Bekijk het origineel

Zelfkritiek?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zelfkritiek?

10 minuten leestijd

Kerkverlating en geloofsafval horen bij onze tijd. De literatuur van onze dagen vertoont daarvan de sporen. In dagbladen komen we er regelmatig mee in aanraking. Enkele weken geleden was dat het geval in een boekbespreking over Franca Treur, die beschrijft hoe ze als klein meisje al vervreemding voelde ten opzichte van haar opvoeding. Een dag daarvoor was er een verslag van een gesprek met de CDA-er Schinkelshoek, die vertelt hoe hij weggroeide van het milieu van de Gereformeerde Gezindte.

In Nederland
“Franca Treur is geen nieuwe Maarten ’t Hart, zeker niet”, aldus Enny de Bruijn in het RD van 4 november 2009. „Ze hoort bij een volgende generatie auteurs die met mildheid naar de eigen bevindelijke achtergrond kijken wil. Maar daar hoort wél de nodige vervreemding bij, een vervreemding die heel subtiel in de formuleringen sluipt.” Maarten ’t Hart s bekend geworden door zijn uiterst kritische weergave van het Gereformeerde leven in zijn geboorteplaats Maassluis. Zijn denktrant en zijn manier van schrijven willen een fel protest zijn tegen de sfeer van zijn opvoeding. Hij doet het schokkend en ontmaskerend, verbeten en verblind door een bijna hartstochtelijke en haatuitstralende afkeer. Misschien hebben zijn boeken onbewust sterk bijgedragen aan het verval van de Gereformeerde kerken, waaruit hij voortkwam. In de beide artikelen die ik zoëven noemde, komen deels dezelfde motieven aan de orde die ook bij ’t Hart te vinden zijn. Ik noem er twee: hoe kan een God van liefde mensen laten sterven, terwijl deze niet gemist kunnen worden? Wat is de zin van allerlei uiterlijke plichtplegingen die wij er op nahouden? Uiterlijkheden, waarin naar de mening van de schrijvers de kern der dingen ontbreekt. Het is allereerst opmerkelijk dat kerkverlaters blijkbaar niet klaar zijn met hun achtergronden en daarbij is het eveneens bijzonder dat er velen zijn binnen de kerken die daarvoor een zekere interesse tonen. Kan dit te maken hebben met onzekerheden die ook in hun en in ons leven spelen, vraagtekens achter leer en leven zoals deze binnen onze gezindte gevonden worden? Voelen we een zekere verbondenheid met het gedachtegoed van hen die braken met de Heere en Zijn dienst? Natuurlijk worstelen wij allen, de een meer dan de ander, met de vele moderne vragen die gesteld worden aan de Bijbel en het geloof. Dat kan, in omgekeerde richting, ook voortkomen uit het feit, dat zovelen om ons heen omvallen. Waarom blijven wij nog staan? Wat zegt de kerk mij (nog)? Er klinken zoveel kritische geluiden naar de kerk toe, dat ook wij op de tocht lijken te staan.

Dit beeld van de wegstervende kerk van Nederland is wereldwijd gesproken, niet algemeen voor alle landen en volkeren. Het behoort vooral bij de West-Europese wereld en dan nog met name in versterkte mate bij de Nederlandse bevolking. Waarom juist in Nederland zoveel verzet tegen de kerk, zo kunnen we ons afvragen. Misschien komt dat omdat juist in Nederland de kerk zo’n grote plaats heeft ingenomen. Alsook omdat in Nederland het Gereformeerde leven nog op kleine schaal sprekend aanwezig is. Iedere Nederlander weet wat Staphorst betekent en iedereen weet van de twee grote nieuwe kerken in Barneveld. Beide genoemde plaatsen staan in ons land model voor een beschimmeld kerkelijke sfeertje, waar men geen weet heeft van de moderne tijden. Wat natuurlijk helemaal niet zo is. Staphorst is een dorp waar mensen nadenken over de economie en waar men werk maakt van maatschappelijke processen en waar gewoon geleefd wordt; waar men daarbij ook nog in kerkelijk opzicht een grote plaats geeft aan kerk en godsdienst. Het is natuurlijk ondenkbaar, maar de vacantiefolders konden beter reclame maken met Staphorst en Opheusden, dan met Amsterdam. De aanwezigheid van groepen mensen en kerken, die het in onze tijd nog wagen te leven uit een ander beginsel dan de kerkafbrekende en nihilistische zienswijzen van de massa, roept op tot fel verzet. Er wordt in onze tijd nogal eens gezegd dat de kerk getuigend in de maatschappij moet staan, maar ik denk dat de kerk dat al doet door haar aanwezigheid en door haar niet leven naar de geest der eeuw. Ik zeg niet dat dat genoeg is, maar het is in ieder geval een feit. Een kerkmens is op zich is in deze tijd al een getuigenis. Als de kerk in de Zuilense wijk van Utrecht aanging, stonden de buurtbewoners op een mooie zomerdag over de leuningen van de gaanderijen gebogen om te kijken naar dat vreemde volkje, dat naar de kerk ging. Dat zagen ze in de stad nergens meer. De gemeente was ook in uiterlijke zin gekleed in een eigen stijl. De kerkganger van vandaag roept stilzwijgend de mens van nu ter verantwoording en herinnert die mens aan zijn eigen verleden, waarvan hij zelf inmiddels afstand genomen heeft. Het is dus zo, dat onze maatschappij in sterke mate geconfronteerd wordt met de aanwezigheid van de kerk, ook bijvoorbeeld door deelname van de CU aan de regering, en door het kerkvolk, dat zich in kleding en gebruiken manifesteert op de straten van stad en dorp, op de markt en in het publieke domein. Dat roept vragen op, het roept ook irritatie op. Dat moet ook zo zijn, want Petrus zegt niet voor niets dat we altijd bereid moeten zijn tot verantwoording aan een ieder die ons rekenschap afeist van de hoop die in ons is. We moeten door onze houding, door onze aanwezigheid, door onze afzijdigheid van bepaalde volksvermaken en afgoderijen getuigenis afleggen van de christelijke hoop. Onze houding moet de wereldling zo intrigeren, dat hij ons de vraag stelt wat er nu eigenlijk met ons aan de hand is, want hij begrijpt die houding niet. Voorzover dat geldt van de wereld buiten ons, is dat een normaal verschijnsel. Men houdt zich vreemd als we niet meelopen “tot dezelfde uitgieting der overdadigheid” (1 Petr.4:4). Zo wordt de kerk van buitenaf onder vuur genomen in De Telegraaf, in Elsevier, in de Tweede Kamer, in de wetgeving. Het felle en groeiende verzet tegen de christelijke gemeente in ons land heeft dus zeker wel een oorzaak. Onze eigen gezindte wordt daardoor aan het denken gezet. Een gevolg daarvan is het initiatief om te werken aan de verdediging van het Christelijke geloof. We noemen dit apologetiek. Een bezigheid, die de kerk tijdens de vervolging in het Romeinse rijk ook ijverig ter hand nam. Ik las laatst nog eens over die periode en het viel me op dat er parallellen lopen met onze dagen. De christenen moesten offeren voor het beeld van de Romeinse keizer; ze moesten meedoen en hun anders zijn afleggen. Er werden allerlei misstanden binnen de kerk aan de kaak gesteld en zodoende groeide de weerstand tegen de kerk. Zulke ontwikkelingen kunnen zo maar overslaan naar onze tijd. We zien er al de tekenen van.

In de wereld
Zo is de situatie in Nederland. Zo is het echter lang niet overal. In Amerika zien we een tegenovergestelde trend zichtbaar worden. Er verschenen daar de laatste tijd meerdere boeken die vertellen hoe jongeren, na een aanvankelijk negatieve kijk op hun verleden, toch later weer met des te meer overtuiging terugkeerden naar de strakke kerkelijke vormen van hun kinderjaren. Het gaat dan over de Amish-cultuur. Daar mogen jongelui gedurende de groei naar volwassenheid de wereld intrekken om zelf te beslissen of ze Amish willen blijven of niet. Het is dan opvallend, dat meerderen vrijwillig terugkeren naar hun oude wortels. Ik weet niet of we hier te maken hebben met een breed gedragen verschijnsel, maar ik heb toch kort na elkaar twee boeken hierover onder de aandacht gekregen. Een weldaad als jongeren zo spreken over hun afkomst! Nu moet u weten dat de Amish een massief stelsel van regels en wetten hebben. Geloofsbevinding, zoals wij daarover spreken, komen we in hun levensstijl nauwelijks tegen. Wel strenge en strakke geestelijke regels. Er zijn echter ook sterke sociale bindingen onderling te vinden. Ondanks die regels zoeken jonge mensen het bij hun opvoeding en niet in de wereld. Het zou belangrijk zijn een studie op te zetten naar de verschillen tussen deze Amish-kolonies in Amerika en onze bevindelijke kringen, die toch ook in een zeker isolement leven. Belangrijke vraag: Hoe komt het dan dat onder ons zoveel mensen zich afkeren van de kerk, juist vanwege al die regels en wetten? Heeft het ermee te maken dat Amish-groepen de techniek weren? Geen telefoon, geen auto, geen tractor, geen TV? Men leeft bij wijze van spreken als Abraham in zijn tijd. De jacht van het moderne leven is afwezig. Dat trekt misschien jongeren toch aan. Hebben wij op de bodem van ons hart er soms ook geen heimwee naar? Ondanks de wet en de geboden zijn we volkomen aangepast aan de techniek van deze tijd. Er ontstaat een kloof tussen onze wortels in het Woord en die in de moderne tijd. Ik heb er al eens op gewezen dat we door de techniek op zich (!) en door de “vruchten” van het moderne leven (media, muziek, TV, Internet) innerlijk vervreemd zijn van het leven naar Gods Woord. Aan de ene kant zijn we volop verweven met onze moderne tijd en we plukken gretig en soms gulzig de vruchten van dat moderne leven. We vinden de techniek prachtig en we doen in heel veel dingen net zo hard mee als mensen die buiten de kerk leven. En tegelijkertijd kennen we door bepaalde vormen en regels een sterke scheidslijn met onze moderne tijd. Dat maakt de zaak er niet makkelijker op. We vallen ten prooi aan tweeslachtigheid. Ons ene been staat in 2010 en het andere staat nog in een geïsoleerde kerk. Om dit alles niet te laten uitgroeien tot een hypocriete levensstijl, moeten we in ieder geval in beide zaken niet te ver doorschieten. Onze afhankelijkheid van de technische wereld zou minder moeten worden en onze strakke regels moeten bevraagd worden op hun Bijbelse gronden. Misschien zouden we toch iets van de Amish kunnen leren; maar daarvoor is het nu waarschijnlijk te laat. We kunnen misschien nòg iets van hen leren. Ze staan en ze gaan voor hun eigen wereld. Wij doen veel te veel aan zelfkritiek; de Gereformeerde Gezindte wordt gekweld door faalangst. We zetten steeds maar weer vraagtekens achter onze identiteit. Daarmee staat ongetwijfeld ook de aandacht voor hen die gingen, in verband. We kunnen precies onze eigen kwalen aanwijzen. Toch konden we dat maar beter aan onze tegenstanders overlaten. Moeten we ons ons feilen dan niet bewust zijn? Natuurlijk, maar er is een groot verschil tussen schuldbesef en nutteloze zelfkritiek. Geloven we zelf nog in de kracht van Gods Woord, in de kracht van de Gereformeerde religie? Over die vraag moeten we maar eens ernstig nadenken. En ons ook niet eindeloos bezig houden met de vijanden in de poort. Het gaat er niet om wat de wereld van ons denkt, maar wat God van ons denkt. Geen schrijvers als Treur en ’t Hart, maar levende kinderen Gods konden maar beter onze raadslieden zijn. Hier liggen heel veel overwegingen te wachten op aandacht. Misschien komt dat een volgende keer aan de orde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Zelfkritiek?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 2010

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken