Bekijk het origineel

De zondag in plaats van de Sabbat (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De zondag in plaats van de Sabbat (2)

6 minuten leestijd

De zondagswetten

Wanneer iemand stelt dat keizer Constantijn in de vierde eeuw na Christus de zondag heeft ingevoerd, is dit geen juiste stelling. Hij heeft de zondag niet ingevoerd, maar wel wettelijke bepalingen uitgevaardigd aangaande de zondag die in zijn dagen al onderhouden werd door de christenen. De zondag werd immers al waargenomen vanaf de dag van de opstanding. De Schriftgegevens in het Nieuwe Testament getuigen hiervan, zo bleek ons in het vorige artikel. Wel is keizer Constantijn op nauw bij de zondag betrokken geweest. Hij heeft die dag als een verplichte rustdag voorgeschreven. Ook de heidenen moesten deze dag onderhouden. De christenen deden het dus al, maar de heidenen werden door keizer Constantijn verplicht ook deze dag te houden. Al dan niet vrijwillig werd dus de zondag gevierd. Op 7 maart 321 vaardigde keizer Constantijn het eerste edict aangaande de zondagsviering uit. Het was geen uitgebreide wet. In dit edict werd voorgeschreven dat alle rechters en de stadsbevolking op de vererenswaardige dag der zon van hun handwerk moesten rusten. De arbeid op het veld werd nog toegelaten omdat anders gunstige gelegenheden tot zaaien en planten verloren zouden gaan. In juni 321 werd een andere bepaling gemaakt bij dit eerst edict: ook slaven werd vrijheid gegeven de zondag te houden. Zo konden voortaan slaven en vrijen de zondag onderhouden. In 386 werd bepaald dat er op zondag geen publieke vermakelijkheden mochten worden gehouden. Dit zou immers mensen kunnen aftrekken van de christelijke godsdienstoefening. In het jaar 425 werd bij wet bepaald dat alle aandacht van de christenen gericht behoorde te zijn op de dienst des Heeren. Hier proeven wij iets van de geest van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Iemand die de overheid wetten aangaande de zondag overtrad werd als een heiligschenner berecht. De staat heeft zich dus duidelijk met de zondag beziggehouden in de wetgeving. Maar niet alleen de staat heeft bepalingen gemaakt aangaande de zondagsviering. Ook de kerk heeft besluiten genomen aangaande deze zaak. In het jaar 324 verbood de kerkvergadering het vasten op zondag. In het jaar 325 verbood men het knieland bidden op zondag, er diende staande gebeden te worden. In het jaar 360 werd het rusten op zaterdag verboden.

Karei de Grote ging in zijn wetten van de gedachte uit dat de christelijke zondag de voortzetting is van de joodse sabbat. Een wet van zijn hand uit 789 begint als volgt: “Wij stellen vast, volgens hetgeen de Heere in de wet heeft bevolen, dat slafelijke werken op de dag des Heeren niet worden verricht.” De eerste christelijke kerk was bevreesd geweest voor een verjoodsing van het christendom en had daarom de zondagsviering niet gebonden aan de joodse wet. Nu werd dit wel gedaan. De zondag werd verbonden met het vierde gebod. De wetten en verordeningen aangaande de zondag die door Karei de Grote werden uitgevaardigd sluiten nauw aan bij de synodale besluiten. Men beoogde te komen tot een gezonde zondagsviering in het rijk van Karei de Grote. In de wetten van Karei de Grote werd ook uitgesproken dat de zondag er niet is om niets te doen, maar om als christenen bezig te zijn in de dingen Gods. Een zondag die niet aan God wordt gewijd betekent geen zegen maar een vloek voor een gezin. Dat is een gedachte waarmee we ook in onze tijd onze winst kunnen doen. Er valt een lijn te trekken naar zondag 38. Daar wordt gesproken over het naarstig komen tot de prediking, de sacramenten te gebaiiken en de armen christelijke handreiking te doen. In 789 spreekt Karei de Grote uit dat men niet op joods-wettische wijze behoort te rusten, maar dat men als christenen naar de kerk behoort te gaan en God de Heere te loven in alle dingen, die Hij ons op die dag heeft geschonken. Karei de Grote spreekt dan ook van Woord en sacrament en van het beoefenen van christelijke barmhartigheid. Volgens de Frankische wetten mochten de vrouwen de was niet doen op zondag, maar wel mocht er eten klaargemaakt worden. Alle slafelijke arbeid, dus alle werk wat door de week werd verricht, de zogenaamde zesdaagse arbeid was verboden, maar er werd wel ruimt gelaten voor het noodzakelijke werk. In een wet van 789 treffen wij drie uitzonderingen aan op het algemeen verbod van arbeid: 1. het verdedigen tegen de vijand. 2. het bereiden van spijzen en 3. het begraven van een dode, zo nodig. Keizer Constantijn had een uitzondering voor het werk op het land gemaakt, maar deze uitzondering werd in de Frankische wetten niet gehandhaafd. In 630 was het werk op het veld en in de wijngaarden al verboden met de toevoeging erbij: “opdat de mensen vrij zijn om naar de kerk te gaan en de prediking te horen. Karei de Grote (die regeerde van 768-814) heeft deze bepalingen verder uitgebreid: niet in de wijngaard werken, niet ploegen, niet maaien of gras snijden, geen heg planten, geen huis bouwen, niet jagen. Karei de Grote verbood ook het kopen en verkopen op de zondag. Hoe anders is het in onze dagen. De overheid vaardigt wetten uit waarin op een bepaald aantal zondagen winkels open mogen zijn. We zien een ontwikkeling al verder van Gods Woord en wet af.

In de Frankische tijd golden strenge straffen voor het overtreden van de zondagswetten. Krachtig werd opgetreden om de zondagswetten te handhaven. Bijvoorbeeld honderd geselslagen voor een slaaf. Een vrije kreeg opsluiting totdat hij schuld bekende en beterschap beloofde. Wie in het kwade volhardde kon zelfs gekruisigd worden. Een deel van het vermogen kon je kwijtraken door de zondagswetten te overtreden. Wie ossen voor de vrachtkar spande op zondag was zijn rechteros kwijt. Dit waren forse maatregelen om de zondagsviering te handhaven en tegen overtreders van de zondagswetten op te treden. In de Middeleeuwen golden in grote lijnen dezelfde regels en wetten aangaande de zondag als in de Frankische tijd. Voor vrouwen gold bijvoorbeeld dat zij niet mochten weven, spinnen, naaien, borduren, wol en vlas bewerken. Er zijn ook synodale uitspraken aangaande de zondag. In 747 werd door een synode aan geestelijken verboden op zondag wereldse bijeenkomsten bij te wonen. Zij mochten op de zondag ook niet reizen, maar moesten blijven in hun klooster en kerken. In 791 bepaalde een synode dat men zich op zondag van alle zonde diende te onthouden en van alle vleselijk werk, men moest bezig zijn in gebed, kerkgaan en dergelijke zaken. Het verbod van zondagsarbeid op het land bleef in de Middeleeuwen gehandhaafd. Alleen in uitzonderlijke gevallen kon de priester verlof geven toch wat arbeid op het land te verrichten. Vanaf Constantijn de Grote is dus de arbeid op zondag verboden. Ook het reizen op zondag werd verboden, tenzij bij noodzaak.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De zondag in plaats van de Sabbat (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken