Bekijk het origineel

ZONDER DE WET?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

ZONDER DE WET?

11 minuten leestijd

Samenvatting van de toespraak tijdens de ontmoetingsdag op 14 april 2007

De Schotse dominee Thomas Boston bezocht op een dag in 1700 een bejaard gemeentelid. Het was een oude soldaat die nog had meegevochten tijdens de burgeroorlogen. Boston zag bij deze man in huis een boekje liggen. Hij nam het ter hand en las er een klein stukje in. Hij mocht het meenemen naar huis. Daar las hij het met grote instemming. Dit boekje heeft Bostons geestelijk leven gestempeld en zijn prediking veranderd.

Een opmerkelijk boek: The Marrow of Modern Divinity, Het Merg van de hedendaagse (bedoeld is: reformatorische) godgeleerdheid. Het was geschreven door een zekere Edward Fisher. Een kapper in Londen was hij geweest. Geen theoloog dus. Maar wel een bekwaam godgeleerde, een man die van de Heere was geleerd.

Waarom dit boek genoemd? Wel, omdat Fisher in zijn boek twee dwalingen wil ontmaskeren die in zijn tijd opgang maakten. De twee dwalingen die ook op deze ontmoetingsdag van Bewaar het Pand aan de orde komen. Vanmorgen de ene, vanmiddag de andere. In de 1e plaats die van het neo-nomianisme (of: nomisme). Het is de gedachte dat de mens de Wet van God nog moet (en in een bepaald mate ook kan) volbrengen. De Wet als voorwaarde voor het Evangelie. Alsof de zaligheid niet van begin tot eind louter genade is. En alsof de mens enig aandeel heeft in het zalig worden.

De dwaling van het anti-nomianisme is de tegenhanger ervan. Het is de gedachte dat de wet van de Heere er niet meer toe doet. Ook niet in het leven der dankbaarheid. De Heere Jezus heeft voor de Zijnen toch de wet vervuld? Wel, dan zijn Gods kinderen toch ontslagen van Gods geboden? In de ergste vorm komen we deze dwaling tegen in Romeinen 6: “Wat zullen wij dan zeggen ? Zullen we in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?” Paulus antwoordt: “Dat zij verre!”

Vanmiddag dus iets over dat anti-nomianisme. Of beter nog: die dwaling afgewezen op grond van het duidelijke getuigenis van Gods Woord.

met Christus opgewekt

Paulus schrijft aan de Kolossenzen: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt...” Hij schrijft dat aan zijn medegelovigen. Ze zijn “met Christus opgewekt...” Ze delen door genade in Zijn leven! Met Christus - het wijst ons op de nauwe verbinding die er is tussen de Heere Jezus en de Zijnen. Noemt Hij Zichzelf niet de Wijnstok en zijn de Zijnen dan niet de ranken die in Hem zijn? Los van de Wijnstok kunnen de ranken niet bestaan. Maar daarmee verbonden, delen ze in alles wat van de Wijnstok is. ”In de vereniging met Christus ligt alles. En buiten de vereniging met Christus bezit ik niets. Zonder door een waar geloof aan Hem verbonden te zijn, bezit ik geen zaligheid en geen heiligheid. Zonder in Hem te zijn, oefen ik niet de ware bevindelijke godsdienst...” [J.C. Philpot].

Wel, daarin ligt de zaligheid van Gods Kerk vast. Ze ligt ze niet in mezelf vast. Maar ze ligt ze in mijn Zaligmaker vast. Want wie van Christus zijn, die zijn “met Christus” gestorven aan hun zonden. En ze zijn “met Christus” opgewekt ten leven. En al lig ik dan, naar mijn ervaring, midden in de dood, ik weet van het leven in Hem. En ik ontvang het leven uit Hem. En daar heb ik genoeg aan!

Maar let wel, deze adeldom schept een hoge verplichting. Luister naar de apostel. Als het dan zo is, zegt hij, als u genade van de Heere ontvangen hebt, leef dan ook niet beneden die hoge stand van genade. Nu moet uw stand aan uw staat beantwoorden. Als dat grote voorrecht u te beurt is gevallen, dat u met Christus bent opgewekt, laat dit dan ook zien: “zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is, aan de rechterhand van God. Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn!”

Paulus zegt niet: “Als je eenmaal bekeerd bent, dan is alles goed. Bekeerd is bekeerd. Nu zal Hij er Zelf wel voor zorgen dat je uiterlijke leven ook een beetje daarmee in overeenstemming is. Maak je daar maar geen zorgen over...” Nee, dat zegt de apostel niet. Hij geeft de gelovigen van Kolosse een opdracht. En Hij spreekt die woorden uit in de gebiedende wijs: “Zoek wat van boven is! Bedenk wat van boven is! Niet wat van de aarde is. Maar wat van de hemel is. Daar is toch Christus, uw Koning? Hij met Wie u gestorven bent en met Wie u bent opgewekt? Hij, aan Wie u door één Geest verbonden bent?! “Als uw Koning, uw Hoofd, uw Bruidegom in de hemel is, kunt u dan werelds leven, naar het schema van deze verdorven en vuile wereld?” Het is dus een absoluut onbijbelse, ja zelfs verderfelijke gedachte, dat genade losbandigheid tot gevolg mag hebben. Ik word niet zalig door de werken der wet. Het is waar. Ook mijn toegewijde en ernstige leven legt voor de heilige God geen gewicht in de schaal. Mijn vrome gedachten, mijn toegewijde ijver, mijn ernstige voornemens - ze doen er in het stuk van de rechtvaardiging absoluut niet toe. “Niet de offers die ik breng, niet de tranen die ik pleng - schoon ik ganse nachten ween - kunnen redden. Gij alleen!”

Maar dat betekent niet dat er geen goede werken zullen zijn. Het is wel: door het geloof alleen. Maar dat geloof blijft niet alleen.

De Heidelberger wijst daar ook op: “Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, (...) moeten we dan nog goede werken doen?” Ja, we moeten wel zeker goede werken doen! “Het is zelfs onmogelijk dat, zo wie in Christus door een waar geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.”

hoe lief heb ik Uw Wet

Weet u wat het kenmerk van een kind van God is? Hij krijgt de Wet van de Heere lief. Ja, dat is dezelfde Wet als die mij veroordeelt. Die mijn leven stelt voor de spiegel van Gods heiligheid. Die mij ontdekt aan mijn verloren bestaan Die mij m’n ellende recht en grondig doet kennen. Eens en telkens weer. Maar desondanks - die Wet heb ik van harte lief. Ze gaat me boven alles.

Het is ooit mijn gebed geworden - en het blijft mijn gebed: “Wat wilt U dat ik doen zal?” Heeft de Heere immers niet in mijn leven Zijn belofte vervuld: “Ik zal Mijn Wet in hun binnenste geven en Ik zal die in hun hart schrijven” [Jer 31: 33]. Er is in deze wereld en er is ook in mijn eigen leven niets zo belangrijk geworden als Gods Wet, de uitdrukking van Zijn heilzame wil. Hoe Hij wil dat ik leven zal.

Hij heeft Zijn Wet in mijn binnenste geschreven. Niet om door de Wet zalig te worden. Nee, daar ben ik aan gestorven. Maar “om die te doen uit dankbaarheid. U, Heere, kiest mijn hart voor eeuwig tot zijn Koning.”

Maar dan zeg ik er direct dit bij: dat brengt me in de strijd, een bloedige strijd, een levenslange strijd. Enerzijds: geworpen op de waarheid van het Woord van mijn God. Ingewonnen voor, overweldigd door de eeuwige gelding van Gods Wet. Ik kan er geen streep van af doen. En ik wil het ook niet. Want de Wet van mijn God is mij liever dan iets anders... Maar anderzijds de klacht: het goede dat ik wil, dat doe ik niet. En het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. Ik houd niets anders over dan dit: “Ik, ellendig mens...”

Een optimistisch 19-de eeuws gezang legt het de ‘verloste mens’ op de lippen: “En nu geen zondaar meer...” De ervaring van Gods kinderen is een geheel andere. Juist in het leven der bekering en heiligmaking, juist als Gods Wet mij teer en heilig is, ervaar ik mijn verdorven bestaan. Het doopformulier spreekt in dit verband over “de dagelijkse vernieuwing van mijn leven.” Jawel, maar denk niet dat dat een merkbare vordering is in toenemende heiligheid. “Ik kan niet bidden, zonder te zondigen. Ik kan geen preek horen, of zelf preken, of ik zondig. Ik kan geen aalmoes geven, of zelfs naar het Avondmaal gaan, of ik zondig. Nog meer: ik kan niet eens belijdenis van mijn zonden doen, zonder ze te vergroten door de wijze waarop ik ze belijd. Wegens het berouw dat ik betuig te hebben over mijn zonden, moet ik berouw hebben. Mijn tranen dienen gewassen te worden, en zelfs deze wassing moet worden gereinigd door het dierbaar bloed van mijn Verlosser” [W.H. Beveridge].

haat tegen de zonde

Gods kinderen hebben een haat tegen de zonde gekregen. Omdat de zonden Gods deugden krenken. Maar vooral ook omdat ze de dood van hun lieve Zaligmaker hebben gekost. Daarom: een haat tegen alle zonden. Niet alleen die zonden die nog wel gemakkelijk te verwijderen zijn. Maar ook tegen de zonden die ik zo graag koester. Die samenvallen met mijn zondige aard. Waar mijn gevoeligheid ligt: het praten over anderen, mijn roddelzucht, mijn geldzucht, mijn eerzucht, mijn pronkzucht, mijn zinnelijke zucht... - wat het ook is. Ze moeten allemaal ontmaskerd, gebroken, gekruisigd worden. Lees eens hoe concreet de apostel Paulus de zonden benoemt in Kolossenzen 3.

Een christen is een mens met een scheur in zijn ziel. Want zijn oude mens haakt naar de zonde. En zijn nieuwe mens haat diezelfde zonde. En dat brengt een innerlijke verscheurdheid mee. En juist mijn boezemzonden - die moet ik als geen andere bestrijden. Ten dode toe bestrijden. Want ze moeten er onder gebracht worden, allemaal.

Denk eens aan de rattenbestrijding in onze polders. De ratten, gevreesd als gravers en wroeters. Ze ondermijnen met hun gangen de betrouwbaarheid van onze dijken. Vandaar de bestrijding van deze dieren. Kan volstaan worden met zo af en toe er één dood te maken? Nee, ze moeten allemaal gedood worden.

Hoe zal het kunnen, de doding van mijn zonden? Nee, niet in eigen kracht. Mijn kracht is klein, de driften veel, het hart onrein... Hoe zal het moeten? “Indien gij door de Geest (!) de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven” [Rom. 8]. Wie bestrijdt die boze zonden? De begenadigde mens, jazeker. De mens Gods. Het kan niet anders. Maar wie overwint de boze lusten en alles wat aan zonde in mij huist? Ikzelf? Ach nee, de Heilige Geest doet het, in mij en door mij. Het is ten diepste Zijn werk.

diepste geheim

Voelt u aan hoe dwaas en goddeloos de dwaling van het anti-nomianisme is? Alsof de heilige Wet van de Heere er in het leven van de bekering niet meer toe doet. “Waarom moeten we dan nog goede werken doen?”, vraagt de Catechismus. Ze moeten gedaan worden. En ze zullen gedaan worden. Het kan niet anders. Zoals uit de vruchten de boom gekend wordt, zo ook uit de goede werken het nieuwe leven.

Waar een waarachtig geloof is, waar een hartelijk vertrouwen op de Heere is, waar er geloofskennis is van de verlossing die in Christus Jezus is, daar zijn ze. De goede werken. Die voortkomen uit een waar geloof, die naar de Wet van God zijn en die Hem ter ere geschieden.

Het diepste geheim ligt daarin, dat de Heere de Zijnen vernieuwt naar het evenbeeld van Zijn Zoon. Van Hem gold het ten volle: “Uw Wet is in Mijn binnenste.” En zo zal het in de gemeenschap met Hem ook in de Zijnen zijn.

“Ik smeek u daarom: leg uw monden aan de Fontein Christus, dan zullen uw zielen vervuld worden met het water des levens, met vreugde-olie en met de nieuwe wijn van het Koninkrijk van God. Van Hem zult u dan grote vreugde, lieflijke omhelzingen en verrukkende vertroostingen ontvangen. (...) Wat een dankbare liefde zal dan uit een dankbaar hart voortkomen, zich eerst tot God uitstrekkend en dan tot de mensen. En dan zal er ook zijn, naar de mate van uw geloof, uw gewillige gehoorzaamheid aan God en aan de mensen om Gods wil. (...) Dan zult u zich niet tot de goede werken behoeven te dwingen. Want uw ziel zal altijd verbonden zijn om God lief te hebben en Zijn geboden te onderhouden. (...) En zo zult u gelukzalig zijn in dit leven, in de vereniging met de gelukzaligheid, en ook gelukzalig zijn na dit leven, in de volle genieting van de gelukzaligheid. Dit geve de Heere Jezus Christus ons allen.” [Edward Fisher].

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

ZONDER DE WET?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2007

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken