Bekijk het origineel

Een onderwijzende les. Jakobus 2: 5-7

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een onderwijzende les. Jakobus 2: 5-7

6 minuten leestijd

De stijl van de zonde is ondermeer ogendienst, ook als het gaat over het alleen denken aan zichzelf. De stijl van genade is het doen van Gods wil en het denken aan de naaste. Wie hij ook is. Rijk of arm, geschoold of ongeschoold. Wat de eigen wil van de Heere is wordt ons duidelijk in het Woord aangegeven. Het blijkt in de praktijk. In de samenleving. Jakobus wijst erop. Indringend. Hartelijk. Hoort mijn geliefde broeders heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen des Koninkrijks hetwelk Hij beloofd heeft die Hem liefhebben (vs. 5). Welk een hartelijke aanspraak gebruikt Jakobus.

Hartelijke verbondenheid
Mijn geliefde broeders. Geen geijkte terminologie, maar werkelijkheid. Jakobus weet zich één met de geadresseerden. Nu mag er ook geen enkele verkeerde gedachte bij hen opkomen wanneer hij in zijn spreken of schrijven scherp is. Jakobus zoekt hun welzijn. Die houding mag een ambtsdrager niet vreemd zijn. Niet zwijgen wanneer er gesproken moet worden. Maar dan spreken op de juiste wijze. In heel het dienstwerk behoort er te zijn het hartelijk oprecht omgaan met de gemeente. Zonder aanzien van de persoon, als dit nodig is, gelijk dit bij Jakobus blijkt te zijn. In Jakobus’ tijd was er wat gaande. Zo onderling. Er waren in de tijd van Jakobus behoorlijk wat armen. Behorend tot de armlastige gemeente van Jeruzalem. Ook waren er leden door de vervolging in de verstrooiing terecht gekomen. Over de grenzen van het Joodse land. Verschillenden hadden het maatschappelijk- sociaal niet best. Om christen- zijn werd men ook gemeden of zelfs geboycot, gelijk dat nu het geval is. Men had het zwaar. Zwaar te verduren. Naar de maatstaven van de wereld was er niemand jaloers op hen. Maar Jakobus vestigt het oog op hen. Voor Jakobus hebben ze grote betekenis. Hij wist zich in geestelijk opzicht van harte aan hen verbonden. In hun armoedig leven is de Heere gekomen en gingen zij behoren tot hen van wie geschreven staat: Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk en die zullen op de Naam des Heeren betrouwen (Zef. 3:12). De Heere Christus rekende hen tot de zaligspreking: zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Matth. 5:3). Naar de wil van de Heere en door Zijn genadewerking waren zij erfgenamen geworden van het Koninkrijk der hemelen. Het zijn Koningskinderen. Zo behoorden zij gezien en erkend te worden. Ze hebben toekomst door en met de Heere. Gelijk allen die de Heere liefhebben in Zijn rijke toekomst zullen delen. Van die heerlijkheid zijn de armen niet uitgesloten. Er is onderscheid in personen in kerk en samenleving. Maar er is geestelijk eenheid. Zonder aanzien van de persoon. Van allen geldt: uit genade zijt ge zalig geworden door het geloof en dat niet uit u. Het is Gods gave (Ef. 2:8). Rijk en arm. Arm en rijk dienen daarvan doordrongen te zijn. Men behoort bij elkaar. Nu aan beide kent Jakobus een band. Hij heeft met Johannes allen lief die uit God geboren zijn. Als het goed is, is dat ook nu het geval. Vandaag zouden daarin predikanten moeten voorgaan. Met elkaar spreken en de hand geven. De geestelijke geboorte leidt daartoe. Welk een eenheid was er op de Pinksterdag. Welk een eenheid ondanks verschil in de reformatietijd. Nu wordt er veel geschreven over de gescheidenheid. Er zij een staan naar die eenheidsbeleving. Een eenheid die niet gemaakt is, maar geboren is. Waar men naar uitzag en voor bad. Dan is het: we staan wel niet in hetzelfde kerkverband, op dezelfde kansel, maar we mogen beide staan in de dienst van de Heere. We denken aan elkaar en leven met elkaar. Indien nodig lijden en strijden we met elkaar. Die beleving van zondag 21 is gelukkig geen verleden tijd. In de kerkmuren zijn openingen en daardoor kent men iets van de samenbinding. Een in geloof en beleven. Hoe onderscheiden ook. Maar naar het Woord van de Heere.

Schokkend
Heel scherp wijst Jakobus erop: Gij hebt de armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken en trekken zij u niet tot de rechterstoelen (vs. 6). Welk een schrijnende tegenstelling is er tussen de houding van de Heere tegenover de armen en de houding van de rijken, de welgestelden. Armen werden met minachting behandeld. Naar de grondgedachte kan zelfs gezegd worden dat ze getiranniseerd werden door de rijken. Men overheerste hen. Men ging als een tiran met hen om. Zoals in sommige landen en plaatsen in de tijd van de slavenhandel. Hoe erg als christenen daaraan mee doen en zelfs geen protest laten horen. Zo kan dat ook nu zijn als het gaat over de vervolgde christenen. Men wordt ook voor rechtbanken gesleept. Om zaken van godsdienstige en maatschappelijke aard. Onder de schijn van recht werd er vergaderd. De rijken die bij de rechtszitting betrokken waren konden door omkoperij het zo bewerkstelligen dat de armen de dupe werden en nog verder kwamen in de put van ellende. De kerkhistorie wijst ook op toestanden, waardoor personen aan lager wal zijn geraakt.
Hoe zijn afgescheidenen in de 19e eeuw niet behandeld. Er werden er voor rechtbanken gedaagd en hebben zware boetes gekregen. Men werd nagejouwd. Had men een winkel, de klantenkring werd kleiner. De laatste twee werkelijkheden kwamen ook voor in bepaalde gemeenten ontstaan na 1892. Het gaat toch niet vergeten worden wat het voorgeslacht over had en wilde doorstaan vanwege de keuze voor een Schriftuurlijk bevindelijke prediking? Het gaat gemeentelijk verkeerd wanneer er een tegenstelling tussen het verleden en het heden groeit. Wanneer dat het geval zal zijn dan heeft vers 7 in zekere zin ook betrekking op het voorgeslacht.

Attentie
Lasteren zij niet de goede Naam die over u uitgesproken is? Als pastor gaat het Jakobus ter harte waaronder de armen gebukt gaan, want wat kan men doen tegenover lasteren. Lasteren is een scherp wapen, wat diep ingaat in het leven. In en buiten de kerk zijn de handlangers van de boze. Gaat het over het roepen, aanroepen of uitroepen van de Naam dan dient gedacht te worden aan de naam van Jezus Christus. Die Naam beheerste hen. Ze hadden die Naam lief. Ze wisten zich aan die Naam verbonden. Nu wordt er smadelijk over de Naam gesproken. Daar men zich nu door leven, levenshouding en gezindheid verbonden wist aan die Naam Jezus Christus werd men mede gelasterd. Maar de Naamdrager Jezus Christus zegt: zalig zijt gij als u de mensen smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u want uw loon is groot in de hemelen want alzo hebben zij vervolgd de profeten die voor u geweest zijn (Matth. 5:11 en 12). Met dat getuigenis kon men het doen. Ook vandaag. Want Jezus’ woorden zijn geen leuzen maar daden! Wat een troost en kracht. Ook als lastering om de Naam er is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Een onderwijzende les. Jakobus 2: 5-7

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 2011

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken