Bekijk het origineel

Josafat (11)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Josafat (11)

2 Kronieken 20:14-17

11 minuten leestijd

Hartelijk en dringend, ootmoedig en gelovig heeft Josafat samen met het volk tot de Heere gebeden. Hij heeft een beroep gedaan op wie de Heere is en pleitend op Gods daden in het verleden heeft hij de nood van het heden aan de Heere voorgelegd en Hem gesmeekt om hulp en uitkomst. Heeft de Heere naar dat roepen gehoord? Ja, dat heeft Hij. Hij luistert altijd naar het geroep van ellendigen. Hij luistert niet alleen, maar Hij geeft ook antwoord.

De Heere geeft antwoord
Het eerste antwoord van de Heere komt in de vorm van een woord; een woord dat, zoals dat zo vaak het geval is, bestaat uit een belofte en een opdracht. Na dat antwoord in de vorm van een woord komt er ook een antwoord in de vorm van daden; daden die de gevraagde uitkomst brengen. Waarom doet de Heere het zo? Kan Hij het niet anders doen? Kan Hij niet regelrecht ingrijpen en door Zijn machtige daden de vijand vernietigen en het gevaar afwenden? Zeker kan Hij het zo doen. Door middel van een natuurramp bijvoorbeeld. Het zou wel afdoende zijn geweest. Juda zou verlost zijn. Maar toch kiest de Heere een andere weg. Het eerste deel van Zijn antwoord is een woord en niet een daad. Daar heeft de Heere goede redenen voor. Hij gaat verlossen; dat staat vast. Maar het behaagt Hem die verlossing op zo’n manier te bewerken dat tevens het geloof van Zijn volk zal moeten blijken. En aangezien geloof altijd iets moet hebben om in te geloven - een geloofsvoorwerp - moet de Heere dat voorwerp om in te geloven geven. Dat is dan Zijn Woord. Daar moet het volk naar horen. Daar moet het mee werkzaam zijn. Daar moet het in geloven. Zo is Gods verlossingsweg en Zijn verlossingswerk. Hij spreekt Zijn Woord en dat Woord moet geloofd worden en door het geloof krijgt een mens dan deel aan die verlossing. Zo gaat het hier in 2 Kron. 20. Zo gaat het immers altijd. Geloven in wat God zegt; geloven in Hem Die God geeft, de Heere Jezus Christus; geloven in het Evangelie dat van Hem getuigt - dat is de wet van het Koninkrijk der hemelen. Het is waar, dat dit niet eenvoudig is. Daarom geven wij er de voorkeur aan dat de Heere maar direkt ingrijpt zonder van ons eerst geloof te vragen. Maar aan die verkeerde neiging in ons kan God natuurlijk nooit toegeven. Dat zou betekenen dat Hij ons ongeloof voor lief neemt en verontschuldigt. Dat kan Hij niet doen. Nooit zal Hij ons permissie geven om ongelovig te zijn en toch te delen in Zijn gaven. We kunnen hier denken aan de weduwe in Zarfath bij wie Elia onderdak kreeg. De Heere beloofde haar dat Hij haar in leven zou houden in de tijd van hongersnood. Maar daarbij wilde Hij haar geloof inschakelen. Daarom gaf Hij haar elke dag genoeg voor die ene dag. Meer niet. Niet voor een hele week, maar voor één dag per keer. En elke dag moest ze weer geloven dat Hij Zijn Woord zou houden. Elke dag als de kruik en de fles weer leeg waren, moest ze erop vertrouwen dat er de volgende dag toch weer voldoende zou zijn. Haar geloof werd ingeschakeld. Zo doet de Heere ook hier als Hij antwoord geeft op Josafats hulpgeroep. Ja, er komt een antwoord en het is ook duidelijk van Wie dat komt. In vers 14 lezen we: ‘Toen kwam de Geest des Heeren in het midden der gemeente’. In vers 15 horen we iemand onder leiding van die Geest zeggen: ‘Alzo zegt de Heere’. Het is de Heere tot Wie Josafat zich gewend heeft, Die nu door Zijn Geest antwoordt. Josafat en Juda mogen beleven, dat ze met een sprekend God te doen hebben. Een heel andere God dan Baäl bijvoorbeeld. Toen diens dienaren tot hem riepen, ‘was er geen stem en geen antwoorder en geen opmerking’ (1 Kon. 18: 29). Het bleef angstig stil. Hoe anders is het nu. Josafat heeft een God Die spreekt. Een God Die van Zich doet horen. Hij heeft Zich bekend gemaakt. Was dat trouwens niet een van de gronden waarop Josafat pleitte toen hij tot God naderde? Wat een rijkdom is het om te weten dat er een Woord van God is.

Jahaziël, Gods instrument
Bij het antwoord geven op Josafats gebed maakt de Heere gebruik van een instrument. Een heel onbekend instrument. Het is een man die als profeet geen enkele bekendheid geniet. Maar wat maakt dat uit? Als de Heere deze man dit keer gebruikt, wil Hij daarmee zeggen, dat het niet om de brenger van de boodschap gaat, maar om de boodschap. Op zich heeft deze Jahaziël niets bijzonders. In zijn voorgeslacht zit ook niets bijzonders. De namen van zijn vader, grootvader, overgrootvader en betovergrootvader zeggen ons ook niet veel. Zacharia, Benaja, Jehiël, Mattanja, allemaal onbekende personen. Jahaziël is een Leviet, uit de zonen van Asaf. Een dienaar in het heiligdom dus. Aan de dienst des Heeren gewijd. Maar een bijzondere reden om hem te kiezen was er voor de Heere niet, of die reden moet gelegen zijn in de naam die deze man draagt. ‘Gezien door God’ - dat is de betekenis van de naam Jahaziël. Als de Heere deze man aan Juda presenteert als degene door wie de Geest spreekt, zegt Hij in die naam al, dat Hij Juda in haar nood gezien heeft. Het volk stond daar, in de tempel. Ze hadden in zichzelf niets om op te steunen. Geheel afhankelijk waren ze en in hun afhankelijkheid stelden ze geen vlees tot hun arm. Ze hadden de ootmoedige, afhankelijke gestalte van een onwaardige zondaar. Juist in die ootmoedige gestalte heeft de Heere een welbehagen. ‘Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog, die nederig knielen’, zo zingt een psalmist (Psalm 138). En een profeet vertolkt de stem des Heeren als hij zegt: ‘Op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft’ (Jes. 66:2). De Heere slaat gade, de Heere aanschouwt. Wie? Mensen die niets meer kunnen zonder Hem. Mensen die zeggen: ‘Onze ogen zijn op U’. Zij die op Hem zien, ziet en aanschouwt de Heere. Hoor maar, de naam van de man die God nu tot Juda zendt is Jahaziël: gezien door God. En zij die God gezien heeft zullen nu door de Heere verlost worden. Dat mag Jahaziël verkondigen. Hij spreekt geheel Juda aan, ook de inwoners van Jeruzalem en dan ook nog koning Josafat afzonderlijk. Ze mogen het ook allemaal met hun eigen oren horen. Wat horen ze?

Vrees niet
Allereerst horen ze wat ze niet moeten doen. ‘Vreest gijlieden niet en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte’. Is dat niet erg gemakkelijk gezegd? Daar bij Engedi is toch maar een grote menigte vijanden en die zijn een werkelijkheid. Ja, dat is helemaal waar, maar wat betekent dat voor God? Kan Hij niet meer helpen als het aantal tegenstanders groot is? Wat betekenen getallen voor Hem? Welnu, als er voor de Heere dan geen redenen zijn om te verschrikken voor het grote aantal vijanden, zijn er voor het volk des Heeren dan wel redenen voor vrees? Daarom mag Jahaziël zeggen: Vrees niet en ontzet u niet. Vrees is angst en ontzetting is de verlamming die het gevolg is van angst. Zo komt dat benauwde gevoel dat het hopeloos en uitzichtloos is en dat we moeten omkomen. Geef aan dat gevoel niet toe, zo waarschuwt Jahaziël. Daar is geen enkele reden toe. Waarom niet? Omdat de Heere met Juda zal zijn. ‘De strijd is niet uwe, maar Gods’. God maakt Juda’s zaak tot Zijn zaak. Dat is Gods belofte en op die belofte is de aansporing ‘Vrees niet’ gegrond. De Heere kiest dus de kant van Zijn volk. Hij gaat het voor hen opnemen. Ze zijn immers Zijn volk. Ze zijn naar Zijn Naam genoemd. Uit hen zal bovendien de Beloofde voortkomen en dat moet gebeuren. Gods heilsplan zal worden uitgevoerd. Dat zullen de vijanden niet kunnen verhinderen. Mogelijk dat die vijanden het zich niet eens bewust zijn dat zij met hun strijd tegen Juda tegen God strijden en in die strijd zoeken te verhinderen dat de Christus komen zal. Maar de duivel, die hun instigator is, is zich dat wel degelijk bewust. Dat zal de duivel evenwel niet gelukken. Daarom mag Jahaziël zeggen dat het ten diepste gaat om een strijd, die de Heere strijdt. Heeft de Heere zo al niet veel vaker gedaan? Toen Hij Israël uit Egypte uitvoerde en ze bij de Rode Zee leken vast te lopen, zei Hij het bijna met dezelfde woorden: ‘Vrees niet, staat vast... De Heere zal voor u strijden’ (Ex. 14:13,14). Wat zei David toen hij in de kracht des Heeren de Filistijnse reus Goliath tegemoet ging? ‘De krijg is des Heeren’ (1 Sam. 17:47). Steeds weer heeft de Heere het in de geschiedenissen van Zijn volk waar gemaakt. Zo heeft Hij het ook Zijn kerk toegezegd: ‘En ziet, Ik ben met u, al de dagen, tot de voleinding der wereld’ (Matt. 28:20). Hij bouwt Zijn kerk; Hij bewaart haar. Wat er ook tegen haar in het geweer gebracht wordt en hoeveel reden tot vrees en ontzetting er lijkt te zijn. Bedoelt Jahaziël te zeggen dat Juda in het geheel niets moet doen en dat ze wel lijdelijk mogen toezien? Nee, er komt ook een opdracht. Maar de hoofdzaak is, dat ze erop mogen vertrouwen dat de Heere de zaak zal afhandelen.
Opdat iedereen zal weten dat het Gods werk is. Zijn werk alleen. God gaat bekend maken dat Hij God is. Zoals Hij dat ook deed bij de verovering van Jericho. En vele keren daarna. Dat is nog altijd de grond waarop Gods kerk rusten mag. Op diezelfde grond rust ook het geloofsleven van elk van Gods kinderen. Daar moet het dan ook gezocht worden. Soms lijkt het met de gelovigen langs de rand van de afgrond te gaan en we vrezen. Een andere keer bruisen de golven en gieren de winden en we vrezen weer. Maar geen nood, de Heere zegt: Ik ben met u; Ik zal voor u strjden; Ik heb u in Mijn beide handpalmen gegraveerd.

Opdracht
Hoewel ze niet zullen moeten strijden, toch moeten ze tegen de vijanden uittrekken alsof ze wel de strijd gaan aanbinden. De opdracht is duidelijk. ‘Trekt morgen tot hen af; ziet zij komen op bij de opgang van Ziz en gij zult hen vinden in het einde van het dal vooraan de woestijn van Jeruël’. Nee, ze hoeven niet zelf te strijden; Jahaziël zegt het nogmaals. Maar wel moeten ze in slagorde gaan staan. Om wat te doen? Om te zien wat de Heere gaat doen. Het heil des Heeren gaan zien. Dat heil zal namelijk te zien zijn. Daar mogen ze naar kijken. En nogmaals klinken de woorden: ‘Gaat morgen uit hun tegen, want de Heere zal met u wezen’. Niet strijden en zich toch in slagorde opstellen. Niet strijden, maar kijken. Wie begrijpt zo’n opdracht? Iemand die wel eens kennis genomen heeft van wat de Heere in het verleden gedaan heeft. Iemand die wel eens gedaan heeft wat Asaf deed: ‘’k Zal gedenken hoe voor dezen ons de Heere heeft gunst bewezen; ‘k zal de wond’ren gadeslaan die Gij hebt vanouds gedaan’. Want in het verleden ging het vaker zo. Wie daarbij leeft begrijpt deze vreemde opdracht die Jahaziël geeft een beetje beter. Ten strijde trekken, maar geen zwaard gebruiken. Ook geen pijl afschieten. Alleen maar zien. Op Gods daden letten. Stil getuige zijn en er zelf niets aan doen. Ja, zo gaat het soms. Niet altijd; dat weten we ook. Soms wordt de strijd zelfs heel bloedig. Bij Jericho mochten ze ook kijken. Maar bij Ai moesten ze wel de strijd in. De strijd blijft echter altijd een strijd die God strijdt. Een strijd waarin Hij de leiding neemt. Laten Gods kinderen dan nauwkeurig luisteren naar Hem die de Voleinder des geloofs is. Luistert Juda naar de woorden van Jahaziël? Nemen ze dat woord aan als het antwoord dat de Heere geeft op het gebed dat Josafat bad? Ja, ze luisteren. Ze geloven. Dat geloven wordt gehoorzamen. Dat luisteren en geloven komen op twee manieren openbaar. Het eerste is wat ze onmiddellijk doen en het tweede is wat ze de volgende dag doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 2010

Bewaar het pand | 20 Pagina's

Josafat (11)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 2010

Bewaar het pand | 20 Pagina's

PDF Bekijken