Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Hogepriester bij de kandelaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Hogepriester bij de kandelaar

Hij zal op den louteren kandelaar die lampen voor het aangezicht des HEEREN geduriglijk toerichten (Leviticus 24:4)

4 minuten leestijd

In gedachten zien we de hogepriester Aäron het heilige van de tabernakel binnengaan. Drie dingen draagt hij bij zich: een kruik met olie, een snuiter – dat is een kleine gouden tang – en een blusvat, een bakje met water. Wat gaat de hogepriester daarmee doen? Het antwoord vindt u in de tekst boven deze meditatie. Aäron moet de lampen van de gouden kandelaar ‘toerichten’, verzorgen.

De gouden kandelaar
Waarom stond die kandelaar eigenlijk in het heilige? Allereerst om licht te verspreiden. Op de zeven armen van de kandelaar bevonden zich zeven lampen: kleine gouden bakjes, waarin olie en een pit was. Voortdurend verspreidden die zeven lampen hun licht in het heilige.

Maar tegelijk had de kandelaar ook nog een andere functie. Hij stond ook in het heilige als een symbool van Gods Kerk op aarde (Openbaring 1:20). En zonder woorden predikte hij twee dingen. Allereerst wat het geheim is van Gods Kerk. Want kijkt u eens goed: de kandelaar is gemaakt van zuiver goud. Daarom wordt hij in onze tekst de ‘loutere kandelaar’ genoemd. Zuiver, louter goud – dat wijst op het zuivere werk van Gods vrije genade.

In de tweede plaats predikte de kandelaar wat de roeping is van Gods Kerk. Met welk doel heeft God in zichzelf verloren zondaren uit vrije genade uitverkoren? Met welk doel roept en trekt Hij hen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht? Met deze bedoeling, dat ze als lichten zouden schijnen te midden van een krom en verdraaid geslacht (Fil. 2:15).

Dat is toch, als het goed is, het gebed van een mens met genade. Maar daar rijst ook levensgroot de vraag op: Hoe zal ik – duisterling in mijzelf – ooit een sprankje licht kunnen geven tot eer van de Heere? Is dat ook uw vraag?

Aäron en Christus
In onze tekst geeft de Heere Zelf opdracht aan Aäron om de lampen van de kandelaar ‘geduriglijk toe te richten’. Dat betekent: Aäron moet er voortdurend, iedere morgen en iedere middag, voor zorgen. Ja, dat is nodig. Want wat, als de priester nu eens niet zou zorgen voor de kandelaar? Dan zou de pit op een bepaald moment gaan smeulen. Dan zou de lamp na verloop van tijd gaan walmen en stinken. En op zeker ogenblik zou de olie in de lampen opraken. De lampen zouden uitdoven!

Naar Wie wijst deze hogepriester bij de kandelaar heen? Openbaring 2:1 zegt, dat het Christus is, ‘Die in het midden van de gouden kandelaren wandelt’. Hij is de grote Hogepriester. Al in de stilte der eeuwigheid is Hij door Zijn Vader tot Middelaar aangesteld. En tot Zijn Hogepriesterlijke bediening behoort ook, dat Hij – in opdracht van Zijn Vader – de kandelaar van Zijn Kerk voortdurend trouw zal verzorgen.

Christus’ trouwe zorg
Wat heeft Christus een werk aan Zijn Kerk! Want vanuit zichzelf hebben Gods kinderen geen sprankje licht. Laat staan dat ze licht zouden geven. Alleen wanneer Christus de olie van Zijn Geest laat druppelen in hun hart, geeft hun lamp haar licht.

Maar als arme zondaren de olie van Gods Geest en Zijn genadelicht mogen ontvangen, hoe vaak is het dan niet zo, dat de pit gaat walmen. Dat ze iets worden met de olie en het licht dat de Heere gaf. Dat de hoogmoed oprijst. Weet u wat dan zo nodig is? Dat Christus komt met de gouden snuiter in Zijn hand. Dat Hij alles wat onrein is, gaat zuiveren en wegnemen. En dat Hij hun hoogmoed gaat doven in Zijn blusvat.

Anderzijds: wat kan het ook zo zijn, dat de pit te diep ligt. En gaat smeulen. Gods bestreden kinderen kunnen vaak zo moedeloos zijn. Door aanvechtingen van de vorst der duisternis. Door de kracht van de inwonende zonde. Dan is het niet minder nodig, dat Christus komt en met Zijn gouden snuiter de pit omhoog trekt. Dat Hij Zijn moedeloze kinderen toespreekt.

En nu zegt onze tekst, dat Christus dit zál doen. Onophoudelijk zal Hij zorg dragen dat Zijn Kandelaar blijft branden. Want God de Vader heeft Hem dat werk Zelf opgedragen. O, Gods kind kan, als hij ziet op alle rook en duisternis in zijn leven, zo vrezen dat zijn lamp nog eens zal worden uitgeblust. En dat verdiend.
Maar als de Heere het geloof in de beoefening geeft om te zien op deze dierbare Christus te midden van de kandelaren, dan klinkt het - vanaf de laagste plaats en vol verwondering: ‘Door U, o HEER’, geeft mijne lamp haar licht’! De Heere geve dat dát ons aller beleving en belijdenis mag zijn.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 4 november 2014

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De Hogepriester bij de kandelaar

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 4 november 2014

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken