Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zien - missen - …?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zien - missen - …?

‘..dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt’ Handelingen 5:3m

6 minuten leestijd

Voor ons ligt een ernstige geschiedenis uit het boek van de Handelingen der apostelen. Een geschiedenis die aandringt op zelfonderzoek. Nog maar kort geleden is de Geest der genade en der gebeden uitgestort. In de dagen van Ananías en Saffira heeft Hij heel krachtig gewerkt. Zondaren kwamen oog in oog te staan met hun schuld. Ze zijn er heel persoonlijk van overtuigd, dat zij Christus doorstoken hadden. En ze zijn tot een hartelijk en diep verdriet over hun zonde gebracht. Er is een rouwklacht in hun hart geboren. Een bitter kermen over hun zondigen tegen een goeddoend God. Maar – wonder van genade – ze hebben ook mogen zien op Degene Die zij doorstoken hadden. Tot hun leven (Zach. 12:10).

Waar dat krachtige genadewerk van de Heilige Geest plaatsvindt in het hart, wordt het ook zichtbaar aan de buitenkant van het leven. We lezen dat in de gemeente van Jeruzalem Gods kinderen elkaar liefhadden. Rijken verkochten hun bezittingen (huizen en landgoederen). En de opbrengst legden ze aan de voeten van de apostelen, zodat die het geld konden besteden aan de zorg voor de armen.

Wel, in die tijd, waarin Gods Geest zó werkte, leefden Ananías en Saffira. Op zeker moment zijn zij tot verandering gekomen. ‘Tot bekering gekomen’, zullen veel mensen in hun tijd wel hebben gezegd. En zo zullen ze het zelf ook hebben gezegd. Toch was dat niet zo. Ananías en Saffira waren ten diepste vreemdelingen van het werk van Gods Geest.

En nu zien ze hoe in de gemeente van Jeruzalem allerlei rijke mensen hun goederen verkopen en het geld bij de apostelen brengen. Ze horen ook, hoe deze mensen door anderen geprezen worden. Daarom vatten ze het plan op om zelf ook een ‘have’, een bezitting te verkopen. Maar ze besluiten om slechts een deel van de opbrengst aan de apostelen te geven. Het andere deel houden ze achter voor zichzelf. Mocht dat? Zeker wel. Niemand in Jeruzalem was verplicht om zijn akker te verkopen en alles af te dragen aan de armenzorg. Maar de zonde van Ananías en Saffira is, dat ze doen alsof ze alles geven. Ze geven slechts een deel, maar ze doen alsof ze alles geven.

Van die zonde zegt Petrus in onze tekst: ‘dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt’. Dat is het ergste geweest van hun zonde. Ze hebben tegen de Heilige Geest gelogen. Hoe dan? Op drie manieren.

1. Allereerst zijn ze ingegaan tegen het spreken van de Heilige Geest in hun geweten. Toen ze plannen maakten om een akker te verkopen en een deel van het geld achter te houden; toen Ananías met een zak geld door de straten van Jeruzalem ging; toen Saffira later bij de apostelen kwam, toen zal hun geweten gesproken hebben. Toen heeft de Heilige Geest - in wat we noemen Zijn algemene werkingen - gesproken in hun geweten. Maar ze hebben het spreken van hun geweten het zwijgen opgelegd. En ze zijn gezamenlijk én persoonlijk dóórgegaan op het pad van de zonde.

2. Nog op een tweede manier hebben Ananías en Saffira gelogen tegen de Heilige Geest. Ze hebben het werk van de Heilige Geest ook op een leugenachtige manier willen nabootsen. Toen ze dat werk van Gods Geest zagen glanzen en schitteren in het leven van anderen in de gemeente van Jeruzalem, en toen ze dat werk van Gods Geest in hun eigen hart en leven zagen ontbreken, heeft dat hen niet op de knieën gebracht. Ze smeekten de Heere niet, of Hij met Zijn Geest ook in hun hart en leven wilde werken. Nee, ze zijn het werk van Gods Geest gaan nabootsen. Ze deden net alsof die Geest ook in hen woonde. Zien - missen - nabootsen. Die drieslag is vandaag ook één van de levensgrote gevaren die de kerk bedreigen. Dat jongeren en ouderen het werk van Gods Geest in anderen zien. Terwijl ze het in hun eigen hart en leven missen. En daarom gaan ze het maar nabootsen. Ze willen ook doorgaan voor een kind van God. Ze doen alsof ze ook het werk van Gods Geest kennen. Ze zijn zelf maar aan het geloven geslagen. En ze praten over hun geestelijk leven, terwijl ze nooit levend gemaakt zijn. De Bijbel wijst ons een andere weg. Zien - missen - vragen! Als je het werk van de Heilige Geest in het leven van anderen ziet schitteren en je mist het in je eigen leven, is er maar één weg. De weg van het gebed: ‘Heere, dat mis ik. Dat ontbreekt bij mij. Maar wilt U het werken door Uw Geest’.

3. De uitdrukking ‘liegen tegen de Heilige Geest’ heeft nog een derde betekenis. Het wil ook zeggen, dat Ananías en Saffira probeerden om de Heilige Geest ‘te verzoeken’ (vs. 9). Ze hebben gekeken, hoe ver ze konden gaan. Zouden ze de Heilige Geest, Die zo krachtig had gewerkt in de gemeente, kunnen bedriegen door maar een deel van het geld te geven? Zou de Heilige Geest dat dan misschien niet merken? Zou de Heilige Geest wel echt alle dingen weten en doorgronden? Wat een verschrikkelijke zonde. Leg uw eigen leven er eens naast. En jij het jouwe. Hoe vaak bent u niet bewust verdergegaan op het pad van de zonde? U wist het met uw verstand: God weet en ziet alle dingen. En toch ging je verder. Is dat ook niet: Gods Geest verzoeken?

En dan gebeurt dat ontzaglijke. Ananías en Saffira vallen allebei dood neer. Nee, nu krijgen ze geen tijd meer om zich te bekeren. Die tijd hadden ze ruimschoots gehad. Maar nu ze zich verharden in de zonde, is voor de Heere de maat vol. Aan het einde van de dag telt Jeruzalem twee graven meer. Een man en een vrouw, die elkaar ooit trouw beloofden, maar die elkaar voortsleepten naar het verderf, liggen daar naast elkaar. Hun gezamenlijk dienen van God was voor Gods aangezicht niet meer dan schone schijn. En uw en jouw dienen? Als de wederkomst niet eerder plaatsvindt, zal er een dag komen dat ook wij begraven worden. Waar zal onze ziel dan zijn? Laat deze ernstige bladzijde uit het boek van de Handelingen ons dringen tot de bede: ‘Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest’. Die Geest wil nog werken onder mannen en vrouwen, ook in de tijd ná Ananías en Saffira. Want Hand. 5:14 zegt: ‘En daar werden er meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en vrouwen’.

Damwoude

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 29 oktober 2013

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Zien - missen - …?

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 29 oktober 2013

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken