Bekijk het origineel

Het lied van Debora (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het lied van Debora (3)

10 minuten leestijd

De grote omkeer

“Heere, toen Gij voortoogt van Seïr, toen Gij daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water.

De bergen vervloten van het aangezicht des Heeren; zelfs Sinaï van het aangezicht des Heeren des Gods van Israel.

In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op de paden wandelden, gingen kromme wegen.

De dorpen hielden op in Israel, zij hielden op, totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israel.

Verkoos hij nieuwe góden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien of spies onder veertig duizend in Israel?”

Richteren 5:4-8

We komen na de inleiding tot de kern van het lied van Debora. Hier wordt de inzet van de grote ontkeer bezongen, die door Gods genade gekomen is en waar Debora als profetes het middel voor is geweest.

Eerst is er dan de verwijzing naar Gods grote daden in het verleden. Dan horen we hoe het geworden is, nog maar kort geleden. Tenslotte vernemen we hoe Debora ontwaakt is om door Gods verlossende genade te mogen dienen tot herstel.

Gods daden in het verleden

Debora herinnert dus allereerst aan de wonderen van God in het verleden. In dichterlijke taal zingt zij daarvan door de inspiratie van de Heilige Geest. Zo op het oog is het niet zo gemakkelijk te verstaan. Velen denken hierbij aan de wetgeving en verbondssluiting op de Sinaï. Het was ongetwijfeld een zeer belangrijk punt in de geschiedenis van Israel. Zo meent men dat voorgesteld wordt, dat de Heere dat volk tegemoet komt vanuit het Oosten. Zo zouden hier de namen van Edom Seïr spreken. Hoe dan ook, het is duidelijk, dat hier sprake is van het uittrekken van de Heere terwille van Zijn volk. Hij is tot dat volk gekomen en heeft de weg voor dat volk gebaand.

Het komen Gods was in Majesteit. Het gebeurde onder geweldige tekenen in het rijk van de natie. De hele schepping kwam in beweging. De aarde beefde. De hemelen dropen. Niets stond het komen Gods terwille van Zijn Israel in de weg. Alles moest meewerken. Het volk, dat Hij ten eigendom verkoren heeft ondervond Zijn machtige daden. Hij zorgde ervoor dat dit volk de weg ging en dat de vijanden het niet konden overwinnen.

We vinden een dergelijke voorstelling in Psalm 68. Daar zingt de dichter ook van de machtige verschijnselen door het uittrekken van God in de woestijn vanaf Egypte en het neerdalen op de Sinaï. “O God, toen Gij voor het aangezichts Uws volks uittoogt, toen Gij daarheen traadt in de woestijn, sila, daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn, zelfs deze Sinaï voor het aanschijn Gods, des Gods van Israel” (Psalm 68:8 en 9). Hier wordt dus gedacht aan het vooruittrekken van God vanuit Egypte tot de Sinaï.

Zouden we hier bij het lied van Debora niet moeten denken aan ál de daden des Heeren, Die Hij gedaan heeft om het volk te leiden uit Egypte naar het land der belofte, waarbij de aanneming van dat volk bij de Sinaï een centrale plaats inneemt? Hij had dat volk uitverkoren om Zijn volk te zijn en heeft daar alles voor gedaan.

Die herinnering aan de daden Gods in het verleden heeft een sprekende plaats in dit lied. Er is een duidelijke band tussen de vermelding van de wonderen Gods uit de eerste tijd van Israel en de grote ommekeer, waarvan Debora zingt.

Op zichzelf zal een herinnering aan het verleden niet altijd van betekenis zijn. Het volk van Israel zal onder de druk van Jabin ook wel teruggedacht hebben aan tijden, dat die druk er niet was: vroeger was het beter dan nu! Maar zo’n gedachte geeft nog geen worstelingen voor het aangezicht des Heeren. Is het niet alle eeuwen zo geweest, dat in een tijd van teruggang de klacht gehoord is, dat het zoveel anders is als vroeger, maar dat het geen wezenlijke verootmoediging voor God betekent heeft? Alleen in de weg van beleefde wederkeer kregen in zo’n tijd de wonderen Gods in het verleden betekenis. Echte wederkeer houdt in: erkenning van eigen schuld. Het volk had het verzondigd voor de Heere. Daarom had de Heere hen verkocht in de hand van Jabin en was er zo grote ellende over hen gebracht. Dan wordt het gezien, dat ze het zélf geweest zijn, die zich hebben afgekeerd van God. Die zo grote wonderen in het verleden heeft willen doen.

Is er dan óók niet het wonder, dat God tóch nog gedenken wil aan Zijn onwankelbaar Verbond ? Hij is ondanks alle ongerechtigheden Dezelfde gebleven, Die niet afziet van Zijn genade voor dat volk. Dan mag de Heere aangeroepen worden om Zijn onveranderlijke trouw. Het ontwakend geloof, dat vanuit de diepte van de schulderkenning oog gekregen heeft voor de daden Gods in het verleden, leert zo pleiten op de Heere. ‘t Raakt Zijn Naam en Zijn eer, dat de Heere weer opnieuw Zijn daden openbaart tot verlossing van Zijn volk.


“Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond
Denk aan Uw volk, door U, vanouds verkregen...” Psalm 74!


Ziet dan is er nog reden tot bemoediging temidden van de omstandigheden van vandaag. Het spreekt ook in het persoonlijk geestelijk leven van die God vrezen, als ze betere tijd hebben gehad. Hoe wordt het pleiten geboren in de rechte verootmoediging: “hoe onverdiend ook, Heere betoon Uw gunst, weer opnieuw tot eer van Uw Naam!”

De ingezonken toestand

Er is niet alleen de herinnering aan de bijzondere tijd, dat Gods grote daden voor het volk uitkwamen. Debora zingt er ook van: hoe anders het geworden is. Ongetwijfeld heeft ze daarbij het oog op de tijd vóórdat de roeping tot de strijd weer door Israel klonk. Het gaat om de ingezonken en smadelijke toestand onder de verdrukking van Jabin.

We lezen hier van de dagen van Samgar en Jaël. Het kan vreemd lijken, dat deze personen hier worden genoemd in verband met die treurige tijd. Bedoelt Debora Samgar en Jaël verantwoordelijk te stellen voor het verval? Verre vandaar! Samgar was een door God geroepen richten.

Hij doodde met een ossenstok 600 Filistijnen. Jaël was een vrouw, die ook bijzonder uitkwam en door Debora aan het eind geprezen wordt. Heel duidelijk komen zij beiden uit als mensen, van wie nog kracht uitgaat in de donkerheid van Israel. Zij waren echter eenzame figuren in het midden van Israel. Het zag er in het algemeen treurig uit.

De wegen hielden op. Die op de paden wandelden gingen kromme wegen. De dorpen hielden op. Het geeft een tekening van de droevige toestand. We zouden kunnen denken aan de tijd van de laatste wereldoorlog, die de ouderen nog bewust hebben meegemaakt. Toen kon je ook moeilijk langs de wegen gaan. De vijanden loerden op de mannen om hen weg te voeren tot hun dienst of om het voedsel, dat ergens gehaaid was, op te eisen. Onderduikers moesten langs allerlei sluipwegen gaan. Ze waren niet veilig op de gewone wegen. Zelfs de dorpen hielden op. Ineens kon een dorp omsingeld worden en werden de mannen weggevoerd. We denken aan Putten. Zo was het in Israel: de rovers hadden vrij spel omdat het in die tijd aan kracht ontbrak om kooplieden te beschermen. De handel stond stil. Reizigers gingen langs allerlei bijwegen in voortdurende angst. De inwoners van de dorpen waren weggevlucht naar de steden, die beter beveiligd waren. Dat was nu het volk, dat de Heere het land der belofte ten erfdeel gegeven had...! Van dat volk moest het gezegd worden, dat zij de Rotssteen vergeten hadden, die hen gegenereerd had. Laten we bedenken, dat de Heere Zijn ongenoegen ook vandaag nog bewijst. Dan behoeft het niet zo te zijn als hier getekend. Het kan ook uitkomen in een tijd van welvaart, als de zegen erin gemist wordt. Kunnen we het niet zien in een corrupte samenleving in de overgave aan wellusten enz.?

Geen schild of spies...

We gaan naar vers 8. Dat tekent nog indringender de ingezonken toestand! Hier wordt de achtergrond der ellende geopenbaard. “Verkoos hij nieuwe góden dan was er oorlog in de poorten...” De dienst des Heeren werd verlaten. De afgoden werden nagewandeld. Het bracht het oordeel Gods over het volk. Hij zond in Zijn toorn de onderdrukkers met alle gevolgen vandien.

Het allerergste was, dat er geen verweer meer was tegen de vijanden. We horen het in de vraag “werd er een schild of spies gezien onder veertig duizend in Israel?” Het kan tweeërlei betekenen: zij waren door hun vijanden ontwapend óf zij durfden de wapenen in de praktijk niet gebruiken. We denken aan het laatste. Ze waren verlamd van vrees voor de vijanden onder de tuchtigende hand van God. Ze waren bezet met ongeloof. Ze waren alleen maar bang voor Sisera en zijn ijzeren wagens.

Is het niet, alsof hier het erfdeel van de kerk van vandaag levend wordt uitgebeeld? De welvaart wordt als een afgod door velen boven alles gezocht. De vleselijke begeerlijkheden vieren hoogtij. Het eenvoudige leven, dat de Heere en Zijn Woord zoekt, is verweg. Dan blijven de gevolgen niet uit: “kanaänieten” hebben het hoogste woord en er is nauwelijks verweer. De geestelijke wapenrusting komt niet openbaar. De strijd tegen de vijanden is verflauwd. Velen leggen zich bij de ingezonken toestand neer.

Moet het niet tot ons allen spreken of hier ónze naam genoemd wordt?

Moeder in Israel

De grote omkeer is gekomen! We horen het Debora zingen “totdat ik Debora opstond”, ‘t Lijkt wel erg hoog gesproken! Het is hier echter weer de taal van de profetes des Heeren. Het gaat erom, dat zij door God geroepen is. Terwijl in Israel de machteloosheid de toon aangaf, heeft zij door de kracht van Gods genade de noodzaak van de strijd weer beleefd. Zij verstond het, wat de diepste oorzaak was van de ingezonkenheid. Zij wist van Israels schuld, maar kende ook het ware geloof in de God van Israel. Zij mocht uitgaan naar die God, Die door alles heen de Getrouwe gebleven was en Zijn Woord waar zal maken. Dat deed haar ook opstaan om te roepen tot de strijd.

Zij is inderdaad een “moeder in Israel”. Een naam, die veel zegt! Een moeder draagt haar kind. Zij doet er alles voor. Zij geeft dat kind onderwijs. Zij is bewogen met het wel en wee van dat kind. Gelukkig daarbij als dat alles ook uitkomt voor de geestelijke belangen van dat kind. Zo was Debora een moeder in Israel. Zij was een godvrezende vrouw. Verlicht door Gods Geest. Zij kende het leven in de verborgen omgang met God. Zij verstond de oorzaak van Israels ellende en beweende die voor God. Maar zó leefde ze mee, bestrafte als profetes en bemoedigde in de nood met wat God beloofd had. Zij was voorbidster voor haar volk. Zij zag op God bij een overmachtige vijand.

De kracht van de opstanding van Christus was in haar. Gelukkig het volk, de kerk, waar zulke een moeders in Israel zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Het lied van Debora (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken