Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KENNIS DER ELLENDE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KENNIS DER ELLENDE

9 minuten leestijd

Diepte

De Heidelberger besteedt aan de behandeling van de ellendekennis drie zondagen (2 t/m 4). De manier waarop dit gedaan wordt, is min of meer opvallend. Drie zondagen, dat is op zichzelf genomen niet veel. Geen brede behandeling, wel een diepgaande analyse. Dus geen lange, onafzienbare weg, waar de zondaar in blijft steken. Er zit voortgang in.

Het gaat heel radicaal toe. Er vallen harde uitspraken over de ernst van de doodstaat: geneigd God en de naaste te haten; in zonden ontvangen en geboren; onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Deze visie op de mens laat weinig heel van een positief mensbeeld. Deze uitspraken staan ook wel op gespannen voet met allerlei uitdrukkingen, die we om ons heen tegenwoordig wel eens horen. Zoals bijvoorbeeld: je bent een parel in Gods hand. God is blij met u, enz. Voorzover deze uitdrukkingen mensen wil bewaren voor een minderwaardigheidsgevoel, zijn deze woorden verstaanbaar; maar er iklinkt geen Bijbels mensbeeld in door.

De lijn van deze zondagen is als een fuik: de weg wordt steeds enger en nauwer, totdat we geheel vastlopen.

Zondag 2 staat ons niet toe te vluchten in een wettische oplossing; de wet vraagt geen gedetailleerde geboden slechts, zoals de Farizeeër dat ziet,maar de wet vraagt liefde. En die liefde missen we, dus er is geen hoop vanuit de wet. De wet maakt de toestand alleen maar erger.

Zondag 3 doet enkele excuses verstommen: Kan God het ook gedaan hebben? Of zijn Adam en Eva de schuld? Nee, mijn natuur is verdorven, dus ik ben het zélf. Zondag 4 is ook van groot belang. Velen zullen de uitvlucht bedenken, ook in deze tegenwoordige tijd: We behoeven niet zo ontmoedigend ver door te gaan op het pad van de ellendekennis, want God is barmhartig. Men stelt dat dan voorop. Ook weer een uitvlucht, die we graag te baat nemen. Daarmee zouden we de onderwijzer de mond kunnen snoeren. Maar nee, daar wil de Heidelberger nu niet van weten. Dat is veel gezegd. Nü gaat het daar niet om; het gaat er nu om dat we niet te snel over barmhartigheid spreken, ten koste van Gods strenge eisen. Begrijpen we de bedoeling? Niet om ons tot stikkens toe benauwd te maken wordt dit gezegd; nee, wie hier nu al over barmhartigheid spreekt, maakt het kruis van Christus overbodig. Hij doet feitelijk, al lijkt het zo niet, ernstig tekort aan de volle en heerlijke bediening van Christus. Overigens houden we vast aan de reeds eerder gemaakte opmerking, dat deze weg van ellendekennis niet eenmalig is, zodat alles in één keer geleerd wordt; het gehele leven door wordt deze stroom uitgediept en komen de zaken steeds weer terug (vraag 115). Wij struikelen allen in vele (Jak.3:2). De zaligsprekingen geven hier ook duidelijke lijnen: hongeren en dorsten alsook het treuren worden genoemd als doorgaande zaken. Denk ook aan de bekende bede, die dagelijks aan de orde komt: Vergeef ons onze schulden...

voorstadium?

Na dit gezegd te hebben, zou ik de volgende vraag onder ogen willen zien: Is men nu al binnen de poort van het nieuwe leven als men bovenstaande wegen vanuit zondag 2-4 bewandelt, of gaat het hier slechts om een toeleidende weg, die voorafgaat aan het zaligmakend geloof? Een bekende vraag.

Spurgeon merkt ergens op, dat Bun-yan de pelgrim reeds naar binnen doet gaan, terwijl de weg naar het kruis nog verre is. Meerderen hebben in deze zondagen de invloeden van Luther gezien, die stelde dat de boete voorafgaat aan het geloof. Bij Calvijn zou dat anders zijn, want hij ging er van uit dat de boete juist functioneert binnen het geloof, vanuit de levende bediening van Gods Geest. Ik noemde al eerder de studie van C.G. Graafland, die zich met deze vragen heeft bezig gehouden. Hij komt tot buitengewoon opmerkelijke uitspraken op dit punt; trouwens, zijn gehele studie over Ursinus en Olevianus bevat heel wat schokkende conclusies. Ik noem er enkele in het voorbijgaan, zonder er nader op in te gaan. Ik beperk me gemakshalve tot Olevianus.

Deze blijkt invloeden te zijn ondergaan, niet alleen van Calvijn, maar vooral ook van Melanchton en Luther. Het genadeverbond is opgericht met Christus en in Hem met de uitverkoren; Prof. Van Genderen heeft deze stelling indertijd afgezwakt. Bij Calvijn vinden we meer de gedachte dat het genadeverbond is opgericht met het gehele volk, dus de gehele verbonds-gemeente. De wet komt tot allen, het evangelie tot de gelovigen, aldus Olevianus. Hij beklemtoont dat Woord en prediking slechts zwakke middelen zijn, zonder de bediening van de Geest. Hij leerde ook de bekende onderscheiding tussen wezen en bediening van het verbond, een stelling die ook te vinden is bij dr. Steenblok.

Zie hiervoor Graafland (Van Calvijn tot Comrie, blz. 42 -107). Voor dit artikel is nu de volgende gedachte van belang, dat Olevianus ook de stelling verdedigt dat de ontdekte zondaar nog niet in het genadeverbond is (blz. 85). Het behoort bij het stadium van de voorbereiding tot het geloof. Calvijn daarentegen heeft de wet wel een plaatsgegeven binnen het verbond der genade.

Bij hem “blijft de zondekennis toch een gestalte van de door de Geest gewerkte genade”....

Ik wil hier niet te diep op ingaan maar zoveel is wel duidelijk dat de opstellers van de Catechismus volgens Graafland op de Lutherse lijn zitten (de ellendekennis staat buiten het geloof), terwijl Calvijn de ellendekennis plaatst binnen het zaligmakend geloof. Ik kan de juistheid van deze conclusie niet beoordelen, maar het belang hiervan is groot. Wel merk ik op, dat de Catechismus in z’n geheel niet deze indruk wekt. Immers, als we de lijn doortrekken, dan begint het zaligmakend werk van de Heilige Geest bij zondag 6. Daar komt ook voor het eerst in deze opvatting Christus in beeld. Alles wat voorafgaat, is slechts werk van de wet, een toeleidende weg. Alleen diegenen worden zalig, die zeker zijn van hun aandeel in Christus. Dat is de praktische gevolgtrekking.

Christus

Deze gedachte kunnen we ook in onze tijd door meerderen horen uitspreken in de prediking. Belangrijker is nog het persoonlijk belang van hen die zekerheid missen aangaande hun deel aan Christus. Hopelijk zijn deze vragen ook voor u als lezer urgent en van persoonlijk gewicht.

U gevoelt wellicht de last van uw schuld en u hoopt op Gods genade in Christus? U mag daar soms iets van ondervinden en het kan u troosten als u hoort van Zijn reddende zondaarsliefde. Evenwel neemt u bij uzelf zoveel duisternis en “ongestalten” waar, dat u elke vastheid mist. Niettemin kent u iets van de droefheid naar God en van het zien op Jezus, maar het is alles vol gebrek en er blijft altijd nog een gemis over. De Heere zal, zo hoopt u, Zijn werk voor u voleinden. Maar hoe nu als mensen sterven in een levende droefheid over de zonde, zonder zeker te zijn van hun aandeel in Christus? Als dat gebeurde met uw vader of moeder, wat moet u daar dan van denken? We zouden de vraag kunnen stellen wat Olevianus of Calvijn daar nu van zouden zeggen, maar belangrijker is wat de Heere daar nu van zegt.

Hoe zou het er nu bij gestaan hebben met de discipelen, als ze bij het kruis waren gestorven, zonder het persoonlijke weten dat Jezus sterven moest voor de verzoening van hun zonden? Waren zij nu wel of niet op de weg der zaligheid?

Praktische vragen!

Het gaat hier nu niet om de vraag of we rusten mogen in de kennis van onze ellende. Dat kan en mag in geen geval. Niettemin komt ook dat wel voor. Men acht zich dan recht bekommerd en dat hebben we toch niet van onszelf en zo gaan we rusten in ons gemis. We zijn rijk in onze armoede, buiten de bewuste kennis van Christus.

Bedenken we nu wel dat de kennis van Christus niet alleen betreft Zijn priesterlijke bediening, waardoor Hij de schuld der zonde verzoent. Reeds in zondag 2 komen we de naam van de Zaligmaker tegen. Er staat dan, als het gaat om de hoofdsom van de wet: dat leert ons Christus in een hoofd som. Hier komt het profetisch ambt van de Heere Jezus aan de orde. Het onderwijs in de wet en de vloek der wet kan niet buiten Christus omgaan. Wordt Zijn werk erin gemist, dan worden we met de wet een Farizeeër en zoeken we onze redding in een wettisch leven. Ontdekking aan onze verlorenheid is geen werk van de mens, ook niet van de wet alleen. De Heilige Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Daarom kunnen we niet zo maar de eerste zondagen buiten de leerschool van de Geest stellen. Leert de natuur werkelijk dat we geneigd zijn God en de naaste te haten en zal de van nature zo trotse mens in eigen kracht kunnen belijden dat hij geneigd is tot alle kwaad? Kunnen we vanuit onszelf vragen naar de Middelaar, Die de schuld wegneemt?

Ik meen dat de prediking in onze kerken ook altijd zo geweest is en nog is, dat er pastorale leiding werd gegeven aan hen die bekommerd zijn over hun zonden. We mogen de lammeren van de kudde niet verwaarlozen. De grote Herder der schapen belooft het dat Hij het verlorene zal zoeken, het weggedrevene zal wederbrengen, het gebrokene zal verbinden, het zieke zal sterken (Ezech. 34:16). Saulus at en dronk in geen drie dagen, toen de Heere hem staande had gehouden met de treffende woorden: “Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?” Toen An-nanias naar hem gezonden werd, wees hem de Heere op Saulus met de woorden: Zie, hij bidt. De woorden die Annanias tot hem sprak, getuigen ervan dat Hij reeds kennis had mogen maken met Christus: “De Heere heeft mij gezonden, Die u verschenen is op de weg....” (Hand.9:17).

In de prediking kunnen deze mensen niet gebouwd worden met allerlei gemoedelijkheid. Een voorkomende tekst, een psalm die inslaat, het kunnen niet de gronden zijn waarop we rusten. De Heildelberger gaat mensen halverwege hun ellende niet troosten en te vroeg opbeuren. De weg van deze zondagen is duidelijk: de breuk moet gepeild worden tot op de bodem. Laat de prediker geen rust geven buiten Christus, maar juist elke vluchtpoging verijdelen, zodat de volle openbaring van de Heere Jezus steeds weer mag klinken, nadat de Heere daar Zelf plaats voor gemaakt heeft.

Hij heeft de wet volbracht. Hij kan volmaakt onderwijs geven in de eis der wet. In Hem ligt dan ook de enige uitweg vanuit de vloek der wet. Hem zal de Geest verheerlijken.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

KENNIS DER ELLENDE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken