Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Wijnstok en de ranken (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Wijnstok en de ranken (1)

20 minuten leestijd

In Christus zijn.

Het is de laatste nacht van Jezus’ rondwandeling op aarde op Zijn zwerftocht naar het Vaderhuis, dat Hij de woorden van onze tekst spreekt. En dat maken deze woorden nog aangrijpender. Hij spreekt over Zijn naderend vertrek uit deze wereld tot de Vader. Het is Hem niet overvallen. Het kwam voor Hem niet onverwacht. Hij kondigt Zijn sterven aan in Zijn discipelkring. Hij is het Zich bewust, dat Hij als een tarwe graan in de aarde zal vallen en sterven moet om veel vrucht voort te brengen. Hij was gekomen, omdat de Vader alzo lief de wereld had, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet zou verderven maar het eeuwige leven hebbe. Tot troost van Zijn kerk heeft Hij het Avondmaal ingesteld. Nadat de beker is rondgegaan voegt Hij aan Zijn onderwijs een nieuwe gedachte toe over de gemeenschap met de Zijnen. Hoe vaak sloot het onderwijs van de Heere Jezus niet aan bij de omstandigheden. Zo neemt Hij ook hier aanleiding uit hetgeen voorafging om te spreken over Zichzelf als de ware Wijnstok. Hoe aangrijpend diep is Zijn onderwijs vlak voordat Hij als een Lam ter slachting zal geleid worden. Tegen de achtergrond van Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed spreekt Hij de woorden van onze tekst. “Ik ben de Wijnstok en gij zijt de ranken. Die in Mij blijft en Ik in Hem die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen”.

De Heere Jezus vergelijkt Zichzelf hier met een Wijnstok. De wijnstok was onder Israel een bekend en ook kostbaar gewas. Het was een heel bezit om een wijnstok te hebben, maar het vergde wel grote zorg en inzet om een wijngaard te planten. Een wijngaard kon men niet overal planten. Wilde men van succes verzekerd zijn, dan moest de grond waarop de wijnstok geplant werd veel bewerkingen ondergaan. Allereerst moest een geschikt stukje grond worden uitgekozen. De bodem moest zorgvuldig bewerkt worden. Het stuk grond moest ontdaan worden van stenen en ongerechtigheden, die in het Oosten veelvuldig voorkwamen. Alleen als de uiterste zorg aan zo’n wijngaard besteed werd, konden de rijpe druiventrossen verwacht worden.

Met zo’n wijnstok vergelijkt de Heere in het O.T. Zijn volk. Ps. 80 zingt ervan: “Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht en hebt dezelve geplant. Gij hebt hem een plaats toebereid en zijn wortelen doen inwortelen. De bergen zijn met schaduwen bedekt geweest en zijn ranken waren als cederbomen”. Dit spreekt van de zorg en de ijver des Heeren over Zijn volk. De Heere heeft Israel, Zijn volk, als een wijnstok verzorgd en geplant. O, wat een zorg en een liefde heeft Hij eraan besteed. Geen tijd en geen moei-te zijn gespaard om dit volk te leiden en te verzorgen. Hier zien we dus. dat dit beeld gebruikt wordt om de tere zorg en de liefde van God tot Zijn volk te tekenen. En wat bracht hij voort? Niet anders dan stinkende vruchten. Nee, Israel was de ware wijnstok niet. Want een ware wijnstok draagt ware, d.w.z. echte, edele vruchten.

Nu zegt de Heere Jezus: “Ik ben de ware Wijnstok”. Zijn Vader, de Landman, heeft Hem geplant. Als u vraagt: wanneer en waar heeft Hij hem geplant? Dan is het antwoord op grond van de Schrift niet onduidelijk. De hemelse Landman plantte de wijnstok, toen het door Hem bepaalde tijdstip was aangebroken: in de volheid des tijds. En Hij plantte Hem door Hem één te doen worden met het zondige mensengeslacht. “Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet”. Deze wijnstok gaat in in onze zondige menselijke natuur, maar Hij blijft Zelf zonder zonde.

Waar plantte God deze Wijnstok? Dan kan het antwoord niet anders luiden dan in de akker van deze wereld, en speciaal in het midden van Zijn volk Israel. Immers de zaligheid is uit de Joden. In het midden van dat volk heeft God Zijn Wijnstok weer geplant in de verwachting, de levende verwachting, dat Hij goede vrucht zou voortbrengen. En dat doet God in Zijn Zoon Jezus Christus, maar in het midden van het zo ver van Hem afgeweken bondsvolk Israel; in het midden van dat volk, dat de Heere in Zijn verkiezende genade eeuwen tevoren ook geplant had om Hem welbehagelijke vrucht te dragen. Maar ach, die wijngaard was niet alleen verwilderd vanwege allerlei wettische vroomheid en eigengerechtigheid, maar ook bijna geheel vernietigd en overwoekerd door ranken. Daarom, hoe groot en aanbiddelijk wonder, dat er temidden van zo’n volk en temidden van zo’n wereld de ware Wijnstok gevonden wordt.

Nee. Hij is niet zomaar vanzelf uit de schoot der mensheid voortgekomen. Het is geen vrucht van menselijke denkkracht of van Israels vroomheid. Het is zelfs niet te wijten aan Christus’ initiatief. Nee, Hij is een planting van de Vader. De Vader heeft van eeuwigheid een weg uitgedacht om een verloren mensengeslacht uit de dood en de verlorenheid waarin ze zichzelf geworpen hadden te verlossen en te redden. Hij deed Hem geboren worden uit de maagd Maria door de H. Geest. Hij heeft Hem doen leggen in de kribbe van Bethlehem. Wat een zorg en liefde heeft God in Zijn Zoon aan deze wereld besteed. Ja, Hij heeft Hem door deze wereld doen gaan als een Gevloekte en Gesmade. Hij heeft Hem aan het kruis doen nagelen en Hij is de vervloekte kruisdood gestorven. Wat een zorg en een liefde heeft de Heere betoond in de zending van Zijn Zoon in deze wereld.

Hij vergelijkt Zich niet met de cederbomen van de Libanon of de eiken van de Bazan, maar met de Wijnstok. Ik weet niet, of u wel eens een wijnstok gezien hebt? U moet zich niet voorstellen, dat dit een indrukwekkende boom is vol schoonheid en sierlijkheid. De wijnstok is zelf maar een onooglijk, knoestig stammetje. Het ziet er heel dor en droog uit vol krommingen en bochten. Je zou niet verwachten, dat er van zulk verschrompeld hout zulke edele vruchten geplukt worden. Het was zulk waardeloos hout, dat een timmerman er niets mee beginnen kon. Een wijnstok deugt nergens toe. Werpt men haar in het vuur, het brandt niet; gooit men het op de mestvaalt het verteert niet. Je kunt er nog geen pin van maken om er iets aan op te hangen, zegt de profeet Ezechiël (Ezech. 15:2).

Wat komt hierin treffend uit, wat de profeet Jesaja van Hem voorzegd heeft: “Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem”. (Jes 53:1 ev). Hij werd naar het vlees uit een maagd geboren. Zijn wieg was een kribbe, Zijn troon was een kruis. In Gethsemané kroop Hij als een worm en geen Man. Zijn sterfkamer was de kruisheuvel Golgotha. Op het vervloekte kruis stierf Hij. Hij werd uit het land der levenden afgesneden. Hij was in Zijn uitwendige verschijning niet imponerend. Toch kon Hij zeggen: “Ik ben de Wijnstok”.

Maar zie eens naar die wijnstok. Staat hij daar als een kale stam? Nee, als u goed kijkt, dan ziet u dat er aan de stam ranken zitten. Een wijnstok staat er niet als een kale stam, maar aan een wijnstok zitten ranken. Ranken hebben in zichzelf geen leven. Snijdt ze er af, dan verdorren ze. Denkt u eens even de ranken los van de wijnstok. De ranken buiten de wijnstok zijn zo nietig, onbeduidend. Zonder de wijnstok zijn de ranken niets. Geen enkele schoonheid heeft een rank buiten de wijnstok. Een rank is een ijdele twijg.

Zo is het ook met de ware Wijnstok. Hij staat er niet als een kale stam, nee aan de edele Wijnstok groeien ranken. Ranken, die diep in de Wijnstok verenigd zijn. “Ik ben de Wijnstok en gij de ranken”. Wie zijn die ranken? De bekeerde mensen natuurlijk! Zij die wedergeboren zijn! Is dat waar? Met de ranken worden bedoeld allen die de naam van de ware Wijnstok dragen. Noemt u zich een christen? Wel, dan bent u een rank aan de Wijnstok. Ons doopsformulier zegt het toch, dat wanneer jonge kinderen gedoopt worden, zij evenals de volwassenen in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen”. Door onze doop zijn we met Christus in verbinding gebracht. We zijn op de een of andere wijze aan Christus verbonden.

Hebt u zich dat wel eens ingedacht, wat dat zeggen wil? Rank te zijn van de ware Wijnstok? Wat ben ik toch nauw, ja zeer nauw aan de Heere Jezus verbonden. Had iemand het sterker kunnen uitdrukken dan de grote Leermeester het nu doet? Ik ben rank. O, wat ben ik dan toch dicht bij de zaligheid. Meer nog: wat ben ik dicht bij de Zaligmaker. Is het te scherp gezegd, als we zeggen dat we heel wat moeite doen om verloren te gaan? We moeten ons verzetten tegen de goddelijke roepstemmen. We moeten het kloppen van ons geweten tot zwijgen brengen. We moeten het goddelijk onderwijs uit de Schriften wegdrukken. En ga zo maar door.

Ik ben de Wijnstok en gij de ranken. Is het niet om stil van te worden. Is het niet als een bron van vreugde: ik kan zalig worden; ik die zo dicht bij de Zaligmaker leef, daar gezegd wordt, dat ik een rank ben, kan gered worden. Maar met rank te zijn, al is dat een grote genade, is alles nog niet goed. Want het gaat niet om de rank op zichzelf. Die rank heeft net zo min sier als de wijnstok. Het gaat om de rank die vrucht draagt. Het gaat om de vruchten van de rank. Immers, alle rank die geen vrucht draagt wordt afgehouwen en in het vuur geworpen. Is dat niet vreselijk? Zo dicht bij de zaligheid geleefd te hebben; zo dicht bij de Zaligmaker verkeerd te hebben en dan verloren te gaan. in het vuur geworpen te worden? Geen vrucht! En daar gaat het bij de goddelijke Landman om. Om vrucht. Wij zijn ranken. Maar nu zegt Christus in deze gelijkenis, dat er vruchtdragende en loze ranken zijn. Ranken die in een bijzondere zin met de Wijnstok verbonden zijn en ranken die slechts met de schors, met de buitenkant van de wijnstok in verbinding staan. Er zijn waterloten en vruchtbare ranken. En nu schieten die ranken misschien wel fleurig op. Ze groeien snel; ze zijn bedekt met bladeren, maar ze dragen geen vrucht. Het zijn waterloten, die volkomen onvruchtbaar zijn. We zien dat in de natuur. Een kenner ziet het en als wij erop letten, merken we het op. Er is een tweeërlei verbon-den-zijn aan de wijnstok. Er zijn tweeërlei kinderen des verbonds. Allen zijn met de stam verbonden; allen zijn op de wijnstok aangesloten, maar niet allen zijn op dezelfde wijze aan en met de Wijnstok verbonden.

Wat zijn er veel kinderen des verbonds, die op zulke onvruchtbare ranken lijken. Ze brengen hoogstens bladeren voort, maar geen vruchten. Daar zijn velen die op uitwendige wijze met Christus verbonden zijn. Ze zijn in Zijn Naam gedoopt; ze zijn naar Zijn Naam genoemd; ze zijn in Zijn Naam onderwezen, maar ze zijn niet waarachtig met Christus verbonden. Ze staan niet in gemeenschap met Christus. En daar gaat het toch om in het leven der genade. Er zijn er die onderwezen zijn in de leer der godzaligheid thuis, op school en op de catechisatie. Het zijn keurig nette jonge mensen en ouderen; ze bereiden zich voor op het doen van belijdenis des geloofs of hebben dat wellicht al gedaan, vieren mogelijk avondmaal, maar het is nog nooit verder gekomen dan vorm.

Onvruchtbare ranken zijn er zoveel. Dan kan er wel een uitwendig dienen van God zijn, ja zelfs een belijden van de naam van Christus en in een zekere zin volgen van Hem, maar het komt nooit tot een zich verliezen aan Hem. Het komt nooit tot verbrijzeling des harten en tot waarachtige bekering. Nooit komt het tot persoonlijk geloof. Ze gaan uit van het objectief gegeven dat zij kinderen van het verbond zijn en daarom kinderen Gods in de ware zin van het Woord.

Of dit mogelijk is? Zo dicht bij de zaligheid te zijn? Zeker gemeente. De Heere spreekt van de kinderen van het koninkrijk die buiten geworpen worden. We lezen van het volk van Israel, dat ze allen onder de wolk verkeerden, allen door de Rode Zee gegaan, allen uit de Steenrots gedronken en de Steenrots was Christus, maar zegt de apostel: in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad. Onder Israel waren er velen die Jezus volgden om den brode, maar toen Hij sprak van Zichzelf: “Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven”, ergerden zich velen aan Hem en aan Zijn Woord en wandelden niet meer met Hem.

Een ieder onderzoeke zich nauw, want ook hierin kan zoveel schijn wezen. Dan kunnen er wel eens tijden geweest zijn, dat men bepaald wordt bij de dingen der eeuwigheid; dan kan er een zekere ernst in ons leven zijn, dat we sterven moeten; ja, zelfs kan men een traan wegpinken en zeggen: Het zal toch wat zijn om voor God te moeten verschijnen. Ja, we kunnen klagen over de zonde, dat de mens toch zo slecht is en dat het toch alles nog vorm is. Want zijn dat altijd vruchten van de ware Wijnstok? Zijn dat altijd vruchten van ware geloofsgemeenschap met die enige Borg en Zaligmaker? Weet u waar de ware, echte vrucht van getuigt?

Het komt niet alleen maar aan op het zijn in Christus maar op het blijven in Hem. Niet alleen dat we aan die Wijnstok zijn verbonden, maar dat we ook in Hem blijven.

Bijven in Christus

“Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht”;. Hiermee wijst Christus op de werkzaamheid van het geloof. Iemand die niet in Christus is en toch wel rank is, kent geen geloofs-oefening en nog minder geloofsbe-proeving. Om in Christus te blijven, moeten we eerst in Christus zijn. In Hem zijn is in Hem en door Hem en met Hem leven. Dan is de band des geloofs gelegd. Dan heeft God door Zijn Geest ons afgesneden van onze oude wortel en ons ingeënt in Christus. De kracht, de levenskracht moet geheel uit de Wijnstok gehaald worden. Het is toch niet zo, dat de ranken de Wijnstok dragen! Het is toch niet zo, dat de ranken iets aan de Wijnstok meedelen! Zo is het geestelijk ook niet. De kracht van het geloof zal men dan ook nooit in zichzelf mogen zoeken, want die is niet in ons. Petrus dacht, dat het wel zo was; dat hij zo krachtig was, dat hij als rank wel op het water kon lopen.

Blijven in Hem. Dus dan moet u in Jezus blijven, opdat u de zalige en vruchtbrengende gemeenschap met Jezus mag beoefenen. Wij weten, dat er geen afval der heiligen is, maar wel is er verlies van de zalige en vruchtbrengende gemeenschap met Christus. Het verlies van die gemeenschap is het gevolg van onze ontrouw. Daarom eist Jezus, dat ge in Hem blijft. Dat u als Maria blijft luisteren aan Zijn voeten; dat u als de Kananese vrouw blijft volharden in het gebed. Blijven in Hem is het tegendeel van wat Petrus deed, toen hij wandelde op de zee, zijn ogen afwenden van Jezus op de golven. In de gemeenschap met Christus volharden.

U moet niet zien op andere christenen, ook niet op de grootste en de begaafdste; u moet niet zien op uw bekering of geloof, maar u moet blijven zien op Jezus. Op Zijn Persoon en werk, op Zijn deugden en daden, op Zijn kruis en kroon. Uw ogen moeten zijn op het Lam en u moet blijven in Jezus met uw denken, met uw gevoelen, willen, geloven, hopen, liefhebben, ja met heel uw wezen gericht zijn op Hem. Hij stelt u dat kruislijden en -sterven u weer zichtbaar voor ogen. “En opdat wij vastelijk zouden geloven, dat wij tot dit genadeverbond behoren nam de Heere Jezus in de nacht waarin Hij verraden werd het brood”. Hij wil er u van overtuigen. Hij wil het in uw leven bevestigen. Hij wil u ervan overtuigen, dat Hij waarlijk voor u de dood is ingegaan en dat Hij werkelijk uw zonden weggenomen heeft. En als u zo met een oog des geloofs mag zien op de gekruisgde en opgestane Levensvorst, dan komt u tot het doel van het leven met de Heere, nl. de vrucht.

De rank die in de ware Wijnstok blijft, wenst door Christus gedragen te worden op de vleugels van Zijn hogepriesterlijke bede; gedragen te worden in Zijn armen zoals de Herder het door Hem beminde lam draagt. Ja, daar wordt ervaren en beleefd, dat de vruchten alleen zijn door het blijven in Christus.

Maar wat staat er: “Die in Mij blijft”, punt? Meer niet? Nee, Die in Mij blijft en Ik in Hem. Het ging van God uit, maar het is niet eenzijdig gebleven. Er is een geloofsgemeenschap ontstaan tussen Christus en de zondaar. Niet alleen de zondaar in Christus, maar ook Christus in de zondaar. Daar vindt de innige geloofsvereniging plaats tussen Christus en de Zijnen. “Zie, Ik sta aan de deur en ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur open doen Ik zal bij Hem inkomen en Ik zal avondmaal met hem houden en hij met Mij”. Daar krijgen we gemeenschap aan Hem in Zijn lijden maar ook in Zijn verhoging. Daar krijgen we gemeenschap aan het lijden van Christus. Dan gaan we het ontdekken, dat Hij daar mijn schuld droeg en dat Hij daar mijn vloek torste. Daar wordt ik zondaar en schuldenaar voor God. Daar ga ik het belijden: ja, ik kost Hem die slagen, die smarten en die hoon; ik doe dat kleed Hem dragen, dat riet die doornenkroon. Daar worden we één plant met Hem. En indien wij gemeenschap hebben aan Zijn vernedering daar zullen wij het ook hebben aan Zijn verhoging. Maar daar mogen we met Hem ook opstaan tot een nieuw leven. Daar is Jezus Christus in de rank met Zijn liefde, zodat de rank de naaste lief heeft als zichzelf en God boven alles. Daar is Jezus in de rank met Zijn heiligheid, zodat de rank een sieraad is voor kerk en maatschappij. Daar is Jezus in de rank met Zijn genade, zodat de rank sterk staat in het geloof. En deze vruchtbaarheid siert de rank, die niet de minste sierlijkheid heeft in zichzelf. Door de vruchten wordt de gelovige een kind des lichts. Nee, de gelovige is geen sieraad in zichzelf. Nee, de sierlijkheid heeft de rank niet in zichzelf.

“Die in Mij blijft”. Blijven, geeft standhouden te kennen, volharden tegenover tegenstand. Is er dan tegenstand? O zeker, de wijnstok met zijn ranken staat niet in een kas. Nee, hij staat buiten en daarom bloot gesteld aan de stormen, die over het land kunnen razen; daardoor bloot gesteld aan de slagregens die met vol geweld van boven naar beneden op de wijnstok neerstriemen; daardoor is hij bloot gesteld aan vele verzoekingen.

“Die in Mij blijft en Ik in hem ontvangt veel strijd, veel beproevingen, maar die draagt veel vrucht. Hoe is het bij u? Draagt u vrucht? Draagt u veel vrucht? Nee? Weet u, hoe dat komt; wat de oorzaak daarvan is? U zoekt de kracht niet in de ware Wijnstok. En dat heeft geestelijke onvruchtbaarheid ten gevolge. Nee, de schuld ligt niet in de Wijnstok; die ligt in de rank. Wij verlaten de weg van het gebed; wij zijn slordig in het lezen van Gods Woord. Kortom, we veronachtzamen de middelen door God gegeven. En dat is schadelijk voor het geestelijk leven. En men wil natuurlijk wel godsdienstig zijn, maar men brengt geen vruchten voort. En daar gaat het toch om.

Wat je dan vaak ziet bij die zeer godsdienstige ranken? Waterloten. U kent ze wel. Van die uitschieters, recht de hoogte in, maar wat niets om het lijf heeft. Geen vruchten! Die waterloten trekken wel de vruchten en sappen naar zich toe, maar zetten die niet om in vruchten. En wat doet de landman ermee? Hij snijdt ze weg, gooit ze op een hoop en verbrandt ze. Ach, er zijn zoveel waterloten-christenen. De mond vol van Jezus. Ze juichen de hele dag. Gaan recht de hoogte in en verheffen zich boven alles. Waterloten. Nee, een ware christen weet het en belijdt het: uit mij geen vrucht in der eeuwigheid. En die weet en beaamt wat Jezus zegt: “Uw vrucht wordt uit Mij gevonden”. Daarop zegt de ziel van ganser harte: amen! Ja, Heere, door U, door U alleen; in mij geen kracht; in mij geen vruchtbaarheid; in mij geen wasdom. Zulke ranken blijven laag bij de grond. Welke takken van een pereboom hangen het dichtst bij de grond? Welke ranken hangen het dichtst bij de grond? Hoe meer vrucht, hoe dichter de tak naar de aarde neigt, is ‘t niet. Zo is het ook hier. Waar vruchten zijn is het eerste kenmerk: ootmoed, nederigheid. O, hoe meer vrucht, hoe ootmoediger.

Ik las van Spurgeon die op reis was en in de buurt van Marseille overnachtte. En daar werd hij door een hevige pijn overvallen. Het was koud op de kamer van zijn hotel en dus verzocht hij om een vuur aan te leggen. Hij zat ter neer in een troosteloze en neerslachtige gemoedsstemming, toen hem de tranen in zijn ogen kwamen, alsof hij door een grote smart werd aangegrepen. Ik zal het nooit vergeten, zo schrijft hij en het heeft mij diep aangegrepen. De bediende van het hotel kwam met een hand vol takken binnen om het vuur aan te maken. Hij stond op het punt om de takken in het vuur te werpen, toen Spurgeon hem vroeg om ze eens te mogen zien. Het waren verdorde wijnranken, die bij het snoeien afgesneden waren. O, dacht hij, zal dat ook mijn lot zijn? Zal dat ook mijn einde zijn? Zal ik bewaard worden om in het vuur geworpen te worden? Deze twijgen maakten deel uit van een goede wijnstok; ranken die er ongetwijfeld fris en groen uitzagen. Maar nu dienen ze tot voedsel voor het vuur. Ze zijn afgesneden om als onnutte voorwerpen weggeworpen te worden. Wat een prediking. Dominees, ouderlingen, diaken, kerkmensen, ze worden samengebundeld en in het vuur geworpen.

“Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht”. Nu, dat zegt de gelovige niet: ik draag veel vrucht; wat heb ik toch veel vruchten. Die zegt: Och Heere, wat heb ik er nog weinig van; wat draag ik nog weinig vrucht; wat schiet ik dagelijks te kort. Wat ontdek ik nog veel stinkende vruchten aan mijn levensboom. En daar komt droefheid. En is dat niet een schone vrucht? “Heere, wie behoor ik niet te zijn in heilige wandel en godzaligheid. Ik moest meer ijver hebben voor en meer liefde hebben tot Uw zaak. Zie, die zoeken de kracht des geloofs in de ware wijnstok Jezus Christus om veel vrucht te dragen En dit is tot verheerlijking van de Landman. Als een landman zijn bomen laat zien en er zit weinig of geen vrucht aan, dan is dit geen eer. Maar is er veel vrucht, dan wel. Zo ook hier. Als de ranken, de gelovigen, veel vrucht dragen, dan is dat tot grote eer van de goddelijke Landman. “Hierin wordt mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1999

Bewaar het pand | 8 Pagina's

De Wijnstok en de ranken (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1999

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken