Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Normen en waarden in de dagelijkse praktijk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Normen en waarden in de dagelijkse praktijk

7 minuten leestijd

Normen en waarden in de dagelijkse praktijk van het onderwijs*

Een pleidooi voor schuld en schaamte

Inleiding
Willem Koops, inmiddels zo'n twintig jaar hoogleraar in de ontwikkelingspsychologie en momenteel verbonden aan de Universiteit van Utrecht, deed eens onderzoek naar het opvoedingsgedrag van ouders. In dat verband vroeg hij aan een vader van een vierjarig meisje hoe hij reageerde als zijn dochtertje iets deed, wat hij niet wilde. Deze vader zei: 'Eerst helemaal niks, dan probeer ik heel voorzichtig met haar te praten, want ik zou niet graag willen dat mijn kind last krijgt van schuldgevoelens.' 'Als', aldus prof. Koops, 'die vader meent wat hij zegt en hij heeft veel medestanders, dan betekent dat het einde van de westerse beschaving.
Met andere woorden heeft Bolkestein in 1998, als fractieleider van de VVD , feitelijk hetzelfde gezegd, toen hij stelde dat we af moeten van het onderhandelingsgezin, want 'Een fatsoenlijke maatschappij is niet gebaseerd op rechten, maar op plichten.
Ik hoop op de opmerkingen van Koops in de loop van mijn betoog nog wel terug te komen; waar het me nu omgaat, is het feit dat ik, als we ons vanmiddag gaan bezinnen op normen en waarden in de praktijk van het onderwijs, wil beginnen er met nadruk op te wijzen dat de grondslag van het waardenen normenpatroon niet gelegd wordt op school, maar in het gezin. Dat is ook de boodschap van Koops en Bolkenstein. Bovendien wordt die grondslag vooral in de jonge jaren van het kind gelegd. Wanneer het kind op school komt, kan de school op dat waardenen normenpatroon best nog wel invloed uitoefenen, een behoorlijke invloed zelfs. Maar de basis ligt er al. En op een verkeerd fundament is nog nooit een hecht gebouw verrezen.

De verloedering van de samenleving
Als het over normen en waarden gaat, zijn we het er snel over eens, dat de Nederlandse samenleving verloedert. Daar is overigens niet alleen het gezin, maar ook onze overheid debet aan. Terecht merkte de 78-jarige prof. Van Dantzig in het RD van december 1998 op: 'We leven nu in een toegevende samenleving, waarin de overheid nog wel regels stelt maar ze niet meer handhaaft. Als er iets ondermijnend is, is het dat wel. Op straat zie je geen politie meer. Tijdens mijn jeugd hoefden wij ons niet zoveel in ons hoofd te halen. Binnen vijf minuten had een rondfietsende agent je in je kraag gepakt en thuis afgeleverd. Het gaat om heel eenvoudige dingen: met twee woorden spreken, licht op je fiets hebben, wachten voor een rood verkeerslicht. Als je een norm stelt, moet je die ook handhaven.'3 Dat onze samenleving verloedert, is een constatering die inmiddels breed maatschappelijk gedragen wordt. Allerlei manifeste verschijnselen van die verloedering als gevoelens van onveiligheid en zinloos geweld doen velen concluderen dat het niet goed gaat in ons land.
Dit algemeen onbehagen over de verloederende samenleving had tot gevolg dat in de afgelopen jaren negentig de toenmalige minister van Onderwijs besloot om de pedagogische opdracht van de school een extra impuls te geven. Minister Ritzen stelde een landelijk platform in, dat een tweetal rapporten produceerde, waarin geadviseerd werd te investeren in de pedagogische opdracht van de school.
Op deze door de minister zo aangeprezen pedagogische opdracht van de school en de mogelijkheid daaraan in de praktijk gestalte te geven, wil ik nader ingaan. Er gaat namelijk naar mijn gevoel op dit moment iets wezenlijk fout in ons onderwijs. We zijn, ondanks allerlei edelmoedige pogingen om onze leerlingen weer normbesef bij te brengen, bezig wind te zaaien. U weet wat daarop volgt: het oogsten van storm. Om u dat duidelijk te maken moet ik een uitstapje maken naar de leertheorie. 

Het constructivisme
In ons onderwijs zijn we er tot nu toe, 20 eeuwen lang van geslacht tot geslacht, van uitgegaan dat kennis objectief en overdraagbaar is. De leerkracht werd gezien als de kennisoverdrager. In dit overdrachtsmodel, dit leerkrachtgestuurde onderwijs, speelde hij als docent een centrale en sturende rol. Hij reikte vanuit zijn pedagogische functie leerstof geselecteerd aan, al naar gelang de leeftijd van de leerling. Dit overdrachtsmodel stoelt op de gedachte dat er een nauwe samenhang bestaat tussen kennis en waarheid. Daarom is dit model ook niet los te zien van het christendom. Binnen het christelijk denken gaat men er immers vanuit dat de waarheid openbaringskarakter draagt: de waarheid hoeft niet meer vastgesteld te worden, maar is ons in Gods Woord geopenbaard. 
Het heden ten dage toonaangevend postmoderne denken kenmerkt zich door relativisme en pluralisme. De waarheid is relatief en er moet ruimte zijn voor acceptatie van andere meningen en opvattingen. Wie zegt dat we de waarheid hebben? Een ander kan toch ook gelijk hebben? De vraag van Pilatus is van toepassing: Wat is waarheid?
Aan dit postmoderne denken ligt (wat genoemd wordt) een constructivistisch mensbeeld ten grondslag. Kennis wordt gezien als een menselijke constructie, een persoonlijke interpretatie van ervaringen uitgaande van individuele denkkaders en overtuiging. Kennis berust niet primair op overeenstemming met de werkelijkheid, maar is afhankelijk van de wijze, waarop mensen de werkelijkheid betekenis geven. Daarbij wordt verondersteld dat kennisconstructie een sociaal proces is. Kennis is product van een gezamenlijk proces van onderhandelingen en betekenistoekenning.
Dit postmoderne denken is terug te vinden in de gedachte dat je welbeschouwd in het onderwijs helemaal geen kennis kunt overdragen. J e kunt slechts situaties creëren, waarin kinderen kennis kunnen opbouwen en nieuwe betekenissen kunnen construeren. Deze opvatting is voor het eerst zichtbaar geworden in de didactiek van het moderne rekenonderwijs. J e ziet in die moderne didactiek dat uitgegaan wordt van de aanname dat ieder kind zijn eigen subjectieve concept van de werkelijkheid heeft: elk kind ervaart de wereld waarin hij leeft op zijn eigen manier en hanteert daarin eigen oplossingsmanieren van problemen. Deze subjectieve concepten zijn het startpunt van het onderwijsleerproces dat daarna wordt opgebouwd. In tegenstelling tot het overdrachtsmodel bepalen de kinderen voor een groot deel het verloop van het leerproces: leerlinggestuurd onderwijs. Prof. Stevens zegt het zo: 'Het kind is de regisseur van zijn eigen leerproces.'
Kennis opbouwen, construeren is een interactief proces.6 De gedachte van de interactieve didactiek rukt sterk op in het basisonderwijs. In alle momenteel verschijnende stukken van het Expertise Centrum Taal wordt het belang van dat interactief onderwijzen sterk benadrukt. Op grond daarvan verwacht ik dat binnen enkele jaren naast de rekenmethoden ook de taalmethoden sterk beheerst zullen worden door het interactief didactisch concept. In het voortgezet onderwijs dringt uiteraard ook het constructivistisch mensbeeld meer en meer door. Ik volsta om des tijdswille met het alleen noemen van het begrip 'studiehuis'.

Terug naar het overdrachtsmodel
In dit postmoderne denkklimaat kan op school wel overdracht van waarden en normen plaatsvinden, echter niet op de wijze zoals dat eeuwenlang in het klassieke overdrachtsmodel plaats vond.
In de school van nu zal elke leerling in interactie met zijn omgeving zijn eigen subjectief normbesef opbouwen, construeren. Feitelijk betekent dit niet meer en niet minder dan dat de leerling zelf uitmaakt wat waarheid is. Maar was dat nu juist niet de grondoorzaak van de verloedering van de samenleving. 'Het individu bepaalt zijn eigen waardenen normenpatroon. Zodra dat in een groep gelijkgezinden wordt herkend, kunnen de stoppen doorslaan.', analyseerde de commentator van het RD, schrijvend over het verschijnsel 'zinloos geweld'.
Zolang de leerling de regisseur blijft van zijn eigen leerproces, zal ondanks alle pogingen, de verloedering van de samenleving niet gekeerd kunnen worden. Daarvoor moeten we terug naar het -in wezen bijbelseoverdrachtsmodel.
Dat is echter niet genoeg. Ook met de terugkeer naar het klassieke overdrachtsmodel alleen wordt, menselijkerwijs, de verloedering van de samenleving niet gekeerd. Daar is meer nodig. Op dat meer heeft de al eerder aangehaalde prof. Koops gewezen. 'Schuld en schaamte zijn pyschische mechanismen die essentieel zijn voor het aanleren van waarden en normen bij een kind. Het ontbreken van schuld en schaamte vergroot het risico op antisociaal gedrag', aldus Koops.
Ik geloof dat Koops gelijk heeft. Alleen zou ik het anders willen zeggen. Het aanleren van normen en waarden kan alleen plaatsvinden als er een appèl op het geweten van het kind wordt gedaan.
Mag ik het ter afronding zo samenvatten: terug naar het overdrachtsmodel, terug naar de gewetensopvoeding. Alleen dan kan het, onder de zegen des Heeren, ons land wel gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001

Criterium | 64 Pagina's

Normen en waarden in de dagelijkse praktijk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001

Criterium | 64 Pagina's

PDF Bekijken