Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VERBETEREN OF VERBITTEREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VERBETEREN OF VERBITTEREN

36 minuten leestijd

Enige pedagogische beginselen

Allervvege vernemen we in deze tijd een oproep tot bezinning omtrent de identiteit van ons christelijk onderwijs. Hiermee hebben we geen moeite als de grondslag van de school maar niet ter discussie wordt gesteld om stelselmatig los te komen van de gereformeerde leer, die onze vaderen hebben beleden. Integendeel, het is noodzakelijk ons werk te funderen op de Heilige Schrift en wat onze vaderen dienovereenkomstig geleerd en beleden hebben. En dat niet op die manier, waarbij we de gevestigde praktijk proberen te wringen binnen de kaders van onze belijdenis, maar juist andersom. Vanuit en gebaseerd op onze belijdenis dienen onderwijs en opvoeding te worden bezien.

Opvoeden

Wat hebben wij te verstaan onder de term 'opvoeden'. Duidelijk is dat ons woord Voeden' in de eerste plaats duidt op het fysisch, het lichamelijk aspect van de mens. Een kind moet voedsel tot zich nemen wil het leven. Reeds vanaf diens geboorte is dit een natuurlijk verschijnsel.

In het begrip 'opvoeden' ligt volgens Bavinck de gedachte dat het kind door voeding omhoog gevoerd, naar boven geleid, opgeleid wordt. 1 ) Opvoeden behelst dus meer dan het lichamelijke. Opvoeden heeft daarom een zedelijk, geestelijk karakter. Bavinck verstaat onder opvoeden "die leiding en vorming, welke door den volwassene aan de onvolwassene, aan het kind, aan den knaap en het meisje, aan den jongeling en de jongedochter ten koste gelegd wordt, opdat zij straks kunnen optreden als mensen in de ware zin des woords". Opvoeden is daarom een uitermate praktische zaak, "een persoonlijke bewuste, opzettelijke, zedelijke werkzaamheid". 2 ) Juist de begrippen 'bewuste, opzettelijke' wijzen ons op de onmisbaarheid van een theoretisch fundament vooral ons praktisch handelen in de opvoeding.

Pedagogiek

Hierbij wordt de theorie niet door de praktijk bepaald, maar evenzo kan de theorie niet buiten de praktijk, daar de opvoedkunde, de pedagogiek anders al te bespiegelend van karakter wordt. Zo is de pedagogiek voor ons onmisbaar, w ant zij verschaft aan de opvoeder een helder "inzicht in de taak en het doel der opvoeding en leert ons middelen en wegen kennen, waarlangs het doel der opvoeding kan bereikt worden", volgens Bavinck. 3 )

De pedagogiek doet ons als wetenschap enerzijds het doel, de voorwaarden en normen der opvoeding kennen, anderzijds is zij als we over de toepassing gaan spreken, een kunst.

Waarbij geldt: "De degelijkste pedagogiek kan het gemis aan takt niet vergoeden en geeft evenmin aan den opvoeder het middel aan de hand om uit het kind te halen wat er niet in zit". 3 ) Het pedagogisch benaderen van kinderen is dan ook een theoretische kunde en een praktische kunst. We hopen deze beide zijden aan de orde te stellen.

In dit artikel willen we de christelijke opvoeding in verschillende aspecten bezien, nl. de norm, het doel. de reden, het uitgangspunt en de pijlers van de opvoeding. Ook het gebed in de opvoeding hopen we enige aandacht te geven.

De Norm

Alexander de Grote vertelde eens, dat hij aan zijn leermeester Aristoteles meer verplichtingen had, dan aan zijn vader. De laatste had hem slechts het wezen bezorgd, zijn leermeester het welwezen. Hoe allernoodzakelijkst is het daarom voor ons, die mede voor het welwezen van de ons toevertrouwde kinderen verantwoordelijk zijn. de opvoeding te bouwen op een hecht fundament.

De christelijke opvoeding is genormeerd. Zij heeft een Norm, een grondslag. De pedagogiek en het pedagogisch handelen zijn dus norm-gebonden.

Deze norm wordt niet gevonden in de maatschappij van vroeger of nu. Hedentendage wordt de moderne kritische pedagogiek bepaald door de gangbare opvattingen in de samenleving. De gangbare mening biedt de norm niet alleen voor wetenschappelijk denken, maar ook voor het praktisch bezig-zijn in de opvoedingssituatie.

In het zojuist verschenen werk "Belijden en opvoeden" toont Vogelaar aan in hoeverre we bij de huidige kritische pedagogiek van haar normatief karakter kunnen spreken 4 ). Bij deze pedagogiek kan de gestelde norm, de gangbare mening in de maatschappij, zelf voorwerp van kritiek zijn. De norm fluctueert met de massa-opinie mee.

Als er gesproken wordt van het normatieve karakter van de christelijke pedagogiek dan bedoelen we een Norm. verheven boven alle kritiek, verheven boven alle persoonlijke, wetenschappelijke denkbeelden, verheven boven de massa-opinie, verheven vanwege Zijn Goddelijke openbaring. Kortom, een van God geopenbaarde Norm.

"Wij belijden dat dit Woord Gods niet is gezonden noch voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben het gesproken, gelijk de heilige Petrus zegt", volgens artikel 3 van onze NGB. En in artikel 7 luidt het: "Wij geloven dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomenlijk vervat, en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want - en let hierop - overmits de gehele wijze van dienst, dien God van ons eist, aldaar in het lange beschreven is, zo is het den mensen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd anders te leren, dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriften". De Norm voor onze christelijke opvoeding is dus Gods Woord. "In het licht Gods zien wij het licht." Al wat buiten dit Woord is zal geen dageraad hebben. Opvoeding behoort niet tot de "neutrale zone", indien deze overigens mocht bestaan, want zij hangt ten nauwste met heel onze wereld-en levensbeschouwing samen. "Al naarmate wij denken over God en wereld, over leven en geschiedenis, over den oorsprong, het wezen en de bestemming van den mens, zal onze opvoeding en ook onze pedagogiek verschillen, " aldus Bavinck. 5 ) Hierbij behoort, zoals straks zal blijken, de leer der Kerk te worden toegevoegd.

Het doel

Overeenkomstig het normatieve karakter van de christelijke opvoeding bepaalt de Heilige Schrift het doel ervan. Bavinck en Waterink waren beiden pedagogen, die door de christelijke religie bepaalde opvoedingsdoelen formuleerden.

Dat de religie het opvoedingsdoel bepaalt, baseert Bavinck mede op het feit dat de opvoeding in het Oude Israël "een opvoeding was tot lid van het volk Gods en dus door en door religieus en theocratisch". 6 ) Zijn opvoedingsdoel luidt naar 2Tim. 3 : 17: Dat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust." 7 ) Wat bedoelt Bavinck hiermee te zeggen? Wel. de maatstaf en het doel van de opvoeding ligt niet in de mens. Want ware dit zo. dan "gaat daarbij óf het individu óf de gemeenschap ten gronde". 18 ) Op een andere plaats zegt hij het zo: Wie de mensch tot

"Selbstzweck" der opvoeding maakt, hetzij dan individueel of sociaal, pleegt geweld aan de menselijke natuur. Hij erkent ze niet voor wat zij is. Hij neemt ze niet, gelijk zij zichzelve geeft. Hij maakt ze tot Schepper, terwijl ze schepsel is. Wat religieus gesproken, afgoderij heet, is in wetenschappelijke zin onverstand." 8 )

De christelijke opvoeding dient een hoger doel. Wie de opvoeding seculariseert, verkracht het wezen van de mens. De mens is immers schepsel met een ingeschapen Godskennis. De opvoeding is niet alleen een zaak van werkelijkheid, maar ook van waarheid. Niet alleen van de menselijke natuur, maar ook van Goddelijke genade. Niet alleen het ideaal, maar ook de verwezenlijking ervan, nl. "menschen weer te vormen tot mcnschen Gods, die tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust zijn". "Want schoon is het, menschen op te voeden tot ware, echte volle menschen, wien niets menselijks vreemd is, en alle gaven en krachten in hen tot harmonische ontwikkeling te brengen; de mensch is meer dan deel van een geheel, hij heeft persoonlijke, zelfstandige waarde." 9 ) Dit ideaal is bereikbaar als er "menschen Gods gevormd worden, die Gode toebehoren, die Zijne kinderen zijn". Bavinck benadrukt telkens weer, dat de godsdienst behoort tot het wezen van de mens. Daarom acht hij het onverantwoordelijk als de opvoeding hiermee geen rekening houdt. De "menschen Gods" moeten toegerust worden tot alle goed werk, dat wil zeggen: "Die om Godswil den naaste liefhebben, die in hun beroep trouw arbeiden, omdat het een Goddelijk beroep is". 10 ) Hoewel bij Bavinck de opvoeding gericht is op persoonlijkheidsvorming staat die volgens hem tevens ten dienste van opvoeding voor de gemeenschap. Negatief beziet in dit verband Bavinck zowel het ascetisme als het piëtisme. Hoewel hij als positief aspect hierin ziet dat beide de mens terugriepen tot het "centrum der religie" keurt hij beide af. Ook de piëtist, waaronder we mijns inziens bij Bavinck de zgn. "bevindelijken" moeten verstaan, want ook deze rust volgens hem de mens niet toe "tot alle goed werk" in het midden der wereld.

Bavinck concludeert tenslotte: "En het ideaal eener Christelijke opvoeding, in huisgezin, in lagere, middelbare en hooge school blijft nu als toen: waarachtige godvrucht, organisch met degelijke kennis met echte beschaving verbonden. Zoo vormen wij menschen Gods; tot alle goed werk toegerust; tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust." 11 )

Resumerend constateren wij dat Bavincks visie op het wezen van de mens ons wel aanspreekt: de mens is schepsel Gods, en dat is

bepalend voor de opvoeding. Maar als Bavinck zijn opvoedingsdoel toelicht zien we een verwijdering optreden met de Gereformeerde beginselen. Ook al legt Bavinck het doel niet in de mens, toch wordt zijn doelomschrijving bepaald door de mens, en wel de religieuze mens met diens behoeften en cultuuropdracht. We constateren bij hem tevens een optimistische verbondsvisie, waardoor de bekering zelfs een vrucht der opvoeding genoemd wordt. 22 )

Ook Waterinks omschrijving van het doel der opvoeding duidt op een normering aan de Heilige Schrift. Zijn opvoedingsdoel luidt als volgt: "Opvoeden tot een zelfstandige, God naar Zijn Woord dienende persoonlijkheid". Evenals bij Bavinck treft ons het accent op de persoonlijkheidsvorming van het op te voeden kind. Vogelaar wijst erop dat dit opvoedingsdoel echter elementen in zich heeft, die "pedagogen van een andere levensbeschouwing zouden hebben kunnen aandragen, namelijk opvoeden tot zelfstandigheid of volwassenheid en opvoeden tot persoonlijkheid". 12 ) De eerlijkheid gebiedt te schrijven dat Waterinks omschrijving het v a n opvoedingsdoel er wel voor zorgt dat deze algemene elementen gebonden worden aan de Heilige Schrift, nl. een God naar Zijn Woord dienende persoonlijkheid. Daarom ligt bij Waterink de nadruk nog meer dan bij Bavinck op de mens en diens toekomst: zelfstandigheid, volwassenheid, persoonlijkheidsvorming zijn doelen op zichzelf geworden, weliswaar gebonden aan de Schrift. Samenvattend achten we het bij beiden een goede basis het doel der opvoeding te baseren op Gods Woord, maar daarbij W ej 0 0 g te hebben voor de opvoedeling. Negatief beoordelen we in beide pedagogen, bij Waterink nog meer dan bij Bavinck, dat de gedoopte mens vanuit een erg optimistisch (Kuyperiaans) standpUnt wordt bezien. Duidelijk blijkt dat de leer der Verbonden bepalend is voor de formulering van het doel der opvoeding.

De formulering van het doel der christelijke opvoeding zouden we daarom toch anders willen stellen. Ds. G.H. Kersten formuleert in zijn rede voor onderwijzers in 1937 het opvoedingsdoel als voigt: Het allervoornaamste doel is de verheerlijking Gods".i3) wij stemmen hiermee in. En waarom? Het kind is schepsel Gods. Het doel, wat God, de Schepper, met Zijn schepsel had was Zijn Eer, de verheerlijking van Zijn deugden. Daarom zegt Paulus in 1 Kor. 10 : 31: Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet. doet het al ter Ere Gods." Zou dan zo'n gewichtvolle zaak als de opvoeding der kinderen niet de verheerlijking van Gods aanbiddelijke Deugden tot doel moeten hebben?

In tegenstelling tot Bavinck en Waterink, die hun opvoedingsdoel min of meer richten op de mens, de godsdienstige mens, legt Kersten het doel der opvoeding in de eerste plaats in God Zelf, in een Enig en Drieënig God. Ook Florijn doet dat, als hij de Ere Gods tot doel der opvoeding stelt. 14 ) Let wel, dit opvoedingsdoel houdt zeer veel in. Want de verheerlijking van God is een verheerlijking van Zijn Deugden. Daarom zegt Ds. Kersten ook: "En Hij zal verheerlijkt worden ook dan als die opvoeding wezen zal een reuk des doods ten doode". Het doel der opvoeding wordt zo bereikt in het zaligen der uitverkorenen en in het verdoemen der verworpenen. Dit doel voert ons dus terug naar Gods soeverein raadsbesluit, nl. de dubbele predestinatie: de uitverkiezing en verwerping des zondaars.

Het doel der opvoeding wordt zo geplaatst in het kader van de kern van de gereformeerde leer. nl. de soevereiniteit Gods. Juist daarom houdt dit doel veel voor de praktijk in.

In de eerste plaats bezit de mens een verdorven natuur, waardoor het voor hem totaal onmogelijk is dit doel te verwezenlijken. De opvoeder is geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. Hoe zouden wij, die geleerd zijn kwaad te doen. in Gods heilige ogen voor wat de opvoeding betreft goed kunnen doen? Hoe zou de goddeloze mens Gods Eer ook maar enigszins kunnen bedoelen? Leerkrachten, beroepsmatig opvoeders, oefenen dan ook een beroep uit waarbij het naar de mens een totale onmogelijkheid is het doel van de opvoeding te verwezenlijken. Door ons opvoedend handelen staan wij schuldig voor God en roepen wij de toorn Gods uit over ons en onze kinderen. In de tweede plaats is de opvoeder wel

geheel verantwoordelijk zijn opvoeding te richten op dit doel. De Heere eist van de opvoeder volmaaktheid in zijn opvoedend handelen. De eerste verantwoordelijkheid van de mens begint echter in het Paradijs. Hij is van God afgevallen. Daarna is elk mens verantwoordelijk voor zijn gehele bestaan en mitsdien is hij absoluut verantwoordelijk voor de opvoeding der kinderen om hierin Gods Eer te beogen.

Op de schouders der opvoeders rust dus een absolute onmogelijkheid en een absolute verantwoordelijkheid in betrekking tot het gestelde doel.

De reden der opvoeding

Ds. G.H. Kersten geeft niet alleen het doel aan, maar ook - wat ik zou willen noemen - de reden der opvoeding, of de opdracht tot opvoeding. In Deuteronomium 6 : 6, 7 zegt de Heere: En deze woorden, die Ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn. En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat." Ook Psalm 78 leert ons dit duidelijk. Salomo zegt in Spreuken 20: Leert den jongen de eerste beginselen na den eis zijns wegs." Waarom? "Als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken." De Heere beveelt dus de christelijke opvoeding, het is Gods geopenbaarde wil dat kinderen naar Schrift en belijdenis worden opgevoed.

Het is ook niet zonder betekenis dat De Swaef deze opvoeding een godzalige opvoeding noemt. Hij zegt: "Het is een rond gebod Gods, dat de ouders hun kinderen godzalig moeten opvoeden. Wie dit niet doet, overtreedt een rond gebod Gods." I5 ) Nadat De Swaef stelt dat er in "het hele Bijbelboek nergens één enkele belofte te vinden is dan voor de godzaligen" dringt hij het bevel des Heeren tot een godzalige opvoeding nog wat aan op het hart van zijn lezers: "Behoordet gij dan niet met een bewogen hart over Uw kind, dat U als een kind des toorns hebt ontvangen, al het uiterste te doen om Uw kind godzalig op te voeden, opdat het geen kind des toorns meer mocht zijn, maar tot het zaad des Verbonds moge gerekend worden en een kind der belofte moge wezen? Zo ge dat niet doet. Uw kind door Uw onachtzaamheid verloren gaat, God wil zijn bloed van Uw hand eisen. (...) Daarentegen, wanneer U Uw kind godzalig opvoedt, gij Uw schuldige plicht doet, laat het dan gaan zo het wil, gij hebt Uw ziel bevrijdt." I6 )

Duidelijk blijkt uit dit citaat dat onwedergeboren kinderen, ook al zijn zij gedoopt, nog kinderen des toorns zijn. De godzalige opvoeding kan in 's Heeren hand middel zijn tot een worden van een zaad des verbonds en kind der belofte.

Ook ds. J.Fraanje doelt op het bevel des Heeren, als hij zegt: "De Heere zeide: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods". Ook hierin ligt de taak van de opvoeder besloten: De kinderkens behoren door de opvoeders tot Jezus gebracht te worden. Wij vermogen ze niet in Jezus te brengen, daar de wedergeboorte een soeverein werk Gods is. Onze verdorven natuur doet ze wel van Jezus brengen. Daarom zegt ds. Fraanje ook: "O, die heilige kunst te leren, om onze verdoemelijke kinderen niet naar de wereld, niet naar de zonde - van Jezus - en ook niet naar een jolig Christendom - in Jezus - te brengen, maar in de weg der middelen, naar Jezus." 17 )

Ouder en leerkracht liggen "onder dezelfde verplichting op te voeden naar het Woord des Heeren en den kinderen de eerste beginselen zijns wegs te leeren opdat zij, oud geworden, daarvan niet afwijken". "Zij heeft in de zuivere leer te voeden (...) doctrinair en practicaal." Tevens heeft de school "te bekwamen voor het maatschappelijk leven". 13 ) De middelen die de opvoeder hierbij ten dienste staan heeft hij, voorzover ze geoorloofd zijn, te gebruiken. In het uitwendig gebruik ervan en in het betrachten van Gods geboden hierin kan de Heere een uitwendige, tijdelijke zegen bieden. Is dit zo voor wat het maatschappelijk leven betreft, zo is het ook als de opvoeder in de weg der middelen het kind "naar Jezus leidt".

Echter, enig optimisme van de zijde der opvoeders omtrent hun activiteiten is van grond ontbloot, daar het gebruik maken van "de weg der middelen" niet duidt op een menselijke mogelijkheid Gods eis hiertoe te bevredigen. De Heere blijft immers volmaaktheid eisen in het uitvoeren van Zijn bevel. Het benadrukken van het feit dat de opvoeding staat in het kader van "de weg der middelen" doet de opvoeder niet onder de eis van Gods bevel uitkomen, maar stelt temeer diens absolute onmogelijkheid en verantwoordelijkheid in het licht.

De mogelijkheid der opvoeding

We hebben U het doel geschilderd als de Ere Gods en de reden als het bevel des Heeren. Ds. Kersten voert ons op naar de eeuwigheid. Is het de mens onmogelijk het bevel des Heeren te volbrengen, is het hem onmogelijk de Ere Gods te bedoelen, vanwege zijn diepe ellendestaat, toch is er een mogelijkheid tot Christelijke, godzalige opvoeding. Maar dat ligt niet in de mens. De mogelijkheid ligt, zoals ds. Kersten het noemt in Gods Eeuwig Welbehagen. Of anders gezegd: in Christus, die in de Eeuwige Vrederaad op zich heeft genomen voor de Zijnen Borg te worden.

Justus Vermeer gaat in zijn Verklaring van de Heidelbergse Catechismus in op de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, waardoor Hij zo'n gepaste Borg is, ook in het stuk der opvoeding. "Hij heeft de Vader lief gehad, volmaakt, Hem en Zijn deugden volmaaktelijk geëerbiedigd. Zijn Naam en Eer voorgestaan. Jezus zegt: Ik zal Uwen Naam Mijnen broederen vertellen, in het midden der gemeente zal Ik U prijzen. De ijver van Gods huis verteerde Hem." Daarom is de christelijke opvoeding mogelijk in Christus. 18 ) Zo zullen doden horen! "Alzoo worden door de christelijke opvoeding met name door Gods Woord, dooden geroepen en zij zullen naar het getal der uitverkorenen opstaan ten eeuwigen leven." De mogelijkheid van de christelijke opvoeding ligt niet in haar betekenis of kracht, "maar juist, omdat al wat van den mensch is geheel wegvalt in het werk Gods; omdat het den Heere behaagt diens arbeid alleen als instrument te gebruiken, daarom is Christelijke opvoeding mogelijk." Als ds. Kersten de mogelijkheid der opvoeding relateert aan het doel ontlokt hem dit de uitspraak: "Omdat Hij Zich erdoor verheerlijkt welke vrucht of wanvrucht zij ook draagt." 13 )

Als God een kind bekeert, kan de opvoeding hiertoe het middel zijn, maar dan zal het toch ondanks het werk van de opvoeder zijn. Want niet alleen onze persoon, maar ook ons werk maakt ons voor God verdoemelijk. In zijn Schatboek behandelt Ursinus de tegenwerping dat er voor de wedergeboorte goede werken gedaan kunnen worden. Hij antwoordt: "De werken der Wet zijn op zichzelf wel goed, maar worden door enig toeval kwaad, als ze door onbekeerden gedaan worden. Want zij kunnen ze niet doen op zulk een wijze en tot dat doel, waartoe God ze geboden heeft."Ook onze wil behoort erbij te komen om wèl te doen, "welke wil wij niet van onszelf hebben, maar van God. (...) Wij willen noch begeren van nature iets anders dan de zonde." Alleen de wedergeboren mens

krijgt "nieuwe krachten om te willen hetgeen Gode behaagt, en begint God ook in alles te gehoorzamen." 19 )

In de opvoeding door onbekeerden is er dus niets wat God kan behagen, integendeel ook in het stuk der opvoeding verwekken zij God tot toorn. De onwedergeboren opvoeder kan noch wil zijn kinderen op de rechte door God geëiste wijze opvoeden, maar hij blijft er wel verantwoordelijk voor. De wedergeboren opvoeder leert daarentegen zijn totale onmogelijkheid en verantwoordelijkheid zien, hij beleeft de nood.

Want daar is nood. Laat ons daarom niet de toevlucht nemen om hier te spreken van een spanningsveld. Er is sprake van een spanningsveld als de opvoeder in eigen krachten "de godzalige opvoeding" ter hand neemt. Er zou dan sprake zijn van een spanning tussen de totale onmogelijkheid en totale verantwoordelijkheid in de beleving van de opvoeder. En hoewel we niet ontkennen dat hiervan sprake kan zijn, brengt de Heere Zijn volk in de nood! Bij de christelijke opvoeding is niet het bestaan van een bepaalde spanning tussen twee zaken wezenlijk, maar wezenlijk is een door God gewerkte nood.

Het uitgangspunt

In de normatieve pedagogiek wordt gewoonlijk hierna het uitgangspunt der opvoeding behandeld. Hiermee wordt het kind bedoeld. Immers, "het is niet genoeg te weten, waartoe wij moeten opvoeden, wij dienen ook het kind te kennen, dat opgevoed moet worden." 20 ) Wat weten we van het kind? Als kenbronnen zijn hierbij de Heilige Schrift in de eerste plaats, en de hulpwetenschappen van de pedagogiek, zoals ontwikkelingspsychologie en didactiek in de tweede plaats te noemen.

Wat leert de belangrijkste kenbron, de Heilige Schrift, ons van het kind? In de eerste plaats wel, dat we het kind nooit in het afgetrokkene mogen bezien. Een kind is mens.

De mens is schepsel Gods, geschapen naar Diens Beeld en Gelijkenis, met lichaam en ziel en mitsdien redelijk en zedelijk van aard. De mens is geschapen in een heerlijke staat. Hij is echter niet staande gebleven, maar moed-en vrijwillig uit deze staat der rechtheid gevallen, de duivel toegevallen en daarom een drievoudige dood onderworpen. De mens heeft van zijn zijde het Verbond der Werken, wat God met hem had gemaakt, verbroken en is daarom nooit meer in staat door werken de zaligheid te verdienen. Evenwel

handhaaft God Zijn eisen van het Werkverbond wel. De /nens moet opbrengen wat hij niet meer kan.

Het kind is dus een van God afgevallen kind. Het is de tijdelijke, de geestelijke en de eeuwige dood onderworpen. Het kind ligt onder het oordeel der verdoemenis. Het gaat niet verloren, het ligt verloren. Zonder waarachtige wedergeboorte is er van het kind niets beters te vermelden. Onwillig en onmachtig tot het goede.

In de tweede plaats leert de Schrift dat Christus door voldoening verzoening heeft teweeg gebracht. Hij bevredigde Gods gerechtigheid. Hij droeg de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht voor Zijn uitverkoren volk. Deze uitverkorenen, waaronder kinderen, waren voorwerp van eeuwige soevereine verkiezing.

In de derde plaats hebben wij te maken met gedoopte kinderen. "Van de heidenen zijn ze onderscheiden, daarin dat zij door den doop de Christelijke kerk naar haar uiterlijke openbaring zijn ingelijfd en dat zij leven onder de beademing van Gods Woord."

Onze kinderen zijn bevoorrecht boven hen die van Gods Woord en het Verbond zijn vervreemd. "Maar deze bevoorrechting neemt niet weg dat ook zij door de zonde dood zijn en voor hen geldt dat ze wederomgeboren moeten worden." De doop geeft een kind dus niets. Het doet het kind niet één stap dichter bij de wedergeboorte komen. I3 ) Wel hebben de ouders zich door de Doop verbonden hun kinderen godzalig op te voeden 15 ) vanaf hun prille jeugd. Tevens leert de Doop ons dat God tot aan Christus' wederkomst in de geslachten de uitverkorenen toebrengt. Kortom, het geboren worden op de erve des Verbonds brengt het kind niet in het Verbond. Dat laatste is een Godsdaad. Christus, zo leerde Dr. C. Steenblok duidelijk, is voor hen die hun doodstaat in waarheid inleven, voor helwaardigen. 21 )

In verband met de opvoeding mogen we hier het Schriftwoord citeren, dat de verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God. De opvoeder heeft te letten op het bevel des Heeren en te bukken onder Gods soeverein Raadsbesluit.

Als tweede kenbron van het kind noemden wij de hulpwetenschappen van de pedagogiek. We noemen ze zo, omdat zij niet, zoals de pedagogiek normatief zijn voor het opvoedkundig handelen. Voor een goed verstaan: natuurlijk is de pedagogiek in relatie tot de theologie een hulpwetenschap. In relatie tot de andere wetenschappen zien we de pedagogiek als een genormeerde wetenschap, bijgestaan door hulpwetenschappen. De hulpwetenschappen

kunnen ons veel leren aangaande het kind met betrekking tot diens opvoeding, maar norm zijn ze hiervoor niet.

Dat dit te onderstrepen van groot belang is, leert ons de praktijk. In de basisschool dreigt toch de onderwijskunde een overheersende rol te gaan spelen. Deze onderwijskunde is op tweeërlei wijzen te bezien. Eerst als interdisciplinaire wetenschap, "waarin pedagogiek, psychologie, sociologie, didactiek, e.d. zich gezamenlijk richten op de school en het onderwijs (stelsel)" dan mogen we nog beducht zijn op de mogelijkheid dat de pedagogiek hierin geen centrale plaats inneemt. Het normatief karakter van de pedagogiek verdraagt toch niet dat zij gelijkgesteld wordt aan de meer empirisch gerichte vakgebieden. De hulpwetenschappen, zoals de onderwijskunde, vinden hun bestaansgrond in de mogelijkheid van empirisch onderzoek. De christelijke pedagogiek houdt daarentegen alles voor waarachtig wat Gods Woord ons leert.

Meestal komt de onderwijskunde echter tot ons in het kader van onderwijsvernieuwing, met een vaak kritische benadering en een emancipatorische doelstelling. Dit laatste staat erg ver van ons af.

Waar we voor beducht moeten zijn is dat ons onderwijs zich zozeer verzelfstandigd, dat de pedagogiek voor ons een van de vele wetenschappen wordt. Volgens mij ligt hier ook een wezenlijk gevaar een kloof te creëren tussen ouders en school.

Hoeveel de ontwikkelingspsychologie ons aangaande de verschillende ontwikkelingsstadia van het schoolgaande kind kan leren, normatief is zij dus niet. Ik wil dit verduidelijken met een voorbeeld. Een kind zou als kleuter niet geschikt zijn kennis te nemen van de val van de

mens, van de oorlogen des Heeren enz. Christelijke pedagogiek stelt de Schrift tot Norm en leert ons dat dit wel moet, weliswaar rekening houdend met de leeftijd van het kind. De didactiek leert ons dat het kind moet begrijpen wat het leert, de pedagogiek leert ons het nut van het uit het hoofd leren van psalmverzen en de Heidelbergse Catechismus, die het meestal niet geheel vat. Er kan dus sprake zijn van een discrepantie van wat de hulpwetenschappen ons leren, en wat de pedagogiek voor ogen heeft, waarbij de pedagogiek het laatste woord heeft, omdat zij een genormeerde wetenschap is, c.q. dient te zijn.

Bavinck duidt ons op een probleem, waarop de opvoeder stuit als hij zijn kennis aangaande het kind wil verrijken: "Wij moeten dus de levensuitingen van het kind verklaren naar analogie van onszelven. Maar hoeveel gevaar is er hier voor vergissing en misverstand." 20 ) Ook dit dringt ons temeer Gods Woord als dè kenbron te zien voor de kennis van het kind.

Het grote goed van de Reformatie is geweest dat niet alleen de volwassene, maar ook het kind de Bijbel leerde lezen. Bavinck noemt het een groot goed van de Reformatie dat zij tevens het godsdienstonderricht in vraag en antwoord heeft ingevoerd "en daarbij steeds erop aangedrongen heeft, dat de waarheid niet alleen van buiten geleerd, maar ook verklaard en verstaan moest worden." 22 )

Beide kenbronnen, de Bijbel en de daaraan ondergeschikte (hulp) wetenschappen zien het kind als een uniek wezen. "Ieder mens - zegt Bavinck - is een letter in het alphabet en is tevens een eigen woord." 23 ) Elk kind is een schepsel, met een eigen zedelijk, redelijk karakter. De opvoeding heeft een gewichtvolle taak de gewetens van de kinderen te binden aan Gods Woord, en zo niet, hij miskent het wezen van het kind en het gezag van Gods Woord.

De opvoedbaarheid

Want een kind is opvoedbaar. Opvoeding is noodzakelijk en ook mogelijk. De mensch heefter behoefte aan en is tevens vatbaar voor opvoeding, zegt Bavinck. 24 ) Het behoort bij zijn mens-zijn in zijn hulpeloze toestand hulp te ontvangen, opgevoed te worden. We stuiten hier op een principiële zaak: een totaal verdorven mensenkind is opvoedbaar. Een diep gevallen Adamskind zou te verbeteren zijn! Bavinck zet de opvoedbaarheid van het kind in het kader van de leer van de genade. Volgens hem weet de Gereformeerde hiervan

in tweeërlei zin: in de zin van de algemene genade en in de zin van de bijzondere genade.

De opvoedbaarheid van het kind plaatst hij in het kader van de algemene genade. Hij zegt: 'Ten eerste in den zin van eene algemene genade, die ons verklaart, hoe, in weerwil van het verderf der zonde, er nog zooveel natuurlijk en zedelijk goeds in den zondigen mensch is overgebleven." Deze algemene goedheid ziet Bavinck ook weer in tweeërlei zin werken, nl. van buiten en van binnen. "Van buiten beteugelt God de zonde door weldaden en zegeningen, door oordelen en gerichten, door wetten en gewoonten, door arbeid en beroep, door kunsten en wetenschappen, door maatschappij en staten. En van binnen breidelt God de ongerechtigheid des menschen, door in hem nog te onderhouden, verstand en rede, bewustzijn en geweten, natuurlijke liefde en waarheidsliefde, godsdienstige en zedelijke beseffen, gevoel van schaamte en eer. vrees voor schande en straf." God houdt hierdoor het menselijke geslacht in stand en voert Zijn Raad er door uit. 25 )

Uit Bavincks nadere uitwerking hiervan blijkt toch een groot optimisme over de te benutten mogelijkheden in het kader van die algemene genade. Vooral als we hierbij Bavincks visie op de betekenis van het Genadeverbond in de opvoeding verdisconteren. In zijn "De opvoeding van de rijpere jeugd" stelt hij immers nadrukkelijk: "De godsdienstig-zedelijke opvoeding gaat tot vér vóór de geboorte terug, heeft haar grondslag in de belofte Gods, dat het zaad der geloovigen tot zijn volk behoort, (...) Het kind van Christenouders komt dus niet arm. maar rijk in de wereld, want door den doop als zegel van Gods verbond staat het in beginsel in de rechte verhouding tot God en Zijne gemeente, en dus ook tot alle schepselen en tot heel de wereld; het moet alleen in die verhoudingen meer en meer ingroeien en zelfstandig positie nemen." 26 ) Ergens anders luidt het: "En zoo is nu in het algemeen bij de kinderen des Verbonds bekeering de vrucht van een in een weg eener godsdienstige zedelijke opvoeding tot ontwikkeling gekomen leven der wedergeboorte." 26 )

Onze Gereformeerde vaderen plaatsen daarentegen de algemene genade niet in het kader der Verlossing, zoals Bavinck doet, maar in het kader van Gods voorzienig bestel. De plaats van de leer der algemene genade en onze visie op de Leer der Verbonden is daarom van wezenlijk belang in de opvoeding der kinderen. Het is waar, de "kleine overblijfselen, die genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen" mag ons in het kader der algemene genade

doen spreken van een opvoedbaarheid van het kind. Het kind is te verbeteren! Duidelijk is hierin Koelman, en ook De Swaef besteedt uitgebreide aandacht aan het verbeteren van het redelijk-zedelijke in het kind. In het raam van een godzalige opvoeding pleit hij ervoor, dat de kinderen geleerd moet worden af te wennen van het kwade, hetwelk hun van nature is aangeboren. Dat niet alleen, ook reikt hij middelen aan het goede in te planten. Het leren van een goed beroep, zorg te dragen voor een goed huwelijk mogen we in dit verband zien.

De roeping die de opvoeder heeft in het kader van de opvoedbaarheid mogen we niet onderschatten. Echter, komt Bavinck tot een optimisme omtrent deze opvoedbaarheid tot "Menschen Gods", wij blijven het kind in de eerste plaats als gevallen schepsel zien en niet als een Verbondskind dat door de algemene genade tot grote dingen in staat is. De grote dingen, waartoe een mens in staat is, de opvoedbaarheid van het kind, het is geen menselijke verdienste; hij blijft geneigd God en Zijn naaste te haten. In Jesaja 26 : 10 staat in dit verband zo treffend: Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid." Ook de verbetering van het kind moet in dit licht worden gezien.

Justus Vermeer schrijft ergens: "Rust doch niet op die verbeetering, want zulks is maar uw plicht, als gij al gedaan hebt wat gij schuldig zijt. dan zijt gij noch maar een onnutte dienstknecht, en dan kunt gij nog in den hemel niet komen."

Het kind is dus opvoedbaar, het is onze plicht het kind voor God op te voeden. Maar de opvoedbaarheid kan ons niet tot optimistische gedachten brengen, daar de wortel in het bestaan van het kind vernieuwd moet worden. De christelijke opvoeding is daarom geen zaak van eigen kracht.

De opvoeder

De opvoeder heeft dus het bevel Gods te volgen, maar niet in eigen kracht. De christelijke opvoeder behoort het beeld van Christus te vertonen. De ware christelijke opvoeder is in de opvoeding de zalving van Christus deelachtig. De christelijke opvoeder draagt dus niet alleen die naam, hij is het ook wezenlijk. Hij heeft in de opvoeding de drie ambten van de ware christen te bekleden.

H ij is profeet, priester en koning. Zijn profetisch ambt wijst erop dat hij in leer en leven, in handel en wandel laat zien een christen te zijn, laat zien wat God van de mens eist. Thuis en op school, tijdens de

bijbelles en de tekenles. Zijn priesterlijk ambt doet de christelijke opvoeder een stervend leven leiden. Ds. Mallan zegt ergens: "Vruchtdragen doen we niet in een weg van genot. Hier moet geleerd worden: Groter zondaar worden en minder zonden doen." 28 ) Zijn koninklijk ambt doet hem strijden tegen de zonden en door Christus straks als overwinnaar triumpheren.

Ik verwijs U naar de geschriften van De Swaef en Koelman 29 ) om U duidelijk te doen worden wat deze ambten in de praktijk precies inhouden. Tevens is de bestudering van de Catechismusverklaring van het vijfde gebod van Justus Vermeer van grote betekenis om de taak van de opvoeder recht te verstaan. Want God toornt Zich schrikkelijk, dat wij de kinderen wel de weg wijzen, ja soms wel aanprijzen, zonder deze zelf te bewandelen. Te zeggen wat het is, en zelf niet te zijn!

De pijlers van de opvoeding 30 )

De opvoeding vindt plaats in een klimaat van gezag en tucht. Gezag en tucht, de pijlers van de opvoeding. Gezag veronderstelt dat er een "overwicht aan waardigheid in dezelven bevonden wordt", hetwelk de kinderen te eren hebben. 31 ) De opvoeder is met gezag bekleed.

omdat God hem dit geschonken heeft met het doel dat God door de handhaving ervan en onderwerping eraan God geprezen en geëerd wordt. Gezag beoogt het welzijn der kinderen en is daarom dienend van karakter. Gezag veronderstelt liefde tot het wezenlijk welzijn van de kinderen. Indien de opvoeder tekort schiet in het handhaven van het van God geschonken gezag, schiet hij tevens tekort in het doel waartoe hij het gezag ontving, nl. de kinderen gehoorzaamheid te leren.

Bij de uitoefening van het gezag bezigen wij de tucht. Tucht "is gericht op den wil van het kind, en bedoelt, dien wil door gewenning zo te vormen, dat hij langzamerhand vanzelf het kwade nalaat en het goede doet." Onder tucht verstaan we daarom niet alleen straffen. We staan er die vorming onder, die allerlei middelen in dienst neemt, zoals lof en beloning ter aanmoediging, en vermaning, waarschuwing, berisping, strafwerk, lichamelijke straffen, enz. ter weerhouding van het kwade. De H.C. leert ons ook dat kinderen de goede leer en straffe moeten onderwerpen met behoorlijke gehoorzaamheid. "Immers, " zo zegt Bavinck "de tucht is positief en dient om het kwade in het kind door straf te beteugelen en om het alzo op de goede weg te leiden en aan het doen van het goede te doen gewennen." 32 ) De tuchtoefening is dus nauw verbonden met de handhaving van het Goddelijk gezag. Waterink merkt op, dat de opvoeder niet gevoelsmatig moet toegeven, daar het kind dan de neiging heeft met het gezag te spelen. Zo verliest het kind eerbied voor het gezag. Elke gezagsdrager, die zijn gezag met te grote toegevendheid of met kille handhaving van eigen autoriteit - dus zonder liefde - handhaaft, zorgt ervoor dat het gezag niet innerlijk wordt geaccepteerd door het kind. Het kind moet naar het gezag kunnen vluchten, moet het gezag leren liefhebben. Alleen waar sprake is van ware christelijke opvoeding functioneert het gezag optimaal. Het juist uitoefenen van het gezag vereist een godzalige opvoeding.

Daar waar gezag functioneert erkent de gezagsdrager eigen gebreken en fouten, daar het toch niet om zijn persoon gaat.

Gezag en tucht zijn van de kant van de opvoeder bezien de pijlers der opvoeding. Van de zijde van de opvoedeling bezien zijn dit gehoorzaamheid en liefde. Het is opmerkelijk dat in de H.C. in Zondag 39 gesproken wordt dat de opvoedeling vader en moeder en allen die over hem gesteld zijn "alle eer, liefde en trouw bewijzen". De "eer" komt eerst, want door de gezagsdrager te eren, eren we op uitwendige wijze God, zo zegt Calvijn ergens. 33 ) Met die eer wordt

bedoeld "een bescheidenheid in woorden en eerbiedigheid in gebaarden". Dat is de uitwendige zijde van de eer. De inwendige zijde is "die hoogachting, die men voor hun heeft, wegens de heerlijkheid hun van God medegedeeld en bestaat hoofdzakelijk in de vrees van hen immermeer te beledigen." 31 ) Bij deze eer wordt de liefde gevoegd. De "liefde is de grond van alle eerbiedigheid, zal deze niet eerder een knechtelijke en slaafse, dan een kinderlijke eer zijn." Niet dat de eer na de liefde komt, maar de eer krijgt kracht door de liefde. Onder liefde verstaan we, dat we ons in de gezagsdragers vergenoegen, hen een hartelijke toegenegenheid toedragen en hen met al onze vermogens wensen te behagen. Dat hieraan de trouw is verbonden is duidelijk. Toch brengen deze drie facetten ons weer terug naar de hiervoor genoemde zaken van gehoorzaamheid en liefde. In 1 Petrus 5 : 5 luidt het: Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig." In dit opzicht komt de gehoorzaamheid voor de liefde.

Een middel om de tucht uit te oefenen is de straf. 34)

Het gebed in de opvoeding

Tenslotte nog iets over het gebed in de opvoeding. Er is waarschijnlijk niemand die zoveel ambtelijke gebeden doet, als de leerkracht. Juist in de opvoeding is het gebed van node, daar de mogelijkheid van de opvoeding niet in de mens ligt. Nu kan een onbekeerd mens niet Gode-welbehaaglijk bidden. En toch moet hij voor de hem toebetrouwde kinderen bidden. Hier betreden we weer het terrein van de absolute onmogelijkheid en verantwoordelijkheid. Alleen Gods kinderen kunnen bidden.

Toch blijft gelden wat De Swaef schrijft: "Wie de Heere niet smeekt, of Hij de opvoeding hunner kinderen wil zegenen, alsof hij het zelf wel in orde kan krijgen, alsof het al gelegen ware aan zijn planten en nat maken, behoeft zich niet te verwonderen, wanneer de Heere Zijn zegen inhoudt. (...) Wilt ge Uw kinderen christelijk opvoeden, dan moet ge staan naar Gods zegen, dan moet ge zelf godzalig leven, dan moet ge de Heere bidden en alle plichten, die ge hebt tegen God en Uw kinderen, biddend zoeken te vervullen." 41 )

In weerwil van wat meestal gebeurt, geloof ik dat in eerste plaats gewezen dient te worden op de noodzaak van waarachtig berouw en bekering voor dat er wordt opgeroepen te bidden voor onze kinderen. Dit berouw zal echter niet zonder gebed plaatsvinden.

Slotopmerking

Tenslotte een citaat van de al meer door mij geciteerde Justus Vermeer: "Weet, Ouders en ook overgestelden, dat het een verschrikkelijk gezicht zal zijn in den doorluchtigen dag der opstanding; uwe kinderen, en alle die onder u gestaan hebben, voor u en tegen u op te zien staan, met dat verwijt in uw aangezicht, ja in het licht van Gods aangezicht onder een hels tonggekauw en tandgekners. O, het is jouw schuld dat wij hier zijn. Gij hebt mij voorgegaan met vloeken; gij hebt mij niet gewaarschuwd dat dat en dat zonde was en dat de Heere over mij zou brengen, hetgeen ik nu gevoele. Gij hebt mij in de doop opgedragen aan God, en gij hebt het met God niet gemeend. Want gij hebt mij, inplaats van voor de Heere, voor de wereld en in de zondedienst opgevoed. Gij hebt mij afgehouden of niet voorgegaan onder de middelen der genade en der bekering. Gij hebt mij niet gehouden aan het leren, en daardoor heb ik de weg der zaligheid niet gevonden. Jezus is mij verborgen gebleven omdat ik niets kan. Gij hebt met mij God niet gebeden, dat ik ontvlieden mocht alle deze dingen en dat ik nu staan mocht voor de Zoon des Mensen en nu is Jezus mij een steen om mij te verpletteren. En vrienden, dit alles zal gedurig eindigen en dan weer beginnen. O, de grote God brenge het u op het hart en doe het u geloven tot zaligheid." 18 )

Lezing, gehouden d.d. 25 januari voor de jaarvergadering van de sectie KBO; in enigszins gewijzigde en verkorte vorm.


NOTEN:

1. Dr. H. Bavinck. Paedagogische beginselen, derde druk. 1928, pag. 12.

2. a.w. pag. 13.

3. a.w. pag. 15.

4. I). Vogelaar in 'Belijden en opvoeden, gedachten over de Christelijke school vanuit een Reformatorische visie' in 'De blijvende actualiteit van de calvinistische pedagogiek van Bavinck en Waterink', pag. 152 e.v.

5. Bavinck. a.w. pag. 16.

6. Bavinck. a.w. pag. 25.

7. Bavinck. a.w. pag. 28.

8. Bavinck. a.w. pag. 45 e.v.

9. Bavinck. a.w. pag. 48.

10. a.w. pag. 48.

!1. Bavinck. a.w. pag. 51.

12. Vogelaar, a.w. pag. 147.

13. Ds. Ci.H. Kersten in een lezing over de mogelijkheid van Christelijke opvoeding. Saambinder 13 jan. 1938 en ook afgedrukt in Criterium 13e jrg. no. 1.

14. B. Florijn, uit diens dictaat aan De Driestar.

15. Joh.de Svvaef, 'De geestelijke kwekerij', pag. 37.

16. a.w. pag. 39.

17. In 'Ter Gedachtenis" de 'Toespraak bij de opening der school" pag. 84e.v.

18. Mr. Justus Vermeer. "De I.eere der Waarheid die na de godzaligheid is. voorgestelt. bevestigt en toegepast in 85 oefeningen over den Heidelbergschen Catechismus", in zijn behandeling van Zondag 39.

19. Zacharias Ursinus in diens "Het Schatboek der verklaringen der H.C." pag. 84 e.v.

20. Bavinck, a.w. pag. 52.

21. Dr. C. Steenblok, De Bestaansgrond der Gemeenten.

22. Dr. H. Bavinck, in "De opvoeding der rijpere jeugd", pag. 30.

23. Bavinck, Paed. Beg.. pag. 89.

24. A.w. pag. 9-10.

25. a.w. pag. 87-90; zie hiervoor tevens de rede van Dr. C. Steenblok over "De Algemene Genade".

26. pag. 167.

27. "Maar waarom wordt gij een christen genaamd? " Heid. Cath. zondag 12.

28. Ds. F. Mallan in diens 'Troostboek voor een Christen" deel I. Zondag 12.

29. De Swaef, a.w. en Jacobus Koelman, diens "Plichten der ouders".

30. Zo genoemd in Vogelaar, a.w.

31. Petrus Curtenius in diens "Leerredenen over den Heidelbergschen Catechismus", Zondag 39.

32. Bavinck, Paed. Beg. pag. 159.

33. Joh. Calvijn in diens Institutie, deel 111. als hij handelt over de Overheid.

34. Dit gedeelte van de lezing zal D.V. nader uitgewerkt in Criterium verschijnen.

35. De Svvaef, a.w. pag. 119.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 april 1986

Criterium | 60 Pagina's

VERBETEREN OF VERBITTEREN

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 april 1986

Criterium | 60 Pagina's

PDF Bekijken