Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het avondmaalsformulier (78), slot

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het avondmaalsformulier (78), slot

10 minuten leestijd

"Heere, leer ons bidden..." Dae vroegen de discipelen aan de Meester. Ze waren zojuist gecuige geweest van Zijn bidden tot de Vader. We krijgen in Lukas 11 de gedachte dat ze Hem daarbij stoorden. Toen Hij ophield, stelden ze hun vraag. Waren ze onder de indruk van de wijze waarop de Zoon op aarde het aangezicht van Zijn heilige Vader zocht? Hoe het zij, zij voelden zich onbekwaam tot het bidden dat God aangenaam is. Vandaar hun dringend verzoek. "Leer het ons, Heere Jezus." Ze krijgen wat ze verzoeken: gebedsonderwijs. "Gij dan bidtaldus..." En dan ontvangen de leerlingen - en in hen de kerk van Christus - het gebed dat we wel het volmaakte gebed noemen.

In het formulier voor het heilig Avondmaal is het tweemaal opgenomen. B. Wielinga in zijn leerzaam boek Ons Avondmaals formulier wijst erop dat het gebed des Heeren in het formulier van Geneve niet eenmaal voorkomt. In dat van de Paltz alleen in het voorgebed. Ons formulier legt het de gemeente zelfs tot twee keer toe op de lippen. Wat heeft Olevianus, de opsteller, ermee voorgehad? Zou het zijn dat hij de avondmaalgangers de waarde van het bidden op het hart wil binden? Dat hij aan wil geven dat het leven van een christen, ook nadat hij van de dis van het verbond is opgestaan, dat van een bidder moet zijn en altoos blijven moet? "Waarom is bet gebed de christenen van node?", zo vraagt onze catechismus. "Daarom dat bet't voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken." En dient dan het gebed dat Christus Zelf aan de Zijnen gaf hun niet op het hart te liggen?

Gepast gedrag
Ik ben aan het eind gekomen van mijn uitvoerige bespreking van het avondmaalsformulier. Vele tientallen keren mocht ik de lezers van ons blad meenemen naar deze schat die we vanuit de kerk der eeuwen hebben ontvangen. In mijn stukjes heb ik geprobeerd vooral de nadruk te leggen op de praktisch-geestelijke aspecten van ons formulier. De Heere Jezus Christus heeft aan Zijn kerk in ontferming gedacht toen Hij haar niet alleen het sacrament van de heilige Doop maar ook dat van het heilige Avondmaal heeft gegeven. Met Guido de Bres belijden we dat "onze Zaligmaker Jezus Christus het sacrament van het heilige Avondmaal verordend en ingesteld heeft om te voeden en te onderhouden degenen, die Hi] alrede wedergeboren, en in Zijn huisgezin, hetwelk is Zijn kerk, ingelijfd heeft." Met het oog op die voeding en dat onderhoud stelde Caspar Olevianus in de 16e eeuw dit formulier samen. Als de bijna 80-voudige uitleg in ons eenvoudige blad daaraan iets heeft mogen bijdragen, zal dit werk gezegend zijn.

Ik besluit mijn artikelen met te verwijzen naar een juweel van een boekje waaruit ik al eerder iets citeerde. Ik doel op het werkje van Willem Teellinck Hetgeestelijk sieraad van Christus' bruiloftsktnderen, of: De praktijk van het Heilig Avondmaal. Hetverscheen in 1620. Teellinck was toen dienaar van de gemeente van Middelburg. In zijn vierde en laatste preek geeft hij aandacht aan wat van de avondmaalganger wordt gevraagd wanneer hij of zij aan de tafel des Hee ren heeft aangezeten. De maaltijd des Heeren is voor dit keer voorbij. Na deze zondag roept het voile leven weer. Het is nodig, zo schrijft Teellinck, dat de avondmaalganger zich zodanig gedraagt "als gepast moet worden geacht voor degene, wien de Heere zo grote genade en zo onuitsprekelijke vriendelijkheid heeft bewezen, dat Hij hem tot de tafel des Allerhoogsten toegelaten en met het vlees en bloed Zijn lieven Zoons ten eeuwigen leven gespijsd en gelaafd heeft." Zes dingen zijn het die in dat verband aandacht verdienen.

Zes vruchten
Allereerst zal toch een hartelijke vreugde het hart vervullen nadat wij aan de tafel des Heeren heb ben aangezeten. Jawel, het heilig Avondmaal spreekt ons over het bittere lijden en sterven van de Heere Jezus. Dat zal tot gevolg hebben dat wij iets proeven van de bittere saus van de heilige droefheid en verslagenheid over onze zonden. Maar tegen de achtergrond daarvan zullen we een oprechte en hartelijke vreugde zoeken. Heeft immers onze Za ligmaker niet door Zijn dood de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer, namelijk de zonde, weggenomen en heeft Hij ons met de levendmakende Geest verworven en geschonken? Nu mogen wij ons tot onze onuitsprekelijke vreugde verzekerd houden van de belofte dat de Heere om Christus' wil voor eeuwig onze genadige Vader wil zijn. "Gewis, er is voor u vreugde gezaaid, de tafel des Heeren is waarlijk voor u gedekt, de zegen des Heeren is voor u opgelegd. Gij hebt het recht en de roeping om vrolijk en blij te zijn. Wacht dan op de Heere, treur heilig over uw zonden, en u zult u ten laatste verheugen zonder ophouden..."

Ten tweede zal er aandacht zijn voor het beleefde onthaal van de Heere Jezus Christus die wij als een waardige Gast in onze harten ontvangen hebben. We hebben eerder in het formulier gelezen dat geen zonde of zwakheid die in het leven van Gods kinderen zijn overgebleven een oorzaak kunnen zijn dat God de Zijnen niet in ge nade zou aannemen. Integendeel, Hij zal Zijn kinderen Zijn hemelse spijs en drank waardig en deelachtig maken. Christus geeft Zijn gasten aan Zijn tafel een hartelijk onthaal. Anderzijds is het Zijn broeders en zusters een voorrecht (we mogen ook zeggen: een verwaardiging) dat Christus tot hen wil komen en woning bij hen maken wil Qoh. 14: 23]. Het geeft wel de plicht dat de woning van hun harten op zo'n wijze moet zijn gereinigd en ingericht, als de Heere Christus het meest behagen kan. Dat hart en dat leven moeten een sieraad zijn tot eer van God en Christus. Hij wil vooral wonen bij hen die van een nederige en ootmoedige geest zijn [Jes. 57: 15].

In de derde plaats zal er een verse en levende herinnering zijn aan de Heere Christus en Zijn verlossingswerk. Waartoe heeft de Heere voor Zijn kerk het Avondmaal ingesteld? Het is met name gericht op de gedachtenis van Hem die voor de Zijnen Zijn bloed heeft gestort en Zijn leven heeft gegeven. Maar die gedachtenis mag niet beperkt zijn tot het enkele ogenblik dat wij aan Zijn tafel verkeren. Zal dat gedenken niet ons hart en leven moeten vervullen, ook wanneer wij van Zijn tafel zijn terug gekeerd? "Zal Hij nietde hoogste plaats in ons innemen, zodat onze ogen telkens weer op Hem zich vestigen? Zullen wij niet vol zijn van Hem en onze harten op Hem zetten?" Gods kinderen hebben door het geloof de Heere Jezus in hun harten. Als het zo is, dan kan het niet anders dan dat zij steeds Hem gedenken die hen zo nabij gekomen is!

Vervolgens bedoelt het heilig sacrament ook een toeneming van gemeenschap en een inniger vereniging met de Heere Jezus te bewerken. Het is de schuldige plicht van hen die in Christus zijn om er naar te staan meer en meer gemeenschap met de Heere Jezus Christus te oefenen. Niet zonder reden noemt de apostel Paulus het brood dat wij in het Avondmaal breken "de gemeenschap aan het lichaam van Christus" en de wijn die wij drinken ude gemeenschap aan Zijn bloed." Als we door het geloof Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken, zal er dan niet een zeer innige gemeenschap met de Heere Christus ontstaan, een gemeenschap die beoefend wil worden. Gemeenschap met Hem die tot voedsel van onze ziel en tot een ware drank wil zijn. "Wij moe ten degeur, de kracht en het merg van de Heere Christus - met eerbied zij het gezegd - meer en meer in onsgewaar worden. Dat is het doel van het heilige Avondmaal en daarom moeten wij daarnaar met alle ernst ons uitstrekken!"

Wie aan de tafel van Christus heeft aangezeten, zal ten vijfde ook versterkt worden in de goede gaven die Hij geeft. Versterking in de gaven van berouw, geloof en liefde. Met het ontvangen van de zegen aan de tafel, is de goedgeefs heid van de grote en goede God niet uitgeput. Als Zijn gasten opgestaan zijn en heengaan vanaf de tafel het leven weer in, dan geeft Hij nog diverse geschenken mee. Teerkost met het oog op de weg die ze gaan moeten, zouden we het kunnen noemen. Te denken valt aan de gave van het oprechte berouw over de zonden. Wie aan 's Konings tafel zat, zal de wet van de Koning liefhebben. Elke overtreding van die wet zal pijn doen en verootmoediging en berouw tot gevolg hebben, en niet minder een voornemen om de zonde te haten en te mijden. Een volgende gave is het geloof. Er is alle reden om deze guile Gastheer op Zijn woord van harte te geloven. Heeft Hij tot heden niet getoond dat Hij Zijn beloften gestand doet? Wel, zo mag er krediet zijn op Hem. "Ik weet, waarmee ik volstaan kan: ik hen verzekerd, dat de verdiensten van Christus meer zijn dan mijn zonden. Zo heb ik nu ook de Heere Jezus Christus in mijn hart ontvangen, die mijn schuld op Zich geladen heeft en mijn Borggeworden is en de betaalsom steeds bij de hand heeft!" De meest kostelijke gave is die van de liefde. In het Avondmaal heeft Christus als door een gewisse gedachtenis en een zeker pand de Zijnen vermaand en verzekerd van Zijn hartelijke liefde en trouw jegens hen: "Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven..." Liefde wil liefde wekken. Wederliefde tot de Heere en liefde tot de naaste: "om van nu voortaan in waarachtige liefde en enigheid met de naaste te leven."

Hierop sluit de als laatste te noe men vrucht aan. Het is de vrucht van de gehoorzaamheid aan Gods geboden. Teellinck verwijst in dit verband naar de apostolische vermaning in de brief aan de Hebreeen [12: 12]. "Dan moeten wij onze Wage handen en slappe knieen oprichten, om vaardig te lopen in de weg van Gods geboden en dapper te arbeiden in het werk des Heeren. (...) Daarom is het zo diep te beklagen dat er nog lieden gevonden worden, die dit niet betrachten, maar van het Avondmaal des Heeren terugkeren, gelijk zij er aangekomen zijn. Zij leven metde wereld mee gelijk tevoren. Het komt niet in hen op na het Avondmaal een nieuwe gehoorzaamheid aan te vangen." Zo zal het niet mogen zijn. Noblesse oblige, adeldom verplicht! Wie door genade iets kent van het nieuwe beginsel in Chris tus, wie door diezelfde genade aan Zijn tafel beweldadigd is, zal met zijn of haar ganse leven dankbaarheid voor Zijn weldaden bewijzen: "O Zoon, maak mij Uw beeldgelijk!'" Daarom zal mijn mond en hart des Heeren lof verkondigen, van nu aan tot in der eeuwigheid!"


Christus in de gelovige levende, dit is het eigenlijke doel toch, de spits en de kroon. Christus als schuldbedekkende en verzoenende Borg; maar ook en vooral (als het hoogste) als inwonende in de gelovige, tot vernieuwing van Gods beeld in ons; om door Zijn Heilige Geest van ons hart een tempel van de Drie-enige God te maken,

G. Wisse De bekering des mensen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 11 december 2012

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Het avondmaalsformulier (78), slot

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 11 december 2012

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken