Bekijk het origineel

Ds. F. Bakker 1919 -1965 (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ds. F. Bakker 1919 -1965 (4)

8 minuten leestijd

Het heeft zeker zijn nut onze aandacht te vestigen op het leven en de prediking van voorgangers die onze kerken hebben mogen dienen. Ja, de heilige Schrift wekt er zelf toe op, waar we immers lezen in de Hebreenbrief: “Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben, en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.” Zij spreken nog nader nadat zij gestorven zijn. We hebben reeds enkele stukjes geschreven over het leven en werk van wijlen ds. F. Bakker. Zo heel veel bijzonderheden zijn van hem niet bekend. Hij hield zeker niet van meer dan gewone aandacht voor zijn persoon. Het ging hem om de boodschap -en die had hij. Dat is wel gebleken. Ja, hij had een woord voor jong en oud, bekeerd en onbekeerd. Wat opvalt is de liefde die je erin proeft. Dat kwam uitzijn hart.

Onbekeerden

De vorige keer hebben we gehoord dat hij een woord had voor de jeugd. Nu een woord voor de onbekeerden. Ds. Bakker sprak uit psalm 40: 3a -“Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald.” Het klonk: De dichter van deze psam is zijn verleden niet vergeten. Dat mag ook niet. Want door de herinnering aan wat een kind van God in zichzelf geweest is, wordt hij klein gehouden, opdat God verheerlijkt zal worden. Deze dichter vergelijkt zijn verleden met iemand, die is neergedaald in een ruisende kuil. Zo was zijn toestand voordat God naar Hem omzag....We verkeren in de macht van het verderf. Die kuil is te diep om jezelf daaruit te verlossen.

Tenzij we worden opgetrokken met koorden van Gods goedertierenheid. Maar dat is God niet aan ons verplicht en dat wordt ook de beleving. Hierbij kunt ge nooit genoeg stil staan, onbekeerde zondaar. Wordt toch eens werkzaam met uw verloren toestand buiten genade. Vraag toch eens aan de hemel om een inzicht van uw eigen ongeluk. Want het staat er niets beter voor met u dan het hier wordt beschreven. Hoe kunt ge nog rust hebben in deze kuil! Het is niets anders dan blindheid. Geloof toch, dat ge blind voor uzelf zijt en smeek de Heere om twee ogen er bij, opdat ge zien moogt. Want ge zijt aan het zinken. Wie dat ziet, kan niet meer rusten. Hij moet geholpen worden. En o wonder, dat kan nog. Het kan nog bij God. Of eigenlijk moet ik zeggen, dat het bij God ook niet kan, want de Heere is recht, en het is naar het recht dat een zondaar verloren gaat.

Het kan dus bij God ook niet. Maar ziet. Zijn enig geliefde Zoon heeft God geschonken, en die Zoon schonk Zichzelf om even diep in die kuil neer te dalen als de mens was gevallen, zodat het toch bij God kan om Christus’ wil. Het koord der liefde, waarmee de verlorenen worden opgetrokken, dat is Christus. Door de genade in Christus mag de psalmdichter zeggen, dat hij is opgehaald. Dat kan hij nooit meer vergeten. Hij moet zijn afkomst vertellen om te kunnen zeggen wie God voor hem geweest is.

Bekommerden

Het treft ons dat ds. Bakker duidelijk ook een woord had voor de bekommerden. Bijna aan het eind van zijn preek over Genesis 49: 18 en 33 - “Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!” luidt het. Nu is er ook een bekommerd volk. Tegenwoordig zouden ze er een beetje om glimlachen.want het is een ouderwetse uitdrukking. Een bekommerd volk, wat is dat? Je moet toch geloven en je moet toch aannemen dat God goed is en je zonden vergeven zijn? Dan is het toch wel goed, dan hoef je toch geen vrees voor de dood te hebben?

Maar toch, daar is een bekommerd volk in de kerk des Heeren, en dat bekommerde volk kan soms veel ervaren hebben van de hemel en dat ze toch nog zeggen: “Ik weet het niet.” Of het moet anders zijn en dat er onder ons zijn, die menen “klaar te zijn” met wat er gebeurd is. Ik kan het mis hebben, maar ik vrees voor dezelken, want aan deze zijde van het graf komen we niet klaar. Er is een bekommerd volk. O, het kan zo donker zijn. Het kan zo gesloten zijn. Geen uitgang en geen doorgang. Dat wil zeggen: een gesloten hart en een gesloten hemel. Ze kunnen zo bedolven raken onder de raadselen, al is het soms maar onder de omstandigheden van het leven. En toch te weten wat er in het verleden gebeurd is, maar ze kunnen het er niet mee doen. Ze vrezen, dat ze tot Kaïn zullen verzameld worden en tot Judas en tot Demas.

Ze vrezen, dat ze terecht zullen komen bij de vloekers en de spotters. Dan is er toch nog een kenmerk. Want weet u wal de grootste droefheid is van dat volk? God te missen. En de grootste blijdschap is iets van Gods gemeenschap te ervaren. Als dat waar is geworden, de grootste droefheid en de grootste blijdschap, och, dan kan de duivel dezulken in de hel niet gebruiken. Daar kan de satan niets mee beginnen en de helwaardigen komen juist niet in de hel. Daarom, zalig degene, die zijn helwaardigheid leert beleven. Al kan hij het er niet mee doen, al is het de grond niet, het is toch de weg.

De laatste grond is Jezus, en dat zal alleen maar kunnen zijn, zoals Jakobs laatste woord: “Uw zaligheid.” Dat is het enige houvast. “Uw zaligheid, HEERE.” Dat wil zeggen: ik heb er niets aan gedaan. Dat moet ge maar leren, dat er niets aan te doen valt. Buiten Jezus geen kerk, geen zaligheid, geen hemel.

O, wat is het dan nodig om buiten Jezus een verloren mens te worden. Dan is het nodig om aan deze zijde ook te leren vragen: “Op Uw zaligheid wacht ik. HEERE!”

Gods volk

Dominee Bakker had ook veel voor Gods volk. Zo preekte hij bijvoorbeeld eens over de kreupele in de Schone Poort. U vindt dat in Handelingen 3: 3 - 9. Drie punten.

De verlamde in de Schone Poort is een beeld van

1. Ellende

2. Verlossing

3. Dankbaarheid

Aan het einde van de preek vroeg hij: Volk des Heeren, heeft de Heere een wonder aan u verricht?

Moogt ge ook spreken van de goedertierenheid Gods? Moet dan geen schaamte op uw aangezicht komen als ge let op de dankbaarheid? En als ge nu bemerkt, dat ge met uw uitreddingen zo bitter weinig bij de Heere terechtkomt? Hebt ge dat dan ook nooit eens, dat ge uzelf afvraagt: Zou het bij mij wel een ware verlossing wezen? Want als de verlossing zaligmakend is gaan we toch in beginsel - daar gaat niets van af - de eer van God zoeken. Dan gaan we toch sterven aan onszelf en aan onze eigen bedoelingen. Dan is het toch om de Heere te doen. En zo niet, dan moet ge dat maar eens eerlijk nazien, wanneer het nooit gebeurt dat ge wel eens eindigen moogt in de Gever en dat ge die gemeenschap niet kunt missen, dat ge nooit eens smaak vindt in de liefdedienst des Heeren, dan moet ge maar eens nazien of uw verlossing niet een beprate verlossing geweest is. Een zaak van theorie. Want de ware wonderen Gods binden aan de Heere om meer van God te ontvangen. Hoe meer liefde, hoe meer het wordt: God heb ik lief, want die getrouwe Heer, hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen. De Heere weet het, ge hebt niets aan te bieden. De Heere heeft niet een volk, waarvan hij zoveel verwacht, maar Hij zegt: “Mijn zoon, geeft Mij uw hart.” Dan wordt het toch een liefdedienst, dan wordt het toch een hartedienst en dan hebt ge alles aan te bieden. Die vrucht is dan niet uit u, dat weet ik wel, maar die is dan toch wel uit Christus gevonden. Dan wordt het: Neem mijn leven, laat het Heer’, toegewijd zijn aan Uw eer.

Tot zover over de prediking van wijlen ds. F. Bakker. Samenvattend kunnen we opmerken, dat hij Bijbels-bevindelijk preekte. Wat op viel, was de gunning en de liefde tot het verlorene. “Laat u met God verzoenen.” Wat waren de zielen hem op het hart gebonden. Hoe kon je dat horen in elke preek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Ds. F. Bakker 1919 -1965 (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken