrucht uit te spreken, maar als personen die de blinden levenwekkend licht aanbrengen, de harten der mensen tot de vreze Gods vernieuwen, en de genade der zaligheid, die door de dood van Christus verworven is, aanbieden. Maar zij vermogen niets van dit alles, dan alleen voorzover God door hen werkt, zodat de lof Hem alleen toekomt, dewijl alle kracht alleen van Hem uitgaat. Wij moeten er dus op letten, zo dikwijls de Schrift de uitwendige bediening zo uitermate verheft, dat wij haar niet mogen losmaken van de Geest, Die haar levend moet maken, evenals de ziel het lichaam. Want op andere plaatsen leert zij ons hoe vruchteloos de menselijke ijver in zichzelf is, ja dat zij uit zichzelf in het geheel niets vermag. Want het is hun werk te planten en nat te maken, maar Gods werk alleen om de wasdom te geven. Maar aangezien velen door hun onwetendheid en kwaadwilligheid verhinderd worden, om zoveel vrucht van het Evangelie te verkrijgen, als wel hun roeping was, zo moeten wij op deze omschrijving letten, die ons in het kort en duidelijk de onvergelijkelijke schat voor ogen stelt.

Dit is dus de korte inhoud van het Evangelie, dat wij, verlost van de verduisterdheid in het verstand, het hemels licht deelachtig worden; dat wij verlost van de heerschappij van satan tot God worden gebracht; dat wij begiftigd met de genadige vergiffenis van onze zonden, deel krijgen aan de erfenis der heiligen in het licht. Hier moeten wij al onze zinnen op zetten, indien wij tenminste nut begeren te ontvangen van het Evangelie. Want wat zou ons de voortdurende prediking er van baten, indien wij er geen waarachtig gebruik van maken? Bovendien wordt ons hier een volmaakte beschrijving gegeven van de wijze, waarop wij zalig worden. Allen geven voor dat zij de zaligheid najagen; maar slechts weinigen letten er op, op welke wijze God wil dat wij Hem dienen zullen. Daarom is deze plaats, die duidelijk de weg aanwijst, als het ware de sleutel, die ons de deur des hemels opent. Bovendien moeten wij bedenken, dat het ganse menselijke geslacht van nature ontbloot is van deze goederen, van welke Christus ons betuigt dat wij ze door het geloof in Zijn Evangelie zullen deelachtig worden. Hieruit volgt, dat wij allen verblind zijn, omdat wij door het geloof verlicht moeten worden; dat wij allen slaven van satan zijn, omdat wij door het geloof uit zijn tirannie moeten verlost worden; dat wij allen vijanden Gods zijn en onderworpen aan de eeuwige dood, omdat wij de vergeving der zonden allen door het geloof ontvangen. Er is dus niet rampzaliger, dan wanneer wij buiten Christus en het geloof in Hem leven, waaruit tevens blijkt, dat men aan de vrije wil en de verdiensten der mensen geen waarde hechten mag. Wat nu de bijzonderheden betreft, zo moet men de verbetering verstaan van de kennis Gods, omdat ons inzicht geheel en al ijdelheid en dikke duisternis is, totdat Hij Zelf ons met Zijn waarheid beschijnt. Van wijder betekenis is wat er op volgt, namelijk het bekeerd worden van de duisternis tot het licht, want dat grijpt plaats wanneer onze zielen vernieuwd worden door de Heilige Geest. Derhalve hangen, naar mijn inzicht, dit zindeel en het volgende samen, namelijk het bekeerd worden van de macht des satans tot God. Want door deze uitdrukkingen wordt die vernieuwing bedoeld, waarvan Paulus meer in den brede spreekt in Efeze 2:10. Dan volgt nog de vergeving der zonden, waardoor God ons uit genade met Zichzelf verzoent, opdat wij niet betwijfelen zouden dat wij in verzoende betrekking tot Hem staan. Tenslotte noemt hij de voleinding van al het voorafgaande, namelijk het erfdeel onder de geheiligden. Sommigen lezen ondoordacht in enen door: onder de geheiligden door het geloof; want deze clausule (door het geloof) heeft betrekking op al het voorafgaande, zodat de betekenis deze is, dat wij door het geloof komen tot het bezit van al die goederen welke ons door het Evangelie worden aangeboden. Het geloof nu richt zich in eigenlijke zin op Christus, omdat alle delen onzer zaligheid in Hem besloten liggen, en het Evangelie ons beveelt ze nergens dan alleen in Hem te zoeken.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Ook dit schreef Calvijn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1995

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken