Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gisbertus Voetius - De praktijk der Godzaligheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gisbertus Voetius - De praktijk der Godzaligheid

9 minuten leestijd

Levensloop

Gisbertus Voetius werd 3 maart 1589 te Heusden geboren en overleed 1 november 1676 te Utrecht. Zijn vader was ridder Voet die in 1597 sneuvelde. Op 15-jarige leeftijd ging Gisbertus Voetius in Leiden studeren. Hij kreeg daar onderwijs van Gomarus, Arminius en Trelcatus Jr. In 1611 werd hij predikant te Vlijmen. Voor een beroep naar Rotterdam bedankte hij, maar een beroep naar Heusden, zijn vaderstad, nam hij aan in 1617. Hij was afgevaardigde naar de synode van Dordrecht 1618-1619. In 1634 werd hij professor in de theologie en in de Oosterse talen te Utrecht. Hij aanvaardde zijn ambt met een rede getiteld: “De pietate cum scientia conjungenda.” Dat is: Godzaligheid te verbinden met de wetenschap. Dat betekent dus dat vroomheid en wetenschap met elkaar verbonden moeten worden. De theologische studie moet wetenschappelijk zijn, wat geenszins in mindering behoeft te komen of ook mag komen op de godzaligheid of vroomheid. In 1636 promoveerde hij onder Gomarus te Groningen tot doctor in de theologie. Voetius koos duidelijk positie tegen de remonstranten. Voetius was ervan overtuigd dat de remonstrantse leerbegrippen woekerden “als een kancker in de ghesonde woorden Christi.” Voetius waarschuwde ernstig tegen de wijsbegeerte van Cartesius. Met Coccejus verschilde Voetius van mening aangaande de zondag. Voetius was geestverwant met de Engelse en Schotse puriteinen. Zo waarschuwde hij tegen dansen, weelde en pronkzucht in kleding, woning en huisraad. Voetius was tijdens zijn leven de grote man van de universiteit in Utrecht. Hij gaf veel colleges over de praktijk der godzaligheid. Hij werd ook gehaat, men noemde hem wel de Utrechtse paus. Hij heeft vele preken gehouden. Hij heeft de bezetting van Utrecht door de Fransen meegemaakt. De Domkerk kwam toen in roomse handen.

Zelfs werd er een processie gehouden door de straten van Utrecht. Na de aftocht van de Fransen preekte Voetius weer het eerst in de Domkerk en wel over Psalm 126. Het gold: de strik is los en wij zijn vrij. in 1676 werd Voetius ziek.

Op 1 november 1676 ontsliep Voetius. Hij werd begraven in de Catharijnekerk (nu een roomse kerk).

De praktijk der godzaligheid

Gisbertus Voetius, De praktijk der godzaligheid, dissertatie van dr. C.A. de Niet. Dr. C.A. de Niet heeft met zijn dissertatie het hoofdwerk van Voetius “Ta askètika sive Exercitia pietatis (1664) ontsloten. Het proefschrift bestaat uit een nieuwe editie (in het Latijn) met inleiding, hedendaagse vertaling en toelichting. Voetius (1589-1676) geeft in zijn hoofdwerk een samenvatting van het onderwijs in de praktische theologie door hem in Utrecht gegeven in de jaren 1634-1664. Het is bedoeld als leidraad voor studenten in de theologie. Ook predikanten kunnen er hun winst mee doen. Heel veel onderwerpen worden aan de orde gesteld: de geestelijke overdenking; het gebed; de bekering; tranen en lachen; het geloof; het geweten; het lezen van het Goddelijk Woord; de nabeschouwing van preken; de Doop; het Heilig Avondmaal; de overdenking en beschouwing van Gods werken; de zondag; mortificaties en buitengewone of medische oefeningen, in het bijzonder vasten, geloften, en andere vormen van onthouding; de geestelijke krijgskunst; verzoekingen; geestelijke verlatingen; euthanasie of wel-stervenskunst; het martelaarschap; gezamenlijk oefeningen in godsvrucht, in het bijzonder huisoefeningen; het huisbezoek. Het gaat om de totale praktijk der godzaligheid. In het boek behandelt Voetius ook veel vragen. Enkele zaken willen wij in dit artikel eruit lichten.

Kentekenen van de bekering

Voetius noemt op de blz. 150 en 151 meerdere kentekenen van de bekering. In de eerste plaats noemt Voetius het oprecht bedroefd zijn over alle zonden en de verootmoediging daarover voor God. Het tweede is indien wij geen zonde willens en wetens koesteren, noch daaraan vasthouden, laat staan die willen verdedigen, maar daarentegen ons in geweten voor God van geen zonde bewust zijn zonder die te haten en voortaan naar vermogen te willen mijden. Hieronder valt het verfoeien en vermijden van een zogenaamde boezemzonde. Zo’n lievelingszonde kan iets zijn wat ons vroeger in beslag heeft genomen, waaraan wij ons vroeger schuldig gemaakt hebben, of iets wat ons ook nu nog aankleeft en omringt, zo al niet wat de daadwerkelijke uitvoering ervan betreft, dan toch wat de verleiding ertoe, de onwillekeurige neigingen en de genietingen betreft, die de scholastieke geleerden betitelen als een ‘aanhoudend behagen’ in de zonde. Wie aan een boezemzonde vastzit kan het niet goed verdragen dat er tegen gewaarschuwd wordt. Het derde kenmerk van de bekering is de dagelijkse vordering en een vurig verlangen en streven naar vooruitgang. Dit gaat gepaard met een gevoel van onze onvolkomenheid en verder met verdriet, mishagen en smart, ja een heilzaam wantrouwen en heilzame wanhoop in en aangaande onszelf en wat wij van onszelf zijn, zodat al ons vertrouwen, onze hoop en roem slechts gesteld worden in en op de genade van God in Christus.

Een vierde kenmerk is het, indien wij afkerig zijn van die zaken, personen en handelingen waarop wij vroeger zo gesteld waren omwille van de zonden waarvan zij de aanleiding waren, of waartoe zij ons behulpzaam waren, en indien wij daarentegen nu die mensen beminnen, en de omgang en gemeenschap met hen liefhebben die ons voorheen afkeer of minachting inboezemden wegens hun vermaningen over onze zonde, of juist omdat zij lichtende voorbeelden waren van de deugden die het tegendeel der zonden vormen, of omdat zij ons op een ander manier van die zonden trachtten te weerhouden. Kortom, indien wij al datgene wat wij naar het vlees beminden en waar wij ons vermaak in stelden, nu naar de geest haten en daarover treuren, en andersom.

Het vijfde kenmerk is de bekering van anderen, ook wel de bekering van de broeders genoemd, vooral van hen die wij door onze zonden tot zonde verleid hebben, hetzij door bedrog, hetzij door een slecht voorbeeld, hetzij door dreigementen en geweldpleging.

Tranen

Voetius spreekt over tranen van verdriet, van berouw, en wel vanwege het ware berouw wegens onze zonden.

Er zijn ook tranen van lijden vanwege datgene wat men in- of uitwendig moet meemaken. Denk bijvoorbeeld aan de Klaagliederen van Jeremia.

Er zijn tranen van medelijden die de zonden van de naaste betreffen, rampen en oordelen, vervolging en verwoesting van de kerk. Er zijn tranen van verlangen naar genade dat de Heere ons de schuld kwijtschelde, Zijn genade en vertroosting opnieuw geeft te ervaren, voorziet in ons tekort, ons uit onze zwakheden opheft, voor middelen zorgt en belemmeringen wegneemt.

Er zijn tranen van liefde. Zij “worden opgewekt door de beschouwing en waarneming van de liefde van God jegens ons, namelijk van God de Vader, Die Zijn Zoon gezonden heeft en Hem niet gespaard heeft om daardoor Zijn vijanden te kunnen sparen; van de Zoon Die Zich in zeer bitter lijden voor ons ontledigd en opgeofferd heeft; van de Heilige Geest Die in ons afdaalt en met Zijn vertroostingen op lieflijke wijze de liefde van God in onze harten uitstort. Wanneer iemand die zo overvloedige liefde van God in zich uitgestort gevoelt, wanneer de Bruidegom ons Zijn vurige liefde betoont, als het ware met lieflijk geweld onze harten openbreekt en die met Zijn grote liefde verwondt, wie kan dan het vuur in zijn binnenste blussen, die fontein van levend water bedwingen, zodat het niet door alle dijken en dammen heenbreekt en overvloedig uitstroomt?” (blz. 193).

Er zijn tranen van vreugde en tranen van devotie. Negatief noemt Voetius als er geen tranen zijn. Er zijn ook tranen die de juiste tranen niet zijn (blz. 195-202). Er zijn wereldse of vleselijke tranen, duivelse tranen, schijnheilige tranen, bijgelovige tranen en helse tranen. Over geveinsde tranen schrijft Voetius op blz. 196: “Met geveinsde tranen wendt men een innerlijke beroering en gemoedsbeweging voor ten opzichte van zaken die God of de naaste betreffen. Ten aanzien van God en de godsdienst wordt door middel van een valse voorstelling van zaken en door een houding van beschaafde wellevendheid de schijn van godsvrucht, boetvaardigheid, ijver, goddelijk liefde en zaligmakend geloof opgehouden. Met zulk uiterlijk vertoon van tranen trad Ezau op. Gen. 27:28, zie ook Hebr. 12:16-17; Achab, 1 Kon. 21:27; de Farizeeën met hun sombere gezicht, Matth. 6, en verder al die grote huichelaars die zich zo voordoen als de oordelen Gods hen plotseling treffen, Hosea 7:14, of als zij van ‘s hemelswege aangegrepen worden door grote benauwdheid in hun geweten; vooral als zij denken dat een ernstige ziekte de voorbode van hun dood is... Ook ten aanzien van de naaste gedragen zulke verraders en lagenleggers zich vaak onoprecht; met hun krokodilletranen veinzen zij de naaste lief te hebben, in diens voor- en tegenspoed mee te leven, zijn tijdelijk en eeuwig welzijn te begeren en liefde voor het vaderland en de kerk te koesteren, I Sam. 24:17. Tot deze soort behoren ook de tranen van de gewaande heiligen van de roomse kerk, bijvoorbeeld niet de druppels, maar de stromen van tranen van Ignatius en dergelijke lieden meer, waarover de jezuïeten de loftrompet steken; en verder het medelijden en de bemiddeling van de inquisiteurs, waarmee die Kajafassen de belijders van onze religie zo vaak naliepen, na ze eerst uitermate wreed gevonnist en aan de wereldlijke rechter overgedragen te hebben. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de Geschiedenis der martelaren. We mogen onszelf dan wel de vraag stellen welke tranen wij vergieten. Zijn het tranen van droefheid over de zonde naar God die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid? Zijn het tranen van berouw over de zonden? Of zijn het alleen maar tranen over de gevolgen van de zonden?

Op de blz. 231 en 232 wordt de volgende vraag behandeld en beantwoord: “Vraag: Zijn de mensen die niet in tranen uitbarsten, doordat ze van nature weinig of geen tranen hebben, of doordat hun verdriet al te groot is, verstoken van de genade der tranen? Antw.: Neen, in zo’n geval is het voldoende, als hun hart weent en er onuitsprekelijke verzuchtingen in hen opwellen.”

Er zou veel meer aangehaald kunnen worden uit het werk van Voetius. Het is een goede zaak zich te verdiepen in zijn werk. Een leerrijk, inhoudsrijk en lezenswaardig proefschrift is verschenen. Het bestaat uit twee kloeke delen. Prijs ƒ 175,- per twee delen. Uitgeverij de Banier, Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Gisbertus Voetius - De praktijk der Godzaligheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken