Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Interview met ds. A. Kort

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Interview met ds. A. Kort

42 minuten leestijd

We werden door ds. Kort en zijn vrouw gastvrij ontvangen in de pastorie van de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland te Rijssen. Het was de enige avond dat hij niet uit preken hoefde te gaan en die hij anders in zijn gezin doorbrengt. Toch was ds. Kort bereid onze vragen te beantwoorden.

Wilt u iets over uw levensloop (met name uw jeugd) vertellen en hoe u tot het predikambt gekomen bent?

Ik ben opgegroeid bij ouders die christelijk waren. Ik heb daar ook wel van Gods volk ontmoet. In mijn jeugd had ik ook wel indrukken van dood en eeuwigheid. Ik las bijvoorbeeld een boekje waarin veel mensen werden gedood en kreeg een gezicht op de dood. Ik riep tegen mijn moeder: ik moet sterven. Ze begreep het niet en ging met mij naar de dokter. De benauwdheid ging weg en ik werd toen bikkelhard. Ik kreeg vrienden die heel anders leefden dan bij ons thuis. Ze gingen niet naar de kerk, als ik zondags wel ging. Er kwam bij mij een grote afkeer tegen de godsdienst. Toen ik 19 jaar was, heb ik me in de wereld gestort om mij uit te leven. Ik ben van huis weggelopen om nooit meer terug te keren. Toch raakte ik nooit de indrukken van dood en eeuwigheid kwijt. Ik wist dat ik bekering nodig had. Maar ik probeerde dit weg te werken. Toch heb ik altijd wel dingen meegemaakt waarvan ik voelde en moest zeggen dat de Heere mij heeft behoed en voor erger heeft teruggehouden. Ik werd op 23-jarige leeftijd manager van een amateur-rockgroep en zat in het uitgaansleven. In die tijd kwam ik in een garage van een vriend die wat aan het verbouwen was om auto's te spuiten en uit te deuken. Ik zou wel even een plafond erin leggen.

Maar daar opeens werd ik in één klap neergeveld. Wat het was? Er kwam een majesteitelijke kracht van God en die sloeg mij totaal ondersteboven, zodat ik de schuur ben uitgevlucht. Ik wist niet dat God het deed. Het was als bij Paulus, maar niet dat de Heere Jezus tot mij sprak. Ze probeerden me tot rust te brengen en een kopje koffie te laten drinken, maar ik kon het kopje niet in de hand houden. Ik ben vanaf dat ogenblik ongelukkig geworden. Dat heeft een half jaar geduurd zonder dat ik ooit in de kerk kwam. Maar je kunt niet zeggen dat het een droefheid naar God was, want ik zocht het nog in de wereld. Ik probeerde erover heen te leven. Eerder bezocht ik popconcerten en kwam ik in Hedon te Zwolle en Paradiso in Amsterdam en andere discotheken, zoals de Melkweg. Het was eigenlijk het laagste wat je maar kon bedenken. Voor een tijdje werd ik zelfs betrokken bij drugs en handel daarin. Tot het diepst toe heb ik mij in het vrijbuitersleven gestort. Het zou mijn dood geweest zijn, als God het niet verhoed had. Ik probeerde me nu te verbeteren en dacht soms: 'Komt het door gemis van een meisje?' Ik probeerde mijn leven te fatsoeneren, maar niets was er wat mij blij kon maken. Ik werd al treuriger. De lust tot vermaak ging heen. De wereld kon mij niet meer bekoren. Ik ging naar wat nettere cafés, ik zocht naar een meisje, ik zocht naar geluk, maar het was nergens meer in te vinden.

Daarna werd ik door middel van een vriend voetbaltrainer van de junioren en pupillen. Ik probeerde mijn gemoed op zo'n manier tot rust te brengen. Het ging met mij steeds meer bergafwaarts. Ik wou op den duur ook dat trainen niet meer doen. Ik was aan de rand van de wanhoop en zou erin verslonden zijn, als de Heere niet overgekomen was. 's Zondags ging ik naar PEC Zwolle. Ik zat op de tribune en er werd een doelpunt gemaakt. Ik zag de mensen juichen en elkaar in de armen vallen, de supporters stonden om mij heen, maar ik bleef er als een droevig hoopje ellende bij zitten. Het was alsof de voetbalmat openging en ik met al die mensen als Korach, Dathan en Abiram levend ter helle zou varen, zo in de afgrond zou zinken. Toen kwam er zo'n grote 185 JAARGANG 30 NR 4 nood in mij dat ik wel wilde vluchten. Maar ik zat tussen die mensen in en kon niet wegkomen. Er kwam mij wel in gedachten dat ik vroeger met mijn vader naar de kerk ging. Als ik ooit gelukkig zou worden, zou ik weer naar de kerk moeten gaan. Het was toen grote nood in mijn ziel. Nu bespreek ik het wel, maar toen voelde ik het. Ik ben in het telefoonboek van Zwolle gaan kijken. Ik wou graag naar de kerk, dan zou ik nog gelukkig kunnen worden. Maar ze waren gesloten. Zo is het maandag geworden en ik liep wenend van verdriet, van pijn en ellendigheid die ik niet kan omschrijven, over de aarde. Zo ben ik bij een basgitarist die woonde aan de Oosterlaan terechtgekomen en daar ben ik gaan zoeken in het telefoonboek. Ik herinnerde me ineens dat ik van huis uit van de Hervormde Kerk was, dus ik zocht daar. Daarin stond een lijst van dominees. Een dominee die aan de Westerlaan woonde en het dichtst bij mij was, heb ik opgezocht. Hij stond klaar om naar catechisatie te gaan. De aanblik van mij ontstelde hem; hij zag wel dat er grote nood was. Hij verontschuldigde zich en gaf mij een Bijbeltje. Daar ben ik in gaan lezen. Zo duurde het tot donderdag en toen ben ik weer naar een dominee van wie ik het adres opnieuw uit het telefoonboek haalde, gegaan. Dat was ds. Geluk. Ik heb daar mijn hart uitgestort en mijn ellende verteld. Ook dat ik geloofde dat ik weer naar de kerk moest gaan. Hij nam mij de eerstvolgende zondag mee in de auto naar de kerk. Onderwijl had ik vreselijke aanvallen van de duivel, die mij probeerde te weerhouden naar de kerk te gaan. De gedachte was: sla die man toch in elkaar. De duivel wilde niet dat ik onder het Woord kwam. We kwamen in een klein plaatsje en daar zag ik de mensen naar de kerk lopen. Ik dacht: daar ben ik te slecht voor om hier naar toe te gaan. De koster bewoog me echter om toch naar binnen te gaan.

Ik ging op de galerij zitten. Van de preek begreep ik helemaal niets. Maar vanaf die tijd heb ik de kerkgang nooit meer verzuimd. Ik las toen veel in de Bijbel, vooral in de Psalmen, waarin ik in mijn nood begrepen was. Ik heb kennis gekregen aan God in die zin dat Hij mijn Rechter was. De heilige Wet is voor ogen gesteld en mijn zonden geopenbaard, die de Heere zou moeten straffen. Toen is er gedurende een half jaar een grote droefheid in mijn ziel gekomen. Ik was God kwijt en wist niet hoe ik ooit nog bekeerd zou moeten worden. Er is een ontdekking van mijn schuld die ik tegen God gemaakt had, vanwege de overtreding van Zijn Wet, gekomen. De zonden werden mij ordentelijk voor ogen gesteld en ik moest van seconde tot seconde dood en eeuwigheid beleven. Ik had van mijn jeugd af aan mij niet anders betoond dan één brok ongerechtigheid. De Heere zou mij dus moeten straffen en vergelding doen naar mijn werken. In die nood heb ik eens geschreeuwd: Heere, help mij. Ik schrok er zelf van dat ik dat gezegd had. Ik was zo onwetend. Het drong tot mij door dat het een gebed was geweest. Eigenlijk is het, als ik er aan denk, het nog steeds zo: Heere, help mij. Dat is nog niet veel anders geworden. Ik leerde dat ik niet kon bidden. Ik begreep dat als ik bekeerd wilde worden, ik zou moeten bidden. Ik nam mijn psalmboekje, met de boetpsalmen maar op mijn knieën en las ze hardop. Ik zei: 'Heere, houd u dit voor mijn gebed, leer mij toch bidden.'

In die tijd moest ik een klusje doen, een huis met wel drie verdiepingen moest ik verbouwen. De muren kunnen ervan getuigen, van mijn zielennood. Mijn gedachten waren al maar bezet met dood en eeuwigheid. Ik deed mijn werk werktuiglijk. Ik bad op de trap. Maar de man voor wie ik het werk moest doen, had het wel bemerkt. Ik dacht: Hij zal mij wel wegsturen, maar dat gebeurde niet. In die tijd liep ik in zware consciëntieovertuigingen. Ik las in de Bijbel en geloofde dat ik voorin de Bijbel beginnen moest, bij de zondeval, de (ceremoniële) wetgeving. Ik begreep er maar weinig van. De offerdienst wees op het bloed van Christus, maar ik verstond het niet. Het was voor mij verborgen. Wat ik verder las van de oordeelsaanzeggingen van de profeten was wel allemaal tegen mij. Ik las mijn eigen oordeel, de toorn en grimmigheid van God brandden in mijn ziel en rustten op mijn leven. Ik had wel eens verlichting in de Evangeliën dat er nog een mogelijkheid was, dat er voor de zondaren nog vergeving was, maar toen ik in de gedeelten las over de onvergeeflijke zonde, was dat voor mij. Er was dus voor mij geen vergeving meer. Ik had die zonde gedaan, want ik had alle mogelijke zonden gedaan. En als ik die voorheen nog niet gedaan had, had ik het op dat moment wel gedaan, want het was net of de vloeken in mij oprezen. Toen heb ik voor het eerst een Drie-enig God beleden, want ik probeerde die vloeken en lasteringen tegen te gaan door te belijden dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest de waarachtige God is. God, Die ik niet kende, beleed ik. Toen heb ik een week meegemaakt dat ik bijna niet at, dronk of sliep. Voor mij kon er geen vergeving wezen. Ik durfde niet meer thuis te slapen en ging ergens anders naar toe. Zondags ben ik naar de kerk gegaan. Daar preekte de dominee erover en ging het verklaren wat het zeggen wil de onvergeeflijke zonde gedaan te hebben. Dat was voor mij een bevrijding uit een strik. Zo'n persoon vreesde immers niet dat hij die zonde gedaan had, kwam in een totale verharding terecht en had geen berouw. Het werd voor mij opgeklaard, ik had die zonde niet gedaan. Toen braken de banden en ik ben gaan wenen. Ik kon mij niet meer bedwingen. Een ouderling nam mij mee, iedereen was stil. Ik kon niet zeggen wat er was. De man deed een gebed en onder dat gebed ben ik afgetobd als ik was, in slaap gevallen. Die last was van mij afgevallen, maar de schuld der zonde bleef. Dat is niet overgegaan.

Ik ben doorgegaan met lezen en ik geloofde, dat als ik in Openbaring kwam, dan had de Heere mij alle zonden bekend gemaakt en Zich van mij vrij gemaakt. Als ik de Bijbel uit had, zou voor mij het einde zijn. Met vrees ben ik verder gaan lezen. Ik kwam in Openbaring en las daar van de toorn Gods, van de fiolen die uitgestort werden. Ik heb mijn matras van het bed gehaald en in de kamer voor het raam gelegd en zo heb ik de laatste veertien dagen doorgebracht. Als ik de Bijbel uit had, zou ik in de hel wezen. Het vlees werd eronder verteerd. Ik vertel dit niet om een sterke indruk te maken, maar zo is het wel geweest. Er is niet één zonde die ik niet heb hoeven te bewenen. Dat is toen gebeurd. De smart over hetgeen ik verloren had in God was groot en wat voor mij geopend was, deed mij ontzetten. Ja, een mens wil wel uit de hel blijven, dat wil ik wel bekennen. Dan zeg je niet: Gooi mij daar maar in. Maar dat ben ik wel waardig geworden. Toen die veertien dagen om waren, was er geen deel meer van mijn lichaam dat niet vreesde voor de gerechtigheid Gods, die God met majesteit in mijn ziel toonde, waarin dat blinkende zwaard uitgetrokken was om mijn leven af te snijden. Het was zeer bang. En op het laatst heb ik zo eerbiedig mogelijk mijn knieën gebogen. Daar heb ik iets gezien van mijn heiwaardigheid dat ik het waard was om de eeuwige straf te ontvangen en daar heb ik iets beoefend van een vallen onder Gods heilig recht. Ik kreeg liefde voor het recht boven mijn eigen zaligheid. Het was alsof de afgrond zich opende en het geschreeuw van de verdoemden mij tegenkwam, omdat de toorn Gods tegen mij ontstoken was en dat er geen weg, geen mogelijkheid meer was om dat lot te ontgaan. En toen heb ik ook moeten en mogen bekennen dat er geen andere weg meer was dan die naar de eeuwige rampzaligheid. De Heere handelde naar recht. Ik was een groot beest, herinner ik mij nog, waard om voor eeuwig verdoemd te worden. Dit gebeurde in omstandigheden waarin het mij leek alsof ik wegzonk in die eeuwige nacht, in de buitenste duisternis. Toen ben ik van het ene op het andere moment in de armen Zijner liefde gevallen. Met woorden kan ik het niet zeggen. Wat ik toen heb gezien, is de Persoon van de Middelaar, Die tussenbeide kwam. Ik zag de Heere Jezus Christus in Zijn vernedering, lijden en sterven. Het was een verschil als tussen licht en duister, dood en leven. Het is niet in woorden uit te drukken wat dat was. Toen ben ik twee of drie weken in de liefde weggezonken. Ik heb het Woord van God als van een man die tot zijn vriend spreekt in mijn ziel gekregen. Toen ging de Heere mij onderwijzen in de levende woorden, waaruit de kracht van het zoenlijden voor mij werd opgeklaard. De schuld viel weg. Ja, ik heb er wel veel strijd over gehad, maar ze is in deze zin nooit teruggekomen. Wel de liefdeschuld. Maar ik kan eerlijk zeggen dat bij het kruis van Christus mijn pak van schuld en mijn zonden wegvielen in een zee van eeuwige vergetelheid.

De Heere ging mij in mijn gedachten terugleiden naar wat er in het Woord lag opgesloten. Met het Woord was ik eigenlijk niet goed bekend, ik had geen omgang met het volk, er was niemand bij geweest. Van bevindelijke gangen hoorde ik niets, ik kerkte in de Hervormde kerk. Toen dit gebeurde, was ik 23 jaar. Ik ging van mijn kamertje niet af, ik durfde niet onder de mensen te komen, omdat ik bang was dat ik deze omgang met de Heere zou verliezen. Er was geen scheiding tussen hemel en aarde. Ik dacht eerst te sterven onder de toorn Gods en daarna onder de liefde Gods. Dat zou maar een overstapje zijn geweest voor me. De Heere ging me terugleiden naar Adam. Ik heb geleerd wie Adam was in zijn diepe val, maar ook in de staat der rechtheid, hoe hij geschapen was naar Zijn beeld, in kennis, gerechtigheid en heiligheid. En toen ging Hij terug naar de eeuwigheid, waar Hij mij met eeuwige liefde had lief gehad. Ik werd als verslonden door de liefde, zodat voor mijn gevoel de tijd eigenlijk ophield. Er was zóveel van dat ik niet eens kon zeggen hoe lang het precies geduurd heeft. Ik heb daar het Aangezicht van God gezien in Zijn liefde, welke mijn ziel geheel vervulde. Daar kreeg ik uit de Persoonsverklaring van de zoenlijdende Middelaar onderwijs en leerde ook wie Adam in zijn diepe val was en wie Christus was als schuld-overnemende Borg. Ik was Adam en Jezus mijn Heere. Hij kende mij van eeuwigheid tot roem van Zijn eeuwig welbehagen. Ja, toen werd ik eruit bediend, het werd uitgestort in mijn hart. Dat wilde ik zeggen over mijn omzetting.

Ik dacht dat het nu wel anders zou gaan, maar daar is wel wat op gevolgd. Ik had wel getuigenis gegeven, maar het wonderlijke was dat de mensen daar mij niet begrepen. Wat later ook in het kerkelijk leven voor mij schuld en zonde was, dat bleek daar helemaal niet zo te zijn. Ik was dus wel vreemd onder de mensen. Ik woonde toen in Zwolle.

Wat je in je jeugd meegemaakt had aan indrukken en ontmoetingen met het volk van God, dat kwam weer terug. De ontdekking van schuld leek voor die mensen in Zwolle helemaal niet van belang te zijn. Ik wist van het kerkelijk leven helemaal niets. Ik zag ze als bomen wandelen, dus ik verwonderde mij erover. Ik vroeg aan de Heere: Hoe komt dat nu? De Heere liet me zien dat er ook een ander volk was. Ik heb gevraagd of ik dat volk toch weer mocht ontmoeten. Dat is in Genemuiden gebeurd. Later was er een meisje dat stilgezet is onder de Bijbellezing, dat was in Garderen en dat vroeg later aan mij: Kunt u vertellen waar dat volk Gods is? Ik heb toen verteld hoe de Heere ze op mijn weg geplaatst had. Dat is in Genemuiden geweest. Ik ben daar ook aan het werk geraakt. In Zwolle had ik kennis gekregen aan een meisje. Ik had haar al wel eerder ontmoet, in wereldse omgeving. Ik zag haar terug op een jeugdweekend. Ze was in Hervormd-Gereformeerde bondskringen opgegroeid, in Hasselt. Ik had haar daar niet verwacht. Maar ik ben dan later met haar getrouwd en wij kwamen in Genemuiden te wonen. Voor die tijd werkte ik er al. Er kwam eens een man naar me toe, toen ik op het punt stond van mijn werk naar huis te gaan. Hij vroeg een beetje zand en talmde wat. We kregen een gesprek, waarbij we 'elkaar in het hart vielen'. En ja, dat is later een goede vriend en mede-ambtsbroeder van me geworden. Zo kwam ik al meer onder het volk.

Roeping tot het predikambt

Ik heb belijdenis gedaan in Hasselt. Ik ging in die tijd met grote ernst door het leven. Dat merkte die predikant ook op en die heeft me aangespoord om predikant te worden. Voor mezelf was ik niets, hoor. Ik liep met veel zielenvragen. Ik begreep niet wat hij erin opmerkte, want iedereen zou predikant kunnen worden behalve ik. Maar ik durfde niet te weigeren, want in die tijd dacht ik dat alle dienstknechten kinderen van God waren. Onderscheid tussen licht en zwaar kende ik niet. Ik had echter altijd een sterke indruk van mijn jeugd, hoe die verzondigd was. Ds. Mouw bijvoorbeeld was altijd bekend als een ernstig iemand, ook in zijn jeugd. Maar ik niet, ik zou nooit predikant kunnen worden. Ik had het zo verzondigd. Ik moest nu Latijn en Grieks gaan leren. Maar ik kon de woorden niet onthouden, ik kende nog niet eens Nederlands. Dus ik was net als iemand die de bus gemist had en hem steeds verder weg zag rijden. Ik ben dan ook gestopt. Toen ik ermee ophield, gebeurde het pas: er begon een vuur te branden dat ik nooit heb kunnen blussen. Ik wist niet wat het was. Ik heb wel in die tijd sterk gelopen met die woorden: Gij zijt een koninklijk priesterdom, een verkregen volk om te verkondigen de deugden Desgenen Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Ik heb dat wel met sterke indruk gelezen en ook met kracht op mijn ziel gehad, maar nooit begrepen wat dat inhield. Toen ik de liefde Gods in mijn ziel voelde, heb ik ook wel iets van de blijdschap gekend. Dan hoef je niet aangespoord te worden om het aan anderen mee te delen. Toen dat gebeurd was, kwam alles onder beslag te liggen, ook op mijn werk, ook in Genemuiden. Ik wist niet zo veel, maar ik wist wat God aan mijn ziel gedaan had.

Ik hoor wel eens: dan wil iedereen wel dominee worden. Maar ik heb het nooit kunnen worden, want ik had zo'n verzondigd leven.

Later is er duidelijkheid gekomen. Dat heeft nog vijf jaar geduurd. Maar in ieder geval, er brandde een vuur in mijn hart. En toen werd ik in Genemuiden tot ouderling gekozen. Ik werd met gejuich in de Hervormde Kerk ingehaald. Ze kenden mij van vroeger, dus het was voor iedereen groot, die omzetting. Ze hebben Hosanna geroepen. Ik had dat niet kunnen doen, als ik niet gevoeld had dat dat vuur ging branden. Ik dacht toen dat het op het ouderlingschap sloeg. Ik meende toen dat ik ouderling moest worden en geen predikant. Ik werd in die tijd krachtig onderwezen door de Heere. Ik wist zelf van niets. Ik moest overal lezen, bijvoorbeeld de stukjes die in de krant stonden op de tweede pagina, of dat wel in de Bijbel stond. Ik werd in mijn onwetendheid krachtig bijgestaan door de Heere.

Ik ben dat maar een jaar geweest. Toen hebben ze me eruit gegooid. Toen was het: Kruist hem. Ik wist alleen maar wat God mij geleerd had en wat ik daar dan meemaakte dat was zo in tegenstelling daarmee, zowel van de kerkenraad als de prediking. Waar die mensen mee bezig waren en hoe ze over mensen praatten, had niets met het Woord en het leven Gods te maken. Als jongste durfde ik daarvan niet altijd iets te zeggen, want zij waren allemaal ouder. Maar het raakte me wel eens zo, dat ik het hun wel móést zeggen. Op de kerkenraad over de afwijkingen van leer en leven en op de huisbezoeken bijvoorbeeld over de televisie en allerlei andere zonden. Zonder dat ik er erg in had, kwam achter mijn rug om een groot rumoer van ontevredenheid en vijandschap. In een openbare vergadering, wat anders nooit gebeurde, hebben ze me eruit gestemd. Onkerkelijke mensen, alles was gekomen om dit te bewerken. Normaal kwamen er maar twintig, maar toen was de hele wijk opgekomen. De dominee die er stond, werkte eraan mee. Het was alsof ze mij met pijlen doorschoten. Ik begreep niet dat mensen zo konden doen. Als het huis des Heeren niet zo lief voor mij geworden was, was ik er nooit meer gekomen. Ik ben thuis gekomen, verslagen en viel in een hoek. Ik zal het nooit vergeten, toen openbaarde Christus Zich in mij, in Gethsemané. Hij toonde mij hoe Hij als de Man van smarten bloed had gezweet. Ik ben daar zó uit vertroost geworden en toen kwam mij voor dat dit nu mijn weg was in de Hervormde Kerk. Om Zijns Naams wil zou ik moeten lijden. Mijn vader had mij daar al eerder in onderwezen. Ik heb ook schuldenaar mogen worden voor mijn vader, bij wie ik vroeger weggelopen was. Toen werd de vader een slechte vader voor mij en ik een slechte zoon voor hem. We zijn samen in de schuld gekomen. Hij heeft mij onderwezen uit 2 Tim. 2 dat de strijd wettelijk gestreden moest worden. Ik begreep niet wat hij bedoelde. Maar het was zo dat de Heere mij eerst in de Hervormde Kerk gebracht heeft en dat ik nu door lijden daarin bevestigd moest worden. Ik ben verkwikt geworden uit Zijn lijden, waarin ik zag hoe Hij de strijd gestreden en het lijden geleden had, totdat alles volbracht was. Wij zijn slechts navolgers. Toen is het zondags Avond191 JAARGANG 30 NR 4 maal geworden en ik heb geen vijanden meer gezien. In die tijd ben ik op een bijzondere wijze voorbereid op het ambt, juist daar. Ik heb op het punt gestaan over te gaan naar de Gereformeerde Gemeente. Ds. Mouw stond er toen. Maar de Heere weerhield mij en liet me zien dat ik in de Hervormde Kerk predikant moest worden. Ik kreeg op mijn hart gedrukt dat ik de kerk niet mocht verlaten. Ik heb toen door mogen gaan, verkreeg oefeningen in deze weg en ben weer gaan leren. Eerst avondmavo, voor een gewone bouwvakker. Daar heb ik de eerste beginselen van studeren geleerd. Drie jaar lang heb ik geleerd, het was een droge tijd voor mijn ziel. Ik heb veel geleerd van en omgang gehad met het volk des Heeren in Genemuiden. U vraagt ook naar de oude vrienden van wie ik onderwijs heb gehad. Dat waren bijvoorbeeld de Beensen, Hendrikje Thomassen, weduwe Smits, Marie Klaassen, Trijntje Visser en de weduwe Van Rijn. Ook met anderen hadden we een nauwe band.

Daar zaten we graag en het volk kwam ook bij ons. Toen moest ik gaan leren en moest ik dat ontberen.

U geloofde dat u in de Hervormde Kerk moest blijven?

Geen tekst uit Gods Woord maakte me dat duidelijk, maar ik voelde een terughouding. Ik werd weerhouden om de Hervormde Kerk te verlaten. Ik voelde dat ik in die kerk moest lijden. Dat werd wel bevestigd doordat ik in die tijd bezocht werd door ds. Pieters, zonder dat ik het ooit gevraagd had. Hij wilde mij wel helpen bij de talen. De Heere opende wegen waar ze niet waren. Ik werd in die tijd ook vervreemd van mijn werk ik was timmerman ik meende dat ik ander werk zou moeten doen. Ik wist ook niet wat. Zou het werk in Staphorst zijn? Ik was bekend met ds. Veldman. Er kwamen werkzaamheden omtrent het ambt in mee. De studie ging ook beter dan vroeger. Wat ik eerst niet kon leren, dat ging nu wel. Maar ik had geen roeping, wel werkzaamheden. Ik heb donkerheid, strijd gekend, maar had geen klaarheid. Dat heeft vijf jaar geduurd.

Toen kwam uit het Hooglied mij de dierbaarheid van Christus zo voor, dat het mij vaardig maakte Zijn lof te vertellen. Dat ik een brandende begeerte kreeg Zijn Naam uit te dragen. Dat heeft geduurd tot ik mij in moest laten schrijven voor de Universiteit. Dat kon pas als je colloquium doctum (twee moderne talen, twee klassieke talen en geschiedenis) had gedaan.

Dat had ik nog niet rond. Engels kon ik maar niet halen, maar later is dat op een wonderlijke wijze wel gebeurd. Ik mocht eerst als toehoorder colleges volgen, werkstukken maken, maar voor de vakken waarin ik college volgde, mocht ik eigelijk geen examen doen. Ik haalde het colloquium en kreeg de papieren voor de inschrijving als student waarop vragen stonden over wat ons bewoog de studie theologie te gaan doen. Voor hen ging het niet zozeer om de roeping als wel om de motieven, maar voor mij kwam het op de spits: Ik kon niet met duidelijkheid zeggen dat ik een roeping had. Ik heb de brief geruime tijd thuis gehouden, want ik kon niet met waarheid schrijven dat ik een roeping had. Het was bedaard geworden in mijn leven en ik legde het voor de Heere neer. Op een nacht werd ik wakker gemaakt en sprak de Heere met kracht in mijn ziel. Het was niet uit een overspannen gedachte of zo, maar ik was gewoon uit een rustige slaap opgewekt en toen heeft de Heere twee keer tot mijn ziel op een krachtige wijze gesproken. De nacht daarop werd ik weer wakker gemaakt en heeft de Heere weer, op een minder krachtige wijze, tot mijn ziel gesproken. Dat waren de woorden: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Het tweede was dat de velden wit waren om te oogsten en de arbeiders weinigen waren. In de tweede nacht was het dat Hij Petrus vroeg: 'Hebt gij Mij lief?' en dat hij mocht antwoorden: 'Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb.' Ook dat de Heere toen tegen Petrus zei dat hij de lammeren en schapen moest weiden en hoeden en tenslotte: 'Volg gij Mij.' We hebben daarop een opgaande weg gekregen, zoals het leek, maar daarop volgde anderhalf jaar strijd, een weg van beproeving. Dat is voor mij een tweede omkering geweest. De eerste is dat de Heere mij kwam te arresteren. Nu moest ik mijn gerechtigheden, mijn bekering verliezen. De Heere heeft drie keer willen spreken in deze beproeving, wat de staat van mijn ziel betreft en ook voor het leraarsambt: "Ik heb u tot een voorganger gesteld" naar wat wij lezen kunnen in Joh. 15:16.

Zonder er ooit nog op gerekend te hebben, ben ik toen door ouderling Huls uit Staphorst gevraagd om daar te komen werken. Ik was totaal ontkracht en dacht dat hij kwam om mij ook te veroordelen, want in mijn geweten was ik zeer beschaamd. Maar hij vroeg mij om daar te komen werken als pastoraal medewerker. Dat heb ik zeven jaar met al de liefde van mijn hart gedaan. Zo kwam ik ook bij vrouw Huls, de moeder van de ouderling en ook anderen van het volk.

Ik ging toen de zaterdagopleiding doen, in combinatie met de dagopleiding, waarbij ik een halve week werkte. Dat ging voorspoedig. Ik had anderhalf jaar gemist maar mocht toch een half jaar eerder klaar zijn dan de andere studenten met wie ik begon. Wat ik op de universiteit niet kon leren, heeft de Heere in die anderhalf jaar gedaan. Ik heb aan de RUU examen gedaan en in Groningen het eindgesprek. De examinatoren maakten het mij niet gemakkelijk tijdens het Colloquium. Ze vroegen over de vrouw in het ambt, inenten enz. Ze waren het helemaal niet met me eens, maar toch slaagde ik met genoegen, zoals dat genoemd werd. De Heere kwam er in mee en voorzag in al hetgeen Hij gesproken had. Dezelfde dag al kreeg ik een beroep uit Garderen. Dat was eigenlijk ook heel bijzonder, want je kreeg in de Hervormde Kerk niet zo gauw een beroep. Ik heb er vier jaar gestaan.

U geloofde tenslotte toch dat u uit de Hervormde Kerk moest?

Ja, ik heb daar uitvoerig over geschreven in de kerkbode. Maar je neemt de schuld mee. Ds. Kamp zei: 'Je kunt overal wezen waar de Heere je roept.' Ja, de schuld neem je mee. Dat resulteerde in persoonlijke, alsook in ambtelijke en nu in kerkelijke schuld. Ik moet wel zeggen dat ik er diep onder heb moeten buigen. Ik had het best wel kunnen verdedigen met te wijzen op Samen-opweg. Ik was er diep van overtuigd dat het zo niet kon. Maar ik heb nu toch vaak het gevoel mijn post te hebben verlaten. Samen-op-weg is een proces van valse eenheid, dus ik kon daar niet bij blijven. Maar ik kon daar het Woord nog ongehinderd preken. Wel kwam me voor: Schud het stof van uw voeten; maar ik was altijd maar bang net als een huurling te zijn, die zijn post verlaat. Ik heb daarom het verlaten van die kerk ernstig overwogen en meende het ook wel te kunnen verdedigen uit Owen die zegt dat je dit onder bepaalde omstandigheden mag doen. Ik dacht op grond van de Schrift dat ik het moest doen.

Ik geloofde ook dat ik bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland moest zijn. Toen ik was aangenomen en daarna door de classis werd afgewezen, toen was het voor mij het punt en nog steeds: Dit fout, alles fout. Ik ben verschrikkelijk op de zeef gebracht. Eerst kreeg ik bijzondere ondersteuning. Ik kreeg ook nog wel een heenwijzing dat ik mij bij de Oud Gereformeerde Gemeenten moest voegen, maar toen ik er eenmaal kwam, stortte eigenlijk alles in elkaar. Het was net alsof de Heere Zich aan mij onttrok, buiten het ambt zette. Ik had de Heere tegen, met de strijd van eerst de Heere vóór en nu zonder de strijd van toen de Heere tégen. Ik heb er steeds mee gelopen dat dit verkeerd is geweest. Ik ben er wel weer uit opgericht, maar er toch van dag tot dag mee bezig. Het is wel zo dat ik erg veel gepreekt had en grote spanningen had meegemaakt. Mijn vrouw was ernstig ziek geweest en dat gaat aan je lichaam niet voorbij. Maar ik heb er steeds mee gelopen: Dat fout geweest, alles fout. Misschien moet ik wel weer terug. Dat lijkt onmogelijk, maar hoe krijgt mijn gemoed weer rust. Ik hoop op Zijn genade. Ik moet zeggen dat ik in dit kerkverband met de leraars veel overeenstemming heb en er is ook onderling een grote toegenegenheid en vriendelijkheid. Ik kan ook niet zeggen dat ik me bij de Oud Gereformeerde Gemeenten niet thuis voel. Er is soms wel gemoedelijkheid, bij de anderen moet je weer oppassen voor starheid. Er zijn aan beide kanten wel gevaren.

Vindt u dat de preek met name schriftuurlijk-bevindelijk moet zijn met nadruk op schriftuurlijk of op bevindelijk? Wat moet volgens u de hoofdinhoud van de prediking zijn?

Het moet niet zo zijn dat het één meer nadruk krijgt en het ander minder. Er moet evenwicht zijn. Niet dat we zelf het evenwicht kunnen bewaren. Het Woord van God is het gezaghebbend Woord. Gods Woord is de kenbron. De bevinding moet onderbouwd zijn uit het Woord van God. De bevinding kun je niet missen, anders is het dood. Gods volk moet zich eraan kunnen toetsen. Ik verbind de toepassing gelijk aan de uitleg. Dat is met elkaar verweven. Dat is dus een andere manier van preken dan de Hollandse oud-vaders deden. Een tijd uitleggen of preken en dan pas de toepassing zou ik niet kunnen.

Op de vraag of hij zich dan meer aangesproken voelt tot de Engelse oudvaders, wat de manier van preken betreft, zegt ds. Kort dat de Bijbel voor hem het eerste boek is maar Bunyans Christenreize het tweede boek dat hij las. Door geschriften van Andrew Gray, Hugo Binning en John Owen heeft hij grote liefde gekregen voor de Puriteinen. Zijn taal werd ook gevormd door dit lezen. Vooral door de Statenvertaling en de Puriteinen, Engelsen en Schotten gebeurde dit.

Later, vervolgt ds. Kort, las ik ook wel Hollandse oudvaders, natuurlijk. Sommigen zeggen ten aanzien van het preken: Eerst moet dit komen en dan dat. Zo is het bij mij nooit geweest. Ik heb geen strakke indeling, waaraan ik me houd. Heb je het Woord alleen en zonder de werking van de Geest, dan mis je toch de toepassing. In de volle bediening verbind je de toepassing aan Gods Woord. Het moet altijd onderbouwd zijn uit dat Woord. Daar is juist de troost in gelegen: Alzo spreekt de Heere en daar staat het beschreven in Gods Woord. Dat is juist de troost dat je leidingen terug te vinden zijn in het Woord van God. De Heilige Geest moet het echter toepassen.

U vroeg ook naar de hoofdinhoud van de prediking en de boodschap naar de bejaarden, zo vat ds. Kort enkele vragen samen.

De hoofdinhoud moet zijn: Jezus Christus en Die gekruisigd. We moeten met God verzoend worden door Christus, de Middelaar. Bij de ouderen in de bejaardenhuizen komt veel de ernst naar voren van de naderende eeuwigheid: of dat wonder in ons leven gebeurd is, of hij de nood kent waarin een mens zich bevindt. Zijn zielenstaat moeten we ernstig nemen. Voor ons allemaal is dat nodig. Als je de verzoening centraal stelt, is het: Laat u met God verzoenen. We zijn niet remonstrants: zorg zelf maar dat het gebeurt. Maar laat God werken zoals dat in de weg van afsnijding gebeurt. We zeggen meest dat dit drievoudig is: van de wereld, van je godsdienst en dan ook van je leven afgesneden te worden. Het is nodig in Christus ingelijfd te worden en in Hem een nieuw schepsel te zijn. Het kind moet wel geboren worden. De catechismus maar volgen: Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods. En vervolgens hoe we tot die Middelaar komen en waaruit we dat weten: uit het Heilig Evangelie. Ook spreken van de Heilige Geest Die overtuigt van zonde en Die Gods deugden in het hart verheerlijkt. Ook over de goederen die in het Evangelie genoemd worden en door Wie ze alleen maar te bekomen zijn. De onderwijzer wijst dan op die Ander, waarvan zij zeggen: Maar Wie is dan die Middelaar? Hij is een verborgen Persoon, Die ontdekt wordt in de weg van recht en gerechtigheid.

U gaat dus niet woord voor woord uitleggen en daarna de toepassing doen?

Nee, dat kan ik zo niet zeggen, al is het zo dat ik meer analogisch dan thematisch preek.

Welke werken gebruikt u ter voorbereiding van de preken? Hoe staat u tegenover het gebruik van een schets bij het preken?

Ik gebruik voor de Catechismusverklaring vooral Beukelman. Die is helder en klaar. Hij zegt zakelijke dingen, waar je over kunt denken. Er staan genoeg teksten bij waarin lering ligt opgesloten. We moeten Schrift met Schrift vergelijken. Het is nodig dat de Schrift zichzelf verklaart. Naar vorm kun je natuurlijk niet zeggen dat hij een preek geschreven heeft als de Erskines. Maar dat betekent niet dat ik Beukelman niet waardeer. Ik lees hem graag. Bij veel Hollandse oud-vaders zie je dat de applicatie (toepassing) aan het eind komt. Het kan zo zijn dat de hoorders zeggen: Nou moet ik pas wakker worden, want nu gaat het over de toepassing.

Dat is een nadeel, maar tegenwoordig wordt exegese wel hoog gewaardeerd. Een goede exegese is ook belangrijk, maar zeker niet het één en al. Als dat niet in de orde is volgens de hoorders, dan wordt de predikant afgekeurd. Ervaart u dat ook zo?

Nou ja, bij de Oud Gereformeerden is dat weer wat anders. Maar wat de vraag betreft: Een prachtige uitleg kun je hebben, maar het leven wordt er in gemist. J e kunt zeggen: het klopt allemaal, maar wat heb je dan nog?

Dat is waar, maar een goede exegese en opbouw zijn wel gewenst, vooral als mensen steeds minder van de Waarheid verstaan. Zo deed bijvoorbeeld ds. Kersten ook wel. Gebruikt u wel preken van zulke, dus meer recente, dominees als voorbereiding? U kunt denken aan latere Catechismusverklaringen die toch ook wel gebruikt kunnen worden als voorbereiding.

Nee, daar maak ik geen gebruik van. Ik heb voor de Catechismusverklaring het Schatboek weer ontdekt. Dat gebruik ik nu veel. Ik heb ook Calvijn eigenlijk weer een beetje ontdekt. Ik lees daar ook weer meer in. Eerst dacht je wel eens: het is wel wat koud en zakelijk, maar nu vind ik hem helder en klaar. Het is natuurlijk maar summier wat hij van de teksten zegt. Eigenlijk geldt dat voor elke verklaring. De Bijbelverklaring van Patrick Polls en Wells gebruikte ik vroeger ook veel. In het begin gebruikte ik alleen maar de grondtekst.

Zou u geen preken van latere dominees denk aan de Catechismusverklaring van ds. Kersten kunnen gebruiken als voorbereiding en de lijn of enkele gedachten daarvan vlechten door wat oudere verklaarders als het Schatboek zeggen? Men vindt het tegenwoordig gauw te oud en te moeilijk.

Dat zijn preken? Nee, dan begin ik er niet aan. Nee, ik heb daar een weerzin tegen. Ik heb het gevoel dat ik steel. Ik kijk tevoren nooit een preek na die een ander over de tekst die ik heb, gehouden heeft. Zou ik hem lezen, dan na de preek. Ik ben wel genegen tot zakelijk onderzoek. Ik toets mijn gedachten over een tekst dus wel, maar dan aan de grondtekst. Grieks gaat makkelijker dan Hebreeuws. Ik kijk ook in de handboeken en voor de geschiedenis zie ik ook wat na. Daarna schrijf ik voor mezelf mijn gedachten op en ga ze toetsen aan deze verklaarders. Ik schrijf wat tekstwoorden op.

U vraagt ook naar een schets. Eerst had ik niets, maar nadat ik zo ziek ben geweest wel. Ik kon niet meer onthouden. Ik schrijf nu wat op. Eigenlijk is dat niet meer dan herhalen wat in de Bijbel staat en aan de hand van tekstwoorden schrijf ik dat op mijn briefje of schets. Dat is als geheugensteuntje, maar ik kan er niet van preken. Ik kan daar niet mee werken. Ik bind me dan te veel en kan dan niet preken.

Ik moet het echt krijgen. Ik kan niet een preek houden van de schets af. Ik kijk daar niet op.

Is het wel stelen als je iemands gedachten weergeeft in eigen woorden?

In feite doe je dat ook wel als je een preek hoort en navertelt. Dat is niet verkeerd. Dus dat is niet altijd zo te zeggen. Maar wel als ik eronder zit en ik denk dan: Hé, dat is ds. Kersten. Nee, daar kan ik mij niet in vinden. Als ik zo te werk moet gaan, hield ik op met preken. Dat zul je bij mij niet tegenkomen. Het kan best zijn als ik met indruk een boek aan het lezen ben, dat ik dat vertel in de preek. Maar dan zeg ik: Dat zegt ds. Kersten of dat zegt Calvijn. Maar als ik daar mijn preek op ga bouwen, dan voel ik dat ik de Heere er niet in meekrijg. Dat kan ik niet. Het is zelfs zo bij het Schatboek, dat is gewoon een leerboek voor me, dat ik denk: Dat ik nu toch niet te veel vertrouw op die punten. Ik kan er anders niet mee in de binnenkamer komen en vragen: O, Heere, wilt U toch leven geven en erin meekomen.

Ik heb het wel eens gedaan met de preken van ds. Kersten over Zacharia. Dat zijn best moeilijke teksten. Toen heb ik geprobeerd die preek samen te vatten, zoveel mogelijk in mijn hoofd te zetten en de opbouw of lijn iets te volgen. Maar ik ben veroordeeld in mijn consciëntie en heb dat nooit meer gedaan.

Dat is wel persoonlijk...

Ja, ik weet het. Maar je zult dus niet horen, zoals van een man in Oud Beijerland: Dat was van Smytegelt, dat was van Van der Groe enz. waarop die dominee toen zei: Man, houd toch je mond. Dat is van uzelf, zei de man daarop.

Dat gevaar zit erin.

Maar het is heel erg eigenwijs, daar zal ik u in tegemoet komen, als ik denk dat ik zoveel licht heb, dat ik de oud-vaders of andere leraars niet nodig heb. Dan sla ik wel de plank mis. Onze oud-vaders citeren zelf ook Augustinus, Ambrosius en anderen van de kerkvaders. De leer toets ik steeds. Bevinding heeft de Heere je geleerd. Maar als ik alleen bevinding preek, dan preek ik vandaag zo en volgende week weer net eender. Het is net als met een psalmversje dat ik heb gekregen. Dat kan ik opgeven en dat moet de volgende week weer, want dan denk ik weer aan dat versje. Maar zo moet het niet, ik moet wel mijn hele psalmboek door bij het opgeven van versjes. Het is leer en leven. De leer komt eerst.

Bijbels zakelijk woordenboek?

Ik zal u iets vertellen: Ik heb pas dat werk van Staringh gehad. Daar lees ik graag in. Die gaat vertellen in welke teksten het één en ander staat en wat het woord betekent. Ook de ware leer en de uitleg van een tekst wordt in het kort aan de orde gesteld.

Maar als ik een verklaring wil nazien, kijk ik nu minder in Patrick Polls dan eerst en lees ik nu meer in Calvijn. Dan heb ik echt het gevoel: ik probeer het Woord te onderzoeken. Dat doet mij goed. Ik probeer zakelijk de gemeente iets te leren en die leer moet getoetst worden. Daar heb ik aan vast te houden, ook al spreken anderen het tegen. Dat is de leer van Gods Woord.

Maar als ik een preek ga houden en dan andere preken nalezen ...

Het voorbeeld wordt genoemd van een dominee die iets over een tekst nalas en toen het boek van ds. Lamain pakte, want die had er een preek over.

Ja, maar hij zei dit, denk ik, ook in zijn preek: Dat heb ik gelezen bij ds. Lamain. Dat vind ik wel eerlijk.

Ik heb het ook wel eens dat ik denk: had ik er maar een preek van een ander over. Dat zou toch makkelijk zijn. Sommigen hebben dat in de computer staan. Maar dat doe ik niet. Ik moet het dan toch maar aan de Heere vragen of ik nog licht mag ontvangen. Ik durf ook niet altijd te zeggen dat dit dan gebeurt, maar merk toch wel dat de Heere me doorhelpt.

Als ik nu over Openbaring moet preken, ga ik niet kijken: Wat zegt ds. Mallan of één van de oud-vaders ervan?

Is er nog weerklank als u preekt of zijn er nog afnemers?

Ja, ik heb het wel gehad dat ik voelde dat er afnemers waren op een plaats tijdens een doordeweekse dienst en ik ging dat boven de zondag stellen. Maar toen is het wel eens omgekeerd. Het volk zat er wel, maar het ging niet. Het gaat ook niet om het volk. Het gaat om Zijn eer en Naam. Er zijn wel momenten dat ik denk: ik preek tegen een muur. Het oude volk is voor een deel al afgereisd. De naam van ds. Mallan werd net genoemd. Ik heb hem wel eens horen zeggen dat hij heimwee had naar vroegere tijden vanwege dat volk. Het is niet ongemakkelijk, als ze er zijn. Het zijn maar momenten dat vrijmoedigheid geschonken wordt en dat het makkelijk is. Dat is zo in bepaalde omstandigheden als de Heere je bijzonder bedient. Ik kreeg het hier toch wel eens makkelijk onder het preken, omdat de tekst waarmee ik bevestigd ben, terugkwam in mijn ziel. Het was eens dat ik heel makkelijk preekte en er iemand kort daarna stierf. Het is net zo alsof de Heere ernst schonk om te waarschuwen. Afnemers, ja dan moet het vat van ons hart ook leeg zijn. Ik heb het ook wel gehad dat het toegesloten werd en ik kon daar niemand de schuld van geven. Dan moet je met je verstand verder kunnen gaan en dan is het voor mij erg moeilijk. Ik moet het echt krijgen en geholpen worden. Hij opent en wie zal sluiten en Hij sluit en wie zal openen?

Catechiseren is moeilijk. Wat vindt u er van? Hoe is dat in Rijssen?

Het is moeilijk al heb ik het altijd graag gedaan. Bemoedigingen zijn er weinig. Ze luisteren wel aandachtig naar het mij schijnt. De jeugd heeft wel de liefde van mijn hart. Toen ik niet goed was, was het voor de jeugd ook moeilijk, denk ik. Ik wijt het dan maar aan mezelf als ze niet zo aandachtig zijn. Ik moet zeggen dat de jeugd het mij niet moeilijk heeft gemaakt.

Ik gebruik Hellenbroek. Het is onderbouwd met teksten en lijkt wel wat op een kleine dogmatiek. Ds. Kersten heeft het ook wel goed gelezen, denk ik. Er wordt niet zoveel aandacht aan de Wet geschonken. Dat doet de Catechismus meer.

De jeugd in behoudende plaatsen zoals Genemuiden is in negatieve zin in het nieuws geweest. Zou u een verklaring kunnen geven?

Ik zeg van Genemuiden niet graag iets verkeerds. Ik rekende het als mijn geboorteplaats. Daar liggen liefdebanden. Het is wel zo dat alle jongeren naar de kerk gaan en daarvan zitten er dan ook veel in cafés. Het is dus niet uitgeselecteerd zoals in andere plaatsen. De taal is vaak wel ruw, het gebruik van bastaardvloeken heeft mij ook wel zeer gedaan. Ik kan veel begrijpen, als ik zie naar mijn eigen jeugd. Maar waar is het fatsoen en de eerbied voor God, Zijn dienst, volk en ambtsdragers? Anderzijds was daar nog veel van wat we elders al lang missen. De nijverheid, saamhorigheid en het kerkelijk besef is haar vaandel zoals men ook in Rijssen, Urk en Staphorst vindt. De Heere woonde er en dat kent nog zijn sporen.

Hebt u hoop voor de jeugd?

Ja, dat wel. Ik heb er wel mee te doen gehad. Ik ben bevestigd door ds. Kamp en die tekst is een baken voor mij: Jes. 51:16: 'En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en Ik bedek u onder de schaduw Mijner hand, om den hemel te planten en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: Gij zijt Mijn volk.' Er zijn nog onvervulde beloften. Ik heb hoop dat de Heere nog werken wil. Het lijkt er niet op, toch is er de hoop, onder de oordelen. Ik moet ook steeds denken aan: uw arbeid zal niet ijdel zijn in den Heere.

Hoe zou u de geest van deze tijd willen omschrijven?

Het is een antichristelijke tendens. De mens der zonde leeft zich steeds meer uit. De afval is er, secularisatie, denk aan het homohuwelijk, de euthanasie, de pil van Drion en de zondagsrust die opgeofferd moet worden. Er zijn de geesten in de lucht, er is een afkeer van wat uit de tijd van de Reformatie is overgeleverd.

Hebt u een slotopmerking?

Ja, we moeten beseffen: Weet dat uw verlossing nabij is. En ook: Rom. 13: Maar doet aan den Heere Jezus Christus en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. Ook is waar: de zaligheid is ons nu nader ... De omstandigheden zijn ontmoedigend. We moeten ons hart in de hemel hebben. Al deze dingen moeten geschieden... De Heere werkt op het einde aan, op Zijn eer aan. Zijn Naam zal eeuwig eer ontvangen. In het wereldgebeuren is het toch zo dat Hij Zijn Kerk niet verlaten zal. Hij zal al Zijn welbehagen doen. Ik wijs mijn kinderen op Hem Die het al regeert. De Heere wijst toch op Zijn belofte, dat moet de struikelende knieën vaststellen. Laat er dan geen stilzwijgen bij des Heeren kinderen zijn. De duivel probeert Gods volk te laten zwijgen en hen te verlammen. Maar Hij komt om de aard' te richten. Daar mogen we de gemeente en onze kinderen op wijzen.

Dominee, u wordt hartelijk bedankt dat u tijd beschikbaar wilde stellen om dit interview te houden.

Naschrift

We hebben als redactie ds. Kort de vraag voorgelegd of het interview dat verschillende persoonlijke zaken bevat, in deze vorm geplaatst moest worden. Ds. Kort heeft daarop geantwoord dat hij openheid betracht en geen enkel verwijt gemaakt heeft. Hij wilde deze persoonlijke zaken niet verzwijgen. Hij vond het gebruik van de ik-vorm in het verhaal wel spijtig, maar merkte terecht op dat dit ook wel door het persoonlijke karakter van het interview komt. Ook dat is dus gehandhaafd.

Dit artikel werd u aangeboden door: KOC Visie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juli 2001

Criterium | 64 Pagina's

Interview met ds. A. Kort

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juli 2001

Criterium | 64 Pagina's

PDF Bekijken