Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De angst dat mensen verloren gaan… (Slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De angst dat mensen verloren gaan… (Slot)

4 minuten leestijd

De vorige keer eindigde ik met iets weer te geven uit een beroemde preek van Jonathan Edwards. Op 8 juli 1741 bediende hij het Woord van God in Enfield (New England). Het was een gebeurtenis vol gewicht en bewogenheid. Edwards preekte over een huiveringwekkend gebeuren: zondaren in de handen van een toornend God. Toch was het juist op deze scherpe en niets verhullende preek dat de Heere een rijke zegen gaf. Velen werden gebracht tot de overtuiging van zonde en verlorenheid. Binnen korte tijd leerden ze ook de heerlijkheid van het alles-reinigende bloed van Christus kennen. Er ging in die jaren een golf van opwekking door (met name) de Engelstalige wereld. Wel zo’n 50.000 mensen die eerst onverschillig en afkerig waren, traden toe tot de kerk. Bij velen van hen was er sprake van hart-veranderende genade. Het scherpe woord van de prediking, gebracht door dienaren als Edwards, Whitefield en de gebroeders Wesley, gaf rijke vrucht.

Ik schreef deze artikelen naar aanleiding van enkele uitspraken van broeders uit onze kerken. Ik hoop vanuit de Heilige Schrift te hebben aangetoond hoezeer het nodig is wel rekening te houden met de feitelijkheid dat mensen bezig zijn verloren te gaan. Wel ‘Israël’ te heten, maar geen ‘Israël’ te zijn [Rom. 9: 6]. Wel de naam te hebben “dat gij leeft, maar gij zijt dood” [Openb. 3: 1]. “Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht ervan verloochend hebben” [2 Tim. 3: 5]. Er is wel degelijk reden te vrezen dat er mensen uit onze gemeenten verloren gaan.
Over die gelaakte uitspraken zal ik het nu niet meer hebben. De vraag komt naar mijzelf toe – en misschien ook wel naar andere dienaren van het Woord die dit lezen – of ik in mijn prediking en pastoraat werkelijk worstel om te behouden die ten dode wankelen? Wordt mijn eigen bediening gekenmerkt door bewogenheid met verloren zondaren? Vertoon ik iets van het beeld van de grote Profeet die in Zijn hart innerlijk met ontferming was bewogen over de schare? Breng ik mijn gemeente – ouderen en jongeren – bij de genadetroon van de Heere, en gewis niet alleen in de gebeden in de eredienst? En breng ik de boodschap van Gods Woord bij het hart van de gemeente: in de scherpe prediking van Gods wet en in de heilzame verkondiging van het evangelie? Waarbij de spiegel ook voor mijn eigen hart en leven wordt geplaatst. Als zelfs de apostel Paulus het niet uitgesloten acht, “terwijl ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk” te zijn [1 Kor. 9: 27], zou dat op mij en anderen niet van toepassing kunnen zijn?

Hoe dan ook – de eeuwigheidsernst mag in onze bediening niet ontbreken. Zowel ikzelf als mijn hoorders moeten onder de prediking van Gods Woord overtuigd worden van Gods waarheid. “Voorwaar voorwaar, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.” Bij wie dat niet plaatsvindt, die zal van die waarheid overtuigd worden als het te laat is. Het is een bekend woord van Richard Baxter: “Ik preekte, nooit zeker, of ik ooit opnieuw zou preken, en als een stervende tot stervenden!”

De oudste generatie dienaren in onze kerken ontving in Apeldoorn haar opleiding in de predikkunde van wijlen prof. W. Kremer. In zijn inaugurele rede in januari 1954 sprak deze over ‘Geestelijke leiding in de prediking’. Als één van de vereisten van zulke prediking noemde hij dat de prediking afgestemd dient te zijn op de werkelijkheid in de gemeente. Hoe die werkelijkheid is, omschreef hij op evenwichtige wijze. De gemeente die de naam van Christus draagt, is verbondsgemeente. De leden zijn kinderen des Koninkrijks, ranken van de wijnstok. Toch, hoe positief dat ook is, deze relatie veronderstelt geen feitelijk en persoonlijk bezit van de heilsweldaden. Wedergeboorte en geloof zijn nodig om deel te ontvangen aan Christus en Zijn weldaden. Daarom moet, aldus Kremer, onderscheidend gepreekt worden. De prediker dient de hoorders op te zoeken waar deze zijn. En ze dient rekening te houden met de verloren staat van elk mensenkind. De kinderen van Abraham zijn tegelijkertijd kinderen van Adam. Ik citeer Kremer: “De gemeente moet in haar verscheidenheid met de levende God geconfronteerd worden en in Zijn oordeel betrokken. Het “wie u hoort, die hoort Mij!” dient te worden betracht in heilig beven. Kwaal en medicijn dient de prediking tot het hart van de gemeente te brengen. Dan is er maar één ding belangrijk: wat zegt de Heere en tot wie zegt Hij het? Het Woord des Heeren moet daartoe geadresseerd worden aan de gemeente in haar verscheidenheid. De ernst, waarin de Heere spreekt en het heil der zielen eisen dat.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 15 maart 2016

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De angst dat mensen verloren gaan… (Slot)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 15 maart 2016

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken