Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

MEDITATIE

Schriftmeditatie

6 minuten leestijd

Zij dan leidden Jezus van Ka/afas in het rechthuis. (...) En zij gingen niet in het rechthuis.

In het rechthuis wordt recht gesproken. Daar komen doorgaans geen goede mensen. Wel slechte. Mensen, die heel wat op hun geweten hebben. Die op de één of andere misdaad betrapt zijn geworden. Die moeten vroeg of laat voor de rechter verschijnen. Zo gaat dat in de wereld. Zo gaat dat ook onder ons. leder weet dat.

Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. Jezus is dus ook in het rechthuis geweest. Hij heeft daar ook voor de rechter gestaan. Door die rechter wordt Hem de vraag gesteld: “Wat hebt gij gedaan?” (vs. 35). Op deze vraag zou door Jezus heel wat geantwoord kunnen worden. Als Hij daar had moeten vertellen wat Hij allemaal gedaan had. Dan had dit een opsomming kunnen worden van allemaal ‘goede werken’. Want Hij was het land doorgegaan, goed doende. Hij had nog nooit iets onbehoorlijks gedaan. Hij had zieken genezen, blinden de ogen geopend, doven de doren doorboord, kreupelen doen gaan en lammen doen staan. Hij had mensen hun zonden vergeven, wanneer dat de kwaal was die hen drukte. Hij had zelfs doden doen opstaan. Op de vraag “Wat hebt Gij gedaan?” had Jezus kunnen antwoorden: “Ik heb alleen maar goed gedaan!”

Doch dat heeft Hij niet gezegd. Want Hij stond daar in de plaats van Zijn volk. Hij stond daar als de ‘zondebok’, beladen met de zonden van Zijn volk. Dat is een volk dat nog nooit iets behoorlijks gedaan heeft. Zo leren zij zichzelf kennen. Het is een volk dat de voetstappen van de Heere Jezus moet drukken. Zij komen daardoor ook in het rechthuis terecht. De weg naar het Vaderhuis liep voor de Heere Jezus door het rechthuis. De weg naar het Vaderhuis, alwaar vele woningen zijn, loopt voor Zijn volk ook door het rechthuis.

Als zij in het rechthuis komen, dan wordt ook aan hen de vraag gesteld: “Wat hebt ge gedaan?” En wat moet dan geantwoord worden? Geen enkele goede daad kan dan worden voorgedragen. Dan moet schaamte het aangezicht bedekken. Dan moeten ze bekennen dat ze niet anders dan kwaad gedaan hebben. Dat ze tegen al de geboden Gods zwaarlijk hebben gezondigd en niet één daarvan gehouden hebben. Dan moeten ze met David belijden: “Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad. Mijn zonden zie ’k mij steeds voor ogen zweven, ‘k heb tegen U, ja U alleen, misdreven; Uw wil en wet, zo heilig, stout versmaad. Ik heb gedaan dat kwaad was in uw oog. Dies ben ik Heer’ Uw gramschap dubbel waardig, ‘k erken mijn schuld die U tot straf bewoog. Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.”

Dat wordt in het rechthuis beleefd. Men kan dan niet anders verwachten dan dat men voor eeuwig veroordeeld worden zal. “Zo Gij in ‘t recht wilt treden, o Heer’, en gadeslaan onz’ ongerechtigheden - ach, wie zal dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving...” Waarom? Daarom, dat Jezus in het rechthuis verkeerd heeft. Hij is, onschuldig, door de wereldlijke rechter veroordeeld om ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, te bevrijden. Zo zegt de Heidelbergse Catechismus het. Zo is het naar het Woord van God. Want Hij, Die geen zonde gekend of gedaan heeft, heeft God tot zonde gemaakt. Opdat wij zouden worden rechtvaardig voor God in Hem.

Dit wordt door goddelozen verstaan. Dat zijn mensen die er door de ontdekkende werking van de Heilige Geest achter gekomen zijn, dat zij goddelozen zijn. Zij leren door het geloof verstaan dat zij in het rechthuis voor God alleen vrijuit kunnen gaan omdat Jezus voor hen heeft gestaan, in hun plaats. ”Welzalig hij, die ’t mag gebeuren dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren... “ Naar recht niet schuldig - hoe is dat mogelijk?

“Wat hebt Gij gedaan?”, zo vroeg de rechter aan Jezus. Hij had geen onbehoorlijke dingen gedaan. En toch heeft Hij wat gedaan! Hij heeft alles gedaan om Zijn volk naar recht zalig te kunnen maken. Daar heeft Hij voor geleden. Daar is Hij voor gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle. Opdat mensen die verloren zouden moeten gaan, in het rechthuis vrijuit zouden kunnen gaan, vrij voor God. Zalig heilgeheim voor diegenen die met Jezus in het rechthuis mogen verkeren.

En zij gingen niet in het rechthuis. Dat waren de vrome Joden. Het Sandrehin met hun aanhang. En die aanhang is heel groot. Helaas!, je vindt ze nog overal. Zij willen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden. Stel je voor: een nette man, en nette vrouw en dan in het rechthuis te moeten komen. Wat zouden de mensen dan wel van hen moeten denken? Dan zouden ze minstens denken dat zij één of andere misdaad gepleegd hadden. En daar is men veel te goed voor. Zij blijven liever buiten het rechthuis. Zij worden derhalve ook nooit veroordeeld. Maar zij leren ook nooit het bevrijdende werk van de Heere Jezus Christus in der waarheid kennen. Wat Hij voor zondaren, slechte mensen, gedaan heeft, leren zij nooit verstaan. Als goede mensen - zo zien zij zichzelf -is Jezus voor hen nog nooit noodzakelijk, gepast, dierbaar en beminnelijk geworden. Want dat wordt in het rechthuis geleerd. Wie het daar mag leren, die ziet zich door het rechthuis de weg naar het Vaderhuis gebaand. Arme mens, die nooit in het rechthuis komt. Hij mag menen rijk en verrijkt te zijn en aan geen ding gebrek te hebben. Hij weet niet dat hij arm, jammerlijk, naakt en blind en ongelukkig is. Als hij buiten het rechthuis blijft, zal hij ook buiten het Vaderhuis blijven. Hij moet straks eeuwig buiten staan, als hij in het uur van het laatste gericht bevonden zal worden door de Rechter van hemel en aarde, zonder een Borg te hebben leren kennen voor zijn schuld.

Zalig hij daarentegen die in het rechthuis terecht mag komen en Jezus daar mag zien staan met ogen des geloofs. Die zal door het geloof in Hem, om Zijnentwil, straks eeuwig binnen gaan. Ja, zalig is hij die dat mag verstaan.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2003

Bewaar het pand | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2003

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken