Bekijk het origineel

Des Christens groot interest (7)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Des Christens groot interest (7)

9 minuten leestijd

In het vorige artikel zagen we hoe Guthrie het nieuwe leven als een kenmerk van ons deel aan Christus beschouwt. Hij heeft dit nieuwe leven omschreven als een complete en radicale verandering. Elke zondaar die deel heeft aan de Heere Jezus Christus is, is een nieuwe schepping, ook al is deze vernieuwing in dit leven niet volkomen.

Schijnbare vernieuwing

Vervolgens gaat Guthrie in op de vraag of ook schijngelovigen soms geen opmerkelijke verandering in hun leven laten zien. Guthrie geeft aan dat schijngelovigen op ware gelovigen lijken. Een on wedergeborene kan soms een diep inzicht in de waarheid van Gods Woord hebben. In Hebreeën 6:4 lezen we van mensen die het goede Woord van God hebben gesmaakt en verlicht zijn geweest. Een onwedergeborene kan ook in zijn gevoel worden aangeraakt en het Woord met vreugde ontvangen, volgens Mattheus 13:20. Ook kunnen schijngelovigen uiterlijk een aantal dingen verbeteren in hun leven. Je uiterlijke manier van leven kan een verandering ondergaan. Je kunt bepaalde godsdienstplichten gaan waarnemen en bepaalde zonden nalaten. Zo laat Guthrie zien dat onwedergeboren mensen soms in een bepaald opzicht een vernieuwing laten zien.

Soms kan die vernieuwing heel ver gaan. Een geveinsde als Achab verootmoedigde zich en bekleedde zich met een zak als een teken van berouw. In Ps. 50:18: “Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen en neemt Mijn verbond in de mond?” De goddeloze spreekt over Gods inzettingen en heeft het verbond van God in zijn mond. Zo ver gaat een goddeloze. We kunnen ook naar Demas kijken om een voorbeeld te hebben van een tijdgelovige. Paulus zal eerst ook gedacht hebben dat Gods werk in zijn leven zichtbaar was geworden. Anders had Paulus hem niet meegenomen op zijn reizen. Toch is hij een afvallige, die de wereld heeft liefgekregen. Om niet meer te noemen: in Jesaja 58:2 klaagt de Heere over het volk dat hem zoekt in de gebeden en door vasten. Het volk neemt deze dingen trouw in acht. Maar de Heere wekt hen op tot een ander vasten: “Is dit niet het vasten dat Ik verkies dat gij losmaakt de knopen der goddeloosheid?” Naast hun nauwkeurige godsdienstige verrichtingen, blijven ze verstrikt in de knopen van de goddeloosheid en ze doen er niets aan om zich daarvan te bevrijden. Guthrie geeft vele voorbeelden uit de Schrift om aan te geven dat een ongelovige ook vernieuwd lijkt te zijn. Hij kan iets hebben wat lijkt op het echte geloof. Je kunt met koning Saul overtuigd zijn van je zonde. Felix beefde ook voor het Woord van God toen Paulus hem daarmee confronteerde. Van Simon de tovenaar lees je ook dat hij geloofde. Herodes hoorde graag naar de prediking van Johannes de Doper. Deze mensen vertonen in een bepaald opzicht iets van een vernieuwing.

Onderscheid

Maar wat is dan nu het onderscheid tussen een schijnbare vernieuwing bij een geveinsde en een echte vernieuwing door de Heilige Geest? Bij een schijnbare vernieuwing blijft het hart altijd buiten schot. Het hart van een schijngelovige blijft onvernieuwd. En dat is de reden dat zijn vernieuwing ook altijd maar betrekking heeft op één bepaald deel van zijn leven. Zijn vernieuwing omvat niet het hele leven omdat zijn hart onvernieuwd is gebleven. Hun vernieuwing raakte alleen hun verstand, of hun gevoel of hun levenswandel. De vernieuwing bij een schijngelovige is maar gereserveerd voor een bepaald gedeelte van zijn leven. Een ander onderscheid ligt in de motieven van gelovige en ongelovige. Een geveinsde kan uiterlijk de Heere wel dienen, maar het is niet met de hartelijke begeerte om de Heere Zelf te dienen. De Farizeeën zijn een voorbeeld van zulke mensen. Ze dienden de Heere om zelf van de mensen gezien te worden. Je kunt de Heere ook dienen om je eigen geweten wat gerust te stellen. Zo zijn er verschillende motieven die er toe kunnen leiden dat mensen uiterlijk wel de Heere dienen, maar niet met hun gehele hart. In hun hart nemen ze geen afscheid van de zonde en de ongerechtigheid. Ze willen ook niet alles opgeven om Christus te volgen. Bij de geveinsden staat nooit bovenaan om eerst het Koninkrijk van God te zoeken. Ze hebben geen Borg voor hun schuld nodig omdat ze andere motieven hebben om godsdienstig of ‘gelovig’ te zijn. De geveinsden, hoe vernieuwd zij ook op een bepaald punt lijken, missen de kernzaken van het echte geloof. Ze missen het verbroken hart, ze weten niet wat het is om van zichzelf te walgen en alle eigen gerechtigheid als verwerpelijk te beschouwen. Ze hebben nooit de Heere Jezus door het geloof aangenomen als de Parel van grote waarde, die hen alleen rijk kan maken. Ze hebben ook geen hartelijk verlangen om het juk van Christus op zich te nemen. Bij een geveinsde mis je de drie dingen die ook de catechismus noemt: persoonlijke kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid.

Guthrie beoogt met deze weergave twee dingen. Eerst wil hij de schijnge-lovigen ontdekken aan hun schijngeloof. Ten tweede wil hij vooral hen die worstelen met de vraag of hun geloof echt is, leiden en vertroosten. Met name hen wil Guthrie bemoedigen opdat zij door deze weergave de vruchten van de genade in hun eigen hart met een geestelijke blijdschap mogen waarnemen (Dordtse Leerregels I, 12). De Heilige Schrift wil deze eenvoudige kenmerken uit het Woord gebruiken om tot de vastheid en zekerheid in Christus te leiden. Deze dingen drijven uit naar de Heere Jezus om van Hem meer genade te mogen ontvangen en de zekerheid in Hem te bezitten. Ook ons wordt vanuit de Schriften dit aangereikt om onszelf te onderzoeken of we werkelijk deel hebben aan Christus. We hebben er niets aan om onszelf in te beelden dat het wel in orde zit en we ontdekken te laat dat het niet in orde was. Is ons hart vernieuwd? Of zijn we ook alleen maar bezig om ons leven gedeeltelijk op te knappen? We zijn er niet als we alleen een aantal plichten vervullen, zoals Bijbellezen, bidden, kerkgang. Het zijn natuurlijk waardevolle en onmisbare dingen. Maar hoe staat uw en mijn hart tegenover de Heere? Zijn we dan dubbelhartig? Houden we ondanks de trouwe vervulling van onze plichten, ook in ons hart vast aan de zonde, die we niet los willen laten? We kunnen denken van onszelf wat we willen, maar zonder het zoeken van de Heere met mijn gehele hart, red ik het niet. Een gedeeltelijke verandering is nog niet een complete verandering. Is dit niet het vasten wat Ik verkies, zegt de Heere, dat u losmaakt de knopen van de goddeloosheid? Maar de Heere is gewillig om ons die hartelijke vernieuwing te geven. Hij belooft in Zijn Woord: “Ik zal u een nieuw hart geven”. Wie onvernieuwd van hart is, mag zijn hart geven aan de Heere. Hij weet raad met een stenen hart dat achter een mooi, keurig leven schuil gaat. Hij neemt het stenen hart weg en schenkt een vlezen hart.

Overgebleven zonden

Ook al ben je dan compleet veranderd en vernieuwd door de Heilige Geest, toch zijn er nog zonden en zwakheden in ons leven. En die overgebleven zonden lijken zo in strijd te zijn met het vernieuwende werk van de Heilige Geest, dat een kind van God niet zeker is van zijn deel aan Christus. Het ene moment mag je iets bij jezelf opmerken van Gods werk in je hart, maar het volgende moment heeft de zonde weer de overhand. Guthrie verwijst daarbij naar Psalm 65:4: “Ongerechtige dingen hadden de overhand op mij, maar onze overtredingen verzoent Gij.”

Hij maakt dan wel onderscheid tussen grove zonden en de dagelijkse zonden en zwakheden. Wanneer wij een uitbrekende of grove zonde begaan en onder de macht van zo’n zonde verkeren is het inderdaad moeilijk om troost te putten uit de Schrift die ons de realiteit van Gods kinderen levensecht tekent. Maar er zijn ook dagelijkse zonden en zwakheden. In Rom. 7 klaagt Paulus over de zonden die hem blijven aankleven. Hij beschuldigt zichzelf. Hij is vleselijk, verkocht onder de zonde. Hij blijft maar zonde doen in zijn leven. Dat komt niet omdat de wet met zijn eisen te streng is voor de gelovige. De wet is goed en geestelijk. Het is de zonde die in hem is overgebleven. Dat geeft hem zoveel strijd. Want door de genade van God wil hij het goede, maar het kwade ligt hem bij. Wanneer hij het goede wil, doet hij het kwade. In zijn hart is er de liefde om de Heere te dienen maar tegelijk ook de macht van de zonde die zich nog wil laten gelden. “De zonde die op hem de overhand heeft, is een last voor hem, zodat hij over zichzelf oordeelde dat hij een ellendig mens is vanwege zulk een lichaam des doods, waarvan hij verlost wenste te worden”, Rom. 7:24. Wanneer wij de Heere vrezen, zullen we onszelf beschuldigen net als Paulus. Maar dat is volgens Guthrie geen reden van onszelf te zeggen dat we niet delen in het werk van Christus. Het is de realiteit in het leven van een kind van God dat hij de zonde meedraagt als een last. Een geveinsde legt de schuld bij de wet. De wet is veel te streng en te nauw. Maar Gods kinderen erkennen dat de wet goed en geestelijk is. Wij blijven vleselijk in onszelf. Hoe ervaren wij de zonde? Is de zonde voor ons een last? Is de dienst van de Heere voor ons een vreugde? Zo ja, klem u dan door het geloof vast aan Christus. Hij is de Bron van kracht in de strijd tegen zonden, die ons zo vaak kunnen overheersen. Zonder Hem kunnen we niets doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Des Christens groot interest (7)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken