Bekijk het origineel

Gaat de dominee voorbij? (10)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gaat de dominee voorbij? (10)

8 minuten leestijd

Predik het Woord

Aan de hand van één van de laatste woorden van de apostel Paulus aan Timotheus, willen wij ons nader bezinnen op de centrale plaats van de prediking in het veelomvattende werk van de dominee. In dit bekende schriftwoord “Predik het Woord, houd aan tijdig en ontijdig; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer” (2 Tim.4:2), wordt ons nogal wat aangereikt, wat zeker om nadere bezinning vraagt. Eigenlijk zou op elk van deze woorden door Paulus aan zijn geestelijke zoon gesproken, de nadruk kunnen worden gelegd. Prediking moet zijn: verkondiging! Dat behoeft, na alles wat hier eerder over werd opgemerkt, geen verdere uitleg. Het Woord van God mag en moet met goddelijk gezag worden geproclameerd. De bazuin van het Evangelie mag geen onzeker geluid vóórtbrengen. Iedere dienaar van het goddelijk Woord zij hiervan tenvolle in zijn gemoed verzekerd. Op hem rust die geweldige verantwoordelijkheid om te waken over zielen, als één die rekenschap zal moeten geven. Niet aan mensen, maar aan God Die hem riep tot dit haast ‘bovenmenselijke’ werk. Daarom zal zijn bediening steeds Woordbediening moeten zijn, ook hier mag wel met alle klem de nadruk worden gelegd: het Woord, zegt Paulus. Verkondig dat! De dominee moet zich niet laten verleiden om te spreken naar de mond van de mensen. Hij loopt dan n.l. het gevaar, dat zijn ‘prediking’ ontaardt in een stichtelijke verhandeling, die de naam van prediking, als verkondiging van het Woord, niet mag dragen. Het blijft immers de vraag of dat wat als stichtelijk bedoeld was, ook daadwerkelijk als stichtelijk zal werken in de gemeente. Of het tegendeel tot gevolg zal hebben met alle schadelijke gevolgen van dien. I.p.v. stichting der gemeente kan er dan verwarring en ontstemming worden opgeroepen. Voor wie nu vreest, dat deze opmerkingen weleens de doodsteek zou kunnen betekenen voor de prediking, die wij zo van harte liefhebben, zeg ik bij voorbaat ter geruststelling: dat zij verre! Hier is geen miskenning van de schriftuurlijk-bevindelijke prediking, maar veeleer een vurig pleidooi daarvoor. Maar dan wel in deze enige juiste volgorde: schriftuurlijk-bevindelijk. Wie deze volgorde negeert, komt terecht in het levensgevaarlijke moeras van het z.g. subjectivisme. Een verschijnsel dat het gezag van het Woord ondergeschikt maakt aan de beleving van- en door de ‘godsdienstige’ mens. Waar dat in het verleden toe geleid heeft, vernemen wij o.a. uit de kerkgeschiedenis. En aangezien ook hier in zekere zin kan gelden, dat op het terrein van de prediking, in al haar facetten, de geschiedenis zich kan herhalen, is het goed ons steeds weer door het Woord te laten corrigeren en zo nodig tot de orde te laten roepen. Ook vandaag dreigen allerlei ontsporingen in de prediking. Tot droefheid stemmend is het, wanneer blijkt dat deze zelfs daar voorkomen, waar men zegt van harte te willen staan voor de Waarheid. Een concreet voorbeeld! Wanneer een prediker het waagt om te zeggen, dat het Woord van God wel dit zegt (b.v. over het leven der genade), maar dat het door Gods volk anders geleerd wordt. Dan is dat een verschrikkelijke dwaling. Ook, al zijn de woorden van de prediker nog zo ernstig bedoeld geweest. Hij brengt met zijn kwalijke bewering, de waarlijk naar God zoekende zielen wel in grote verwarring. En i.p.v.geestelijke leiding te geven aan de gemeente, wordt zij in een duister doolhof gebracht.In de dienst der prediking van K. Dijk, wordt hierover het volgende opgemerkt:‘Dit houdt niet in, dat de beleving van Gods genade, de innerlijke ervaring en de overdenking van Gods waarheid, de verstandelijke beschouwing geen plaats in de prediking mogen hebben; ze horen er ook in thuis, maar dan altijd in deze zin, wat de Heilige Schrift zelf van de ervaring zegt; hoe in haar Gods kinderen klagen en jubelen en zij het licht werpt over het werk van de Heilige Geest in ons; hoe zij voor ons de diepten der verborgenheden ontsluit en ons doet schouwen met ‘verwond’rend oog’ in de heilgeheimen, die ons bekend gemaakt worden. Om deze reden, is de gebruikelijke onderscheiding tussen voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking meermalen verkeerd gebruikt en misverstaan; men bedoelt er mee, dat in de eerste de verwerving des heils bijna alleen gepredikt en de toepassing en de beleving der genade min of meer verwaarloosd worden en in de tweede de eenzijdigheden aan de andere kant zitten. De praktijk is echter, dat bij de tweede begeerd wordt een prediking, waarin de prediker subjectief zijn ervaringen uitstalt en dit laatste is geheel onjuist; eigenlijk is elke preek objectief, al moet in haar het hart van de prediker kloppen en zelfs, als zij de boodschap brengt van het genadewerk van Gods Geest in ons en van de reacties van Gods kinderen, zoals ze b.v. in de Psalmen gegeven zijn, doet zij dit in objectieve zin; dus niet: zo heb ik, prediker, of hebt gij, broeder en zuster, dit ervaren, maar: zo spreekt Gods woord. Hoe dichter de prediker zich aan het woord Gods houdt, des te zuiverder is zijn ‘bediening’en geen subjectieve meditatie verdringe de diakonia Verbi divini.’ (de bediening van het goddelijke Woord), aldus K. Dijk op blz. 77 van het genoemde boek. Wat de prediking van het Woord precies inhoudt, is dus niet zomaar in een enkel woord aan te geven. Het lijkt wellicht eenvoudig voor wie slechts oppervlakkig nadenkt en de prediking en haar inhoud als iets vanzelfsprekends veronderstelt en nadere uitleg en persoonlijke bezinning op dit gevoelige onderwerp overbodig acht. Maar wie iets van het grote gewicht van de rechte bediening van Gods Woord mag verstaan, zal juist als prediker menigmaal voor zichzelf de woorden van de apostel inleven: ‘Wie is tot deze dingen bekwaam?’ Begrijpelijk is het dan ook, dat vroeger wel gesproken werd over horae anxiae et beautitudinis: uur van vrees én vreugde! Hiermee werd iets van de spanning weergegeven, waarin de dienaar behoort te staan op de plaats, waar hij zich geroepen weet het Woord van God te verkondigen. Enerzijds de gedurige vrees niet de hoogte en de diepte te hebben bereikt van de verkondiging van al de raad Gods. Dat was en bleef immers het enige zuivere oogmerk van de apostel in zijn bediening? Het was zijn hartelijke begeerte om met al de heiligen te begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is. En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat de gemeente vervuld zou worden tot al de volheids Gods (Ef. 3:14-19). Anderzijds de vreugde, die gelukkig ook bij tijden op de preekstoel gekend mag worden, als de Heilige Geest kennelijk hulp en bijstand schenkt. Verlichte ogen des verstands geeft om de verborgenheid van het Evangelie in de gemeente uit te stallen. Als God de hemel opent en vergezichten geeft op het heil, dat nooit vergaan zal. Die kostbare ogenblikken in de eredienst, waarin God Zelf voor Zijn eer zorgt. Wanneer er beslag wordt gelegd op de harten van de hoorders van het Evangelie en het ervaren mag worden, dat de Heere Zelf in het midden is door Zijn Woord en Geest. Wat geeft dat dan een onuitsprekelijke vreugde in het hart van de prediker, verwondering om door God gebruikt te mogen worden tot zaliging van zondaren. Dat het een levende werkelijkheid wordt: Laat u met God verzoenen! Dan is er in de rechte bediening, ook de rechte gezindheid in het hart van de prediker. God te verheerlijken in de verkondiging van Zijn grote werken van verlossing, zaliging, heiliging, opdat Zijn gemeente volmaakt zou worden toegerust om Zijn lof te vermelden in deze wereld. Daarom moet de prediker met bewogenheid en bezieling onvermoeid blijven aandringen om de mensen te roepen tot bekering en het geloof in Christus, de Gekruisigde (D.L. I 3). Wij dan wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor. 5:11). Niets anders bedoelt Paulus met de woorden: Houd aan tijdig en ontijdig. Zij moeten betrokken worden op de prediker en niet, zoals nogal eens wordt verondersteld op de hoorders van het Evangelie. Neen, de prediker wordt hier in de eerste plaats aangesproken op zijn roeping. Niet te vertragen, zich niet te laten ontmoedigen, maar standvastig op zijn ‘post’ te blijven. Zich niet van de wijs te laten brengen door welke intimidaties dan ook vanuit het gemeentelijk leven. Met zovele hoofden en zinnen. Moet hij dan boven elke vorm van kritiek staan ? Moet hij dan alle gevoelens en gevoeligheden uitsluiten? Dat zou teveel gevraagd zijn. Een dominee is ook slechts mens. U hebt dat toch nog wel onthouden uit de vorige artikelen? Wat moet hij dan? Vluchten in onverschilligheid? Neen, zich wel door Gods genade oefenen in ‘heilige onverschilligheid’. In die oefening kan hij alleen staande blijven en door het geloof de strijd aan, die kenmerkend zal blijven, ook in het geloofsleven van een dienaar van het Woord. Om standvastig te blijven. Onbewegelijk, dat is dus niet hetzelfde als onbewogen, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat zijn arbeid niet ijdel is in de Heere (1 Kor. 15:58). Een volgende keer wat meer D.V. over het wederleggen, bestraffen en vermanen in alle lankmoedigheid en leer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Gaat de dominee voorbij? (10)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken